בְּרֵאשִׁית

New Testament

מתיוסנט מארקהבְּשׂוֹרָה הַקְּדוֹשָׁה עַל־פִּי לוּקָסג'וןמַעֲשֵׂי הַשְּׁלִיחִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָרוֹמִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָרִאשׁוֹנָה אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הָשֵּׁנִית אֶל־הַקּוֹרִנְתִּיִיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַגָּלָטִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הָאֶפְסִיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַפִּילִפִּיִּיםאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס הַשָּׁלִיחַ אֶל־הַקּוֹלַסִּים1 סלוניס2 סלוניס1 טימותי2 טימותיאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־טִיטוֹסאִגֶּרֶת פּוֹלוֹס אֶל־פִּילֵימוֹןאִגֶּרֶת אֶל־הָעִבְרִיםאִגֶּרֶת יַעֲקֹבהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְפֶטְרוֹס הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הָרִאשׁוֹנָה לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשֵּׁנִית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַהָאִגֶּרֶת הַשְּׁלִישִׁית לְיוֹחָנָן הַשָּׁלִיחַאִגֶּרֶת יְהוּדָהחזוֹן יוֹחָנָן
Chapter 36
Modern Hebrew Bible
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

בְּרֵאשִׁית 36

Modern Hebrew Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ואלה תלדות עשו הוא אדום׃
1Dit zijn de nakomelingen van Esau of Edom.
2עשו לקח את נשיו מבנות כנען את עדה בת אילון החתי ואת אהליבמה בת ענה בת צבעון החוי׃
2Esau had zich de volgende vrouwen uit de kanaänietische meisjes genomen: Ada, de dochter van den Chittiet Elon; Oholibama, de dochter van Ana, de kleindochter van den Chiwwiet Sibon;
3ואת בשמת בת ישמעאל אחות נביות׃
3Basemat, de dochter van Jisjmaël, de zuster van Nebajot.
4ותלד עדה לעשו את אליפז ובשמת ילדה את רעואל׃
4Ada baarde aan Esau Elifaz; Basemat Reoeël;
5ואהליבמה ילדה את יעיש ואת יעלם ואת קרח אלה בני עשו אשר ילדו לו בארץ כנען׃
5Oholibama baarde Jeoesj, Jalam en Kórach. Dit zijn de zonen van Esau, die hem in het land Kanaän werden geboren.
6ויקח עשו את נשיו ואת בניו ואת בנתיו ואת כל נפשות ביתו ואת מקנהו ואת כל בהמתו ואת כל קנינו אשר רכש בארץ כנען וילך אל ארץ מפני יעקב אחיו׃
6Daarna nam Esau zijn vrouwen, zonen en dochters en allen, die tot zijn gezin behoorden, met zijn kudde, runderen en al de bezittingen, die hij in het land Kanaän verworven had, en trok van zijn broer Jakob weg naar een ander land.
7כי היה רכושם רב משבת יחדו ולא יכלה ארץ מגוריהם לשאת אתם מפני מקניהם׃
7Want zij bezaten te veel, om bij elkander te blijven; het land, waar zij woonden, kon hen wegens hun kudden niet onderhouden.
8וישב עשו בהר שעיר עשו הוא אדום׃
8Esau of Edom ging zich dus in het gebergte Seïr vestigen.
9ואלה תלדות עשו אבי אדום בהר שעיר׃
9Dit is de geslachtslijst van Esau, den vader van Edom, in het gebergte Seïr.
10אלה שמות בני עשו אליפז בן עדה אשת עשו רעואל בן בשמת אשת עשו׃
10Dit zijn de namen van Esau’s zonen: Elifaz, de zoon van Esau’s vrouw Ada; Reoeël, de zoon van Esau’s vrouw Basemat.
11ויהיו בני אליפז תימן אומר צפו וגעתם וקנז׃
11De zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Sefo, Gatam en Kenaz.
