בְּרֵאשִׁית

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 11
Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

בְּרֵאשִׁית 11

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ויהי כל הארץ שפה אחת ודברים אחדים׃
1Nog sprak heel de aarde eenzelfde taal en dezelfde woorden.
2ויהי בנסעם מקדם וימצאו בקעה בארץ שנער וישבו שם׃
2Toen men uit het oosten was opgetrokken, en een vlakte in het land Sjinar had gevonden, bleef men daar wonen.
3ויאמרו איש אל רעהו הבה נלבנה לבנים ונשרפה לשרפה ותהי להם הלבנה לאבן והחמר היה להם לחמר׃
3Nu zeiden ze tot elkander: Komt, laten we stenen maken, en ze hard bakken in vuur. Die tichels moesten hun tot bouwsteen dienen, de asfalt tot mortel.
4ויאמרו הבה נבנה לנו עיר ומגדל וראשו בשמים ונעשה לנו שם פן נפוץ על פני כל הארץ׃
4Later zeiden ze weer: Komt, laten we ons een stad bouwen met een toren, waarvan de spits tot in de hemel reikt; dan maken we ons een herkenningsteken, zodat we niet over heel de aarde worden verstrooid.
5וירד יהוה לראת את העיר ואת המגדל אשר בנו בני האדם׃
5Maar Jahweh daalde neer, om de stad en de toren eens te bezien, die de mensenkinderen bouwden.
6ויאמר יהוה הן עם אחד ושפה אחת לכלם וזה החלם לעשות ועתה לא יבצר מהם כל אשר יזמו לעשות׃
6Want Jahweh sprak: Zie, zij vormen één volk en spreken één taal. En dit is nog maar het begin van hun doen; later zal men niets meer kunnen beletten van al wat zij van plan zijn.
7הבה נרדה ונבלה שם שפתם אשר לא ישמעו איש שפת רעהו׃
7Kom, laat ons afdalen, en daar beneden hun spraak in verwarring brengen, zodat zij elkanders taal niet meer verstaan.
8ויפץ יהוה אתם משם על פני כל הארץ ויחדלו לבנת העיר׃
8Zo verstrooide Jahweh hen over de hele aarde, en staakten zij de bouw der stad.
9על כן קרא שמה בבל כי שם בלל יהוה שפת כל הארץ ומשם הפיצם יהוה על פני כל הארץ׃
9Daarom noemt men haar Babel, omdat Jahweh daar de spraak van de hele aarde in verwarring heeft gebracht, en omdat Jahweh hen vandaar over de hele aarde heeft verstrooid.
10אלה תולדת שם שם בן מאת שנה ויולד את ארפכשד שנתים אחר המבול׃
10Dit is de geslachtslijst van Sem. Sem was honderd jaar oud, toen hij Arpaksad verwekte, twee jaar na de zondvloed.
11ויחי שם אחרי הולידו את ארפכשד חמש מאות שנה ויולד בנים ובנות׃
11En Sem leefde, nadat hij Arpaksad verwekt had, nog vijfhonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
12וארפכשד חי חמש ושלשים שנה ויולד את שלח׃
12Arpaksad was vijf en dertig jaar oud, toen hij Sála verwekte.
13ויחי ארפכשד אחרי הולידו את שלח שלש שנים וארבע מאות שנה ויולד בנים ובנות׃
13Arpaksad leefde, nadat hij Sála verwekt had, nog vierhonderd drie jaar, en verwekte zonen en dochters.
14ושלח חי שלשים שנה ויולד את עבר׃
14Sála was dertig jaar oud, toen hij Eber verwekte.
15ויחי שלח אחרי הולידו את עבר שלש שנים וארבע מאות שנה ויולד בנים ובנות׃
15En Sála leefde, nadat hij Eber verwekt had, nog vierhonderd drie jaar, en verwekte zonen en dochters.
16ויחי עבר ארבע ושלשים שנה ויולד את פלג׃
16Eber was vier en dertig jaar oud, toen hij Páleg verwekte.
17ויחי עבר אחרי הולידו את פלג שלשים שנה וארבע מאות שנה ויולד בנים ובנות׃
17Eber leefde, nadat hij Páleg verwekt had, nog vierhonderd dertig jaar, en verwekte zonen en dochters.
18ויחי פלג שלשים שנה ויולד את רעו׃
18Páleg was dertig jaar, toen hij Ragaoe verwekte.
19ויחי פלג אחרי הולידו את רעו תשע שנים ומאתים שנה ויולד בנים ובנות׃
19En Páleg leefde, nadat hij Ragaoe verwekt had, nog tweehonderd negen jaar, en verwekte zonen en dochters.
20ויחי רעו שתים ושלשים שנה ויולד את שרוג׃
20Ragaoe was twee en dertig jaar oud, toen hij Seroeg verwekte.
21ויחי רעו אחרי הולידו את שרוג שבע שנים ומאתים שנה ויולד בנים ובנות׃
21En Ragaoe leefde, nadat hij Seroeg verwekt had, nog tweehonderd zeven jaar, en verwekte zonen en dochters.
22ויחי שרוג שלשים שנה ויולד את נחור׃
22Seroeg was dertig jaar oud, toen hij Nachor verwekte.
23ויחי שרוג אחרי הולידו את נחור מאתים שנה ויולד בנים ובנות׃
23En Seroeg leefde, nadat hij Nachor verwekt had, nog tweehonderd jaar, en verwekte zonen en dochters.
24ויחי נחור תשע ועשרים שנה ויולד את תרח׃
24Nachor was negen en twintig jaar oud, toen hij Tara verwekte.
25ויחי נחור אחרי הולידו את תרח תשע עשרה שנה ומאת שנה ויולד בנים ובנות׃
25En Nachor leefde, nadat hij Tara verwekt had, nog honderd negentien jaar, en verwekte zonen en dochters.
26ויחי תרח שבעים שנה ויולד את אברם את נחור ואת הרן׃
26Tara was zeventig jaar oud, toen hij Abram, Nachor en Haran verwekte.
27ואלה תולדת תרח תרח הוליד את אברם את נחור ואת הרן והרן הוליד את לוט׃
27En dit is de geslachtslijst van Tara. Tara verwekte Abram, Nachor en Haran. Haran verwekte Lot.
28וימת הרן על פני תרח אביו בארץ מולדתו באור כשדים׃
28Haran stierf nog bij het leven van Tara, zijn vader, in zijn geboorteland, in Oer der Chaldeën.
29ויקח אברם ונחור להם נשים שם אשת אברם שרי ושם אשת נחור מלכה בת הרן אבי מלכה ואבי יסכה׃
29Abram en Nachor waren beiden getrouwd. De vrouw van Abram heette Sarai; de vrouw van Nachor heette Milka, en was de dochter van Haran, den vader van Milka en Jiska.
30ותהי שרי עקרה אין לה ולד׃
30Sarai was onvruchtbaar en had geen kinderen.
31ויקח תרח את אברם בנו ואת לוט בן הרן בן בנו ואת שרי כלתו אשת אברם בנו ויצאו אתם מאור כשדים ללכת ארצה כנען ויבאו עד חרן וישבו שם׃
31Tara nam zijn zoon Abram en zijn kleinzoon Lot, den zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, de vrouw van zijn zoon Abram, met zich mee, en voerde ze weg uit Oer der Chaldeën, om naar het land Kanaän te trekken. Maar eenmaal in Charan gekomen, bleven zij daar wonen.
32ויהיו ימי תרח חמש שנים ומאתים שנה וימת תרח בחרן׃
32Tara werd tweehonderd vijf jaar oud, en stierf in Charan.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.