Genesis 18
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1And the LORD appeared unto him by the terebinths of Mamre, as he sat in the tent door in the heat of the day;
1Daarna verscheen Jahweh hem bij de eik van Mamre. Eens, toen hij op een hete middag in de opening van zijn tent zat,
2and he lifted up his eyes and looked, and, lo, three men stood over against him; and when he saw them, he ran to meet them from the tent door, and bowed down to the earth,
2en zijn ogen opsloeg, zag hij drie mannen voor zich staan. Zodra hij ze zag, liep hij ze van de tentingang tegemoet, boog zich ter aarde,
3and said: 'My lord, if now I have found favour in thy sight, pass not away, I pray thee, from thy servant.
3en sprak: Heer; als ik genade gevonden heb in uw ogen, ga dan uw dienaar niet voorbij.
4Let now a little water be fetched, and wash your feet, and recline yourselves under the tree.
4Sta mij toe, wat water te laten brengen; dan kunt Gij u de voeten wassen, en uitrusten onder de boom.
5And I will fetch a morsel of bread, and stay ye your heart; after that ye shall pass on; forasmuch as ye are come to your servant.' And they said: 'So do, as thou hast said.'
5Ik zal ook een stuk brood laten halen, om u wat te verkwikken, eer ge verder trekt; gij zijt nu toch langs uw dienaar gekomen. Zij zeiden: Doe, wat ge zegt.
6And Abraham hastened into the tent unto Sarah, and said: 'Make ready quickly three measures of fine meal, knead it, and make cakes.'
6Vlug ging Abraham zijn tent binnen, naar Sara, en sprak: Neem gauw drie maten fijne bloem, kneed ze en bak er broodkoeken van.
7And Abraham ran unto the herd, and fetched a calf tender and good, and gave it unto the servant; and he hastened to dress it.
7Zelf liep Abraham naar de kudde, om een mals en mooi kalf te halen; hij gaf het aan zijn knecht, die zich haastte, het klaar te maken.
8And he took curd, and milk, and the calf which he had dressed, and set it before them; and he stood by them under the tree, and they did eat.
8Dan nam hij room en melk met het kalf, dat hij had laten toebereiden, en diende het op; terwijl zij aten, bleef hij zelf bij hen onder de boom staan.
9And they said unto him: 'Where is Sarah thy wife?' And he said: 'Behold, in the tent.'
9Nu zeiden zij hem: Waar is Sara, uw vrouw? Hij antwoordde: Hier in de tent.
10And He said: 'I will certainly return unto thee when the season cometh round; and, lo, Sarah thy wife shall have a son.' And Sarah heard in the tent door, which was behind him. —
10Toen zeide Hij: Als Ik over een jaar om deze tijd bij u terugkom, zal uw vrouw Sara een zoon hebben. Sara stond achter hem te luisteren bij de opening van de tent.
11Now Abraham and Sarah were old, and well stricken in age; it had ceased to be with Sarah after the manner of women. —
11Nu waren Abraham en Sara beiden oud en hoogbejaard, en het ging Sara niet meer naar de wijze der vrouwen.
12And Sarah laughed within herself, saying: 'After I am waxed old shall I have pleasure, my lord being old also?'
12Daarom moest Sara heimelijk lachen, en dacht: Zal er dan nog liefdegenot voor mij zijn, nu ik zelf verwelkt ben, en ook mijn heer al oud is!
13And the LORD said unto Abraham: 'Wherefore did Sarah laugh, saying: Shall I of a surety bear a child, who am old?
13Maar Jahweh sprak tot Abraham: Waarom lacht Sara toch, en denkt ze: zal ik dan werkelijk nog baren op mijn oude dag?
14Is any thing too hard for the LORD. At the set time I will return unto thee, when the season cometh round, and Sarah shall have a son.'
14Is er dan iets te moeilijk voor Jahweh? Over een jaar om deze tijd kom Ik bij u terug, en dan heeft Sara een zoon.
15Then Sarah denied, saying: 'I laughed not'; for she was afraid. And He said: 'Nay; but thou didst laugh.'
15Sara ontkende het in haar angst, en zei: Ik heb niet gelachen. Maar Hij sprak: Ge hebt wèl gelachen.
16And the men rose up from thence, and looked out toward Sodom; and Abraham went with them to bring them on the way.
16Daarop stonden de mannen op, en namen de richting van Sodoma, terwijl Abraham mee ging, om ze uitgeleide te doen.
17And the LORD said: 'Shall I hide from Abraham that which I am doing;
17Toen dacht Jahweh bij Zichzelf: Waarom zou Ik voor Abraham geheim houden, wat Ik ga doen?
18seeing that Abraham shall surely become a great and mighty nation, and all the nations of the earth shall be blessed in him?
18Want Abraham zal zeker een groot en machtig volk worden, en alle volken der aarde zullen in hem worden gezegend.