12ותמנע היתה פילגש לאליפז בן עשו ותלד לאליפז את עמלק אלה בני עדה אשת עשו׃
12Timna was een bijvrouw van Esau’s zoon Elifaz, en zij baarde aan Elifaz Amalek. Dit waren dus zonen van Esau’s vrouw Ada.
13ואלה בני רעואל נחת וזרח שמה ומזה אלה היו בני בשמת אשת עשו׃
13Dit waren de zonen van Reoeël: Náchat en Zérach, Sjamma en Mizza. Ze waren dus zonen van Esau’s vrouw Basemat.
14ואלה היו בני אהליבמה בת ענה בת צבעון אשת עשו ותלד לעשו את יעיש ואת יעלם ואת קרח׃
14Dit waren de zonen van Esau’s vrouw Oholibama, de dochter van Ana, en kleindochter van Sibon. Zij baarde aan Esau Jeoesj, Jalam en Kórach.
15אלה אלופי בני עשו בני אליפז בכור עשו אלוף תימן אלוף אומר אלוף צפו אלוף קנז׃
15Dit zijn de stamhoofden van Esau’s zonen: De zonen van Elifaz, den eerstgeborene van Esau, zijn de stamhoofden van Teman, Omar, Sefo en Kenaz,
16אלוף קרח אלוף געתם אלוף עמלק אלה אלופי אליפז בארץ אדום אלה בני עדה׃
16Kórach, Gatam en Amalek. Ze zijn de stamhoofden van de groep Elifaz in het land Edom. Ze zijn zonen van Ada.
17ואלה בני רעואל בן עשו אלוף נחת אלוף זרח אלוף שמה אלוף מזה אלה אלופי רעואל בארץ אדום אלה בני בשמת אשת עשו׃
17Dit zijn de zonen van Esau’s zoon Reoeël: De stamhoofden van Náchat, Zérach, Sjamma en Mizza. Ze zijn de stamhoofden van de groep Reoeël in het land van Edom. Ze zijn zonen van Esau’s vrouw Basemat.
18ואלה בני אהליבמה אשת עשו אלוף יעוש אלוף יעלם אלוף קרח אלה אלופי אהליבמה בת ענה אשת עשו׃
18Dit zijn de zonen van Esau’s vrouw Oholibama. De stamhoofden van Jeoesj, Jalam en Kórach. Ze zijn de stamhoofden van de groep Oholibama, de dochter van Ana, de vrouw van Esau.
19אלה בני עשו ואלה אלופיהם הוא אדום׃
19Dit zijn dus de zonen van Esau of Edom met hun stamhoofden.
20אלה בני שעיר החרי ישבי הארץ לוטן ושובל וצבעון וענה׃
20En dit zijn de zonen van den Choriet Seïr, de eigenlijke bewoners van het land: Lotan, Sjobal, Sibon, en Ana.
21ודשון ואצר ודישן אלה אלופי החרי בני שעיר בארץ אדום׃
21Verder Disjon, Éser en Disjan. Ze zijn de stamhoofden van de Chorieten, de zonen van Seïr, in het land Edom.
22ויהיו בני לוטן חרי והימם ואחות לוטן תמנע׃
22De zonen van Lotan waren Chori en Hemam; de zuster van Lotan was Timna.
23ואלה בני שובל עלון ומנחת ועיבל שפו ואונם׃
23Dit zijn de zonen van Sjobal: Alwan, Manáchat, Ebal, Sjefo en Onam.
24ואלה בני צבעון ואיה וענה הוא ענה אשר מצא את הימם במדבר ברעתו את החמרים לצבעון אביו׃
24Dit zijn de zonen van Sibon: Ajja en Ana; dit is de Ana, die de hete bronnen vond in de woestijn, toen hij de ezels van zijn vader Sibon weidde.
25ואלה בני ענה דשן ואהליבמה בת ענה׃
25Dit zijn de kinderen van Ana: Disjon en Oholibama, de dochter van Ana.
26ואלה בני דישן חמדן ואשבן ויתרן וכרן׃
26Dit zijn de zonen van Disjon: Chemdan, Esjban, Jitran en Keran.
27אלה בני אצר בלהן וזעון ועקן׃
27Dit zijn de zonen van Éser: Bilhan, Zaäwan en Akan.
28אלה בני דישן עוץ וארן׃
28Dit zijn de zonen van Disjan: Oes en Aran.
29אלה אלופי החרי אלוף לוטן אלוף שובל אלוף צבעון אלוף ענה׃
29Dit zijn dus de stamhoofden van de Chorieten: de stamhoofden van Lotan, Sjobal, Sibon, Ana,
30אלוף דשן אלוף אצר אלוף דישן אלה אלופי החרי לאלפיהם בארץ שעיר׃
30Disjon, Éser en Disjan. Het zijn de stamhoofden van de verschillende chorietische stammen in het land Seïr.
31ואלה המלכים אשר מלכו בארץ אדום לפני מלך מלך לבני ישראל׃
31En dit zijn de koningen, die over het land Edom regeerden, eer er een koning heerste over de zonen Israëls.
32וימלך באדום בלע בן בעור ושם עירו דנהבה׃
32Béla, de zoon van Beor regeerde in Edom; zijn hofstad heette Dinhaba.
33וימת בלע וימלך תחתיו יובב בן זרח מבצרה׃
33Na de dood van Béla regeerde Jobab, de zoon van Zérach uit Bosra in zijn plaats.
34וימת יובב וימלך תחתיו חשם מארץ התימני׃
34Na de dood van Jobab regeerde Choesjam uit het land der Temanieten in zijn plaats.
35וימת חשם וימלך תחתיו הדד בן בדד המכה את מדין בשדה מואב ושם עירו עוית׃
35Na de dood van Choesjam regeerde Hadad, de zoon van Bedad in zijn plaats. Hij was het, die Midjan in de vlakten van Moab versloeg; zijn stad heette Awit.
36וימת הדד וימלך תחתיו שמלה ממשרקה׃
36Na de dood van Hadad regeerde Samla uit Masreka in zijn plaats.
37וימת שמלה וימלך תחתיו שאול מרחבות הנהר׃
37Na de dood van Samla regeerde Sjaoel uit Rechobot aan de rivier in zijn plaats.
38וימת שאול וימלך תחתיו בעל חנן בן עכבור׃
38Na de dood van Sjaoel regeerde Báal-Chanan, de zoon van Akbor in zijn plaats.
39וימת בעל חנן בן עכבור וימלך תחתיו הדר ושם עירו פעו ושם אשתו מהיטבאל בת מטרד בת מי זהב׃
39Na de dood van Báal-Chanan, den zoon van Akbor, regeerde Hadar in zijn plaats zijn hofstad heette Paoe. Zijn vrouw heette Mehetabel, en was de dochter van Matred en kleindochter van Me-Zahab.
40ואלה שמות אלופי עשו למשפחתם למקמתם בשמתם אלוף תמנע אלוף עלוה אלוף יתת׃
40En dit zijn de namen van de stamhoofden van Esau volgens hun familie, en naar de naam van hun woonplaats. De stamhoofden van Timna, Alwa en Jetet,
41אלוף אהליבמה אלוף אלה אלוף פינן׃
41Oholibama, Ela en Pinon,
42אלוף קנז אלוף תימן אלוף מבצר׃
42Kenaz, Teman en Mibsar,
43אלוף מגדיאל אלוף עירם אלה אלופי אדום למשבתם בארץ אחזתם הוא עשו אבי אדום׃
43Magdiël en Iram. Dit zijn dus de stamhoofden van Edom volgens hun woonplaats in het land, dat zij in bezit hadden genomen. Tot zover over Esau, den stamvader van Edom.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.