19For I have known him, to the end that he may command his children and his household after him, that they may keep the way of the LORD, to do righteousness and justice; to the end that the LORD may bring upon Abraham that which He hath spoken of him.'
19Daarom juist heb Ik hem uitverkoren, opdat hij aan zijn zonen en zijn nageslacht zou bevelen, de weg van Jahweh te bewaren door gerechtigheid en recht te beoefenen; en Jahweh dus aan Abraham vervullen kan, wat Hij hem heeft beloofd.
20And the LORD said: 'Verily, the cry of Sodom and Gomorrah is great, and, verily, their sin is exceeding grievous.
20Daarom sprak Jahweh: Luid schreit het wraakgeroep over Sodoma en Gomorra, en hun zonde is buitengewoon zwaar.
21I will go down now, and see whether they have done altogether according to the cry of it, which is come unto Me; and if not, I will know.'
21Ik wil er heen, om te zien, of zij zich werkelijk zo gedragen, als het wraakgeroep klinkt, dat tot Mij is doorgedrongen; Ik wil Mij ervan op de hoogte stellen.
22And the men turned from thence, and went toward Sodom; but Abraham stood yet before the LORD.
22Maar toen de mannen vandaar de weg naar Sodoma wilden inslaan, bleef Abraham voor Jahweh staan,
23And Abraham drew near, and said: 'Wilt Thou indeed sweep away the righteous with the wicked?
23trad nader, en sprak: Zult Gij nu werkelijk den goede met den kwade verdelgen?
24Peradventure there are fifty righteous within the city; wilt Thou indeed sweep away and not forgive the place for the fifty righteous that are therein?
24Misschien dat er toch vijftig rechtvaardigen in de stad worden gevonden; zoudt Gij de plaats dan verdelgen, of zoudt Gij haar niet liever vergiffenis schenken om die vijftig rechtvaardigen, die er worden gevonden?
25That be far from Thee to do after this manner, to slay the righteous with the wicked, that so the righteous should be as the wicked; that be far from Thee; shall not the judge of all the earth do justly?'
25Het zij verre van U, zo te handelen, en de goeden met de kwaden te doden, zodat het den rechtvaardige vergaat als den boze. Neen, dat zij verre van U! Zou Hij, die heel de aarde richt, geen recht laten gelden?
26And the LORD said: 'If I find in Sodom fifty righteous within the city, then I will forgive all the place for their sake.'
26Jahweh sprak: Als Ik vijftig rechtvaardigen in de stad Sodoma vind, dan zal Ik de hele plaats om hunnentwil vergiffenis schenken.
27And Abraham answered and said: 'Behold now, I have taken upon me to speak unto the Lord, who am but dust and ashes.
27Abraham hernam: Zie, ik waag het, tot mijn Heer te spreken, ofschoon ik maar stof ben en as.
28Peradventure there shall lack five of the fifty righteous; wilt Thou destroy all the city for lack of five?' And He said: 'I will not destroy it, if I find there forty and five.'
28Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf; zoudt Gij dan toch om die vijf de hele stad verdelgen? Hij sprak: Ik zal ze niet verdelgen, als Ik er maar vijf en veertig vind.
29And he spoke unto Him yet again, and said: 'Peradventure there shall be forty found there.' And He said: 'I will not do it for the forty's sake.'
29Nu ging hij voort: Misschien worden er veertig gevonden? Hij sprak: Dan zal Ik het niet doen om wille van die veertig.
30And he said: 'Oh, let not the Lord be angry, and I will speak. Peradventure there shall thirty be found there.' And He said: 'I will not do it, if I find thirty there.'
30Nu zeide hij weer: Laat mijn Heer nu niet toornig worden, als ik blijf spreken; misschien worden er maar dertig gevonden. Hij sprak: Ik zal het niet doen, als Ik er dertig vind.
31And he said: 'Behold now, I have taken upon me to speak unto the Lord. Peradventure there shall be twenty found there.' And He said: 'I will not destroy it for the twenty's sake.'
31Hij zeide opnieuw: Zie, ik heb het nu toch al gewaagd, tot mijn Heer te spreken; misschien dat er twintig worden gevonden. Hij sprak: Ik zal ze niet verdelgen om wille van die twintig.
32And he said: 'Oh, let not the Lord be angry, and I will speak yet but this once. Peradventure ten shall be found there.' And He said: 'I will not destroy it for the ten's sake.'
32Hij hield aan: Laat mijn Heer niet toornig worden, als ik nu nog één keer spreek; misschien worden er maar tien gevonden. Hij zeide: Ik zal ze niet verdelgen om die tien.
33And the LORD went His way, as soon as He had left off speaking to Abraham; and Abraham returned unto his place.
33Toen Jahweh het gesprek met Abraham had beëindigd, ging Hij heen, en keerde Abraham naar zijn woonplaats terug.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.