Judit 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Hierop zeide Holoférnes in heftige verontwaardiging tot Achior:
1Factum est autem cum cessassent loqui, indignatus Holofernes vehementer, dixit ad Achior:
2Omdat gij ons hebt voorspeld, dat het volk van Israël door zijn God wordt verdedigd, zal ik u laten zien, dat alleen Nabukodonosor god is, en niemand anders.
2Quoniam prophetasti nobis, dicens quod gens Israël defendatur a Deo suo, ut ostendam tibi quoniam non est deus nisi Nabuchodonosor,
3Want wanneer wij hen allen als één man hebben verslagen, zult ook gij tegelijk met hen door het zwaard der Assyriërs omkomen en zal heel Israël met u worden uitgeroeid en verdelgd.
3cum percusserimus eos omnes, sicut hominem unum, tunc et ipse cum illis Assyriorum gladio interibis, et omnis Israël tecum perditione disperiet:
4Dan zult ge ondervinden, dat Nabukodonosor de heer is van de gehele aarde. Het zwaard van mijn soldaten zal uw zijde doorboren; ge zult worden doorstoken en neervallen onder de gewonden van Israël; ge zult niet langer meer leven, maar tegelijk met hen worden omgebracht.
4et probabis quoniam Nabuchodonosor dominus sit universæ terræ: tuncque gladius militiæ meæ transiet per latera tua, et confixus cades inter vulneratos Israël, et non respirabis ultra, donec extermineris cum illis.
5Welnu, als ge meent, dat uw voorspelling op waarheid berust, dan behoeft ge toch niet zo somber te kijken! Waarom is uw gelaat zo bleek, wanneer ge toch werkelijk meent, dat mijn woorden niet uitkomen?
5Porro autem si prophetiam tuam veram existimas, non concidat vultus tuus: et pallor qui faciem tuam obtinet abscedat a te, si verba mea hæc putas impleri non posse.
6Maar om u te overtuigen, dat u hetzelfde lot als hun staat te wachten, daarom zult ge van dit ogenblik af bij dit volk worden ondergebracht. En wanneer zij door mijn zwaard hun verdiende straf zullen ondergaan, dan zal mijn wraak ook u treffen.
6Ut autem noveris quia simul cum illis hæc experieris, ecce ex hac hora illorum populo sociaberis, ut, dum dignas mei gladii pœnas exceperint, ipse simul ultioni subjaceas.
7Daarop gaf Holoférnes zijn dienaars bevel, Achior gevangen te nemen, naar Betoel te brengen en aan de Israëlieten over te leveren.
7Tunc Holofernes præcepit servis suis ut comprehenderent Achior, et perducerent eum in Bethuliam, et traderent eum in manus filiorum Israël.
8De dienaars van Holoférnes grepen hem dus vast en trokken met hem door de vlakte. Maar toen zij bij het gebergte waren gekomen, kwamen er slingeraars op hen af.
8Et accipientes eum servi Holofernis, profecti sunt per campestria: sed cum appropinquassent ad montana, exierunt contra eos fundibularii.
9Ze gingen dus het gebergte niet in, doch bonden Achior met handen en voeten aan een boom, lieten hem zo met touwen gebonden daar achter en keerden terug naar hun heer.
9Illi autem divertentes a latere montis, ligaverunt Achior ad arborem manibus et pedibus, et sic vinctum restibus dimiserunt eum, et reversi sunt ad dominum suum.
10Nu kwamen de Israëlieten van Betoel naar omlaag en gingen naar hem toe. Zij maakten hem los en namen hem mee naar Betoel, waar zij hem in de kring van het volk plaatsten en hem vroegen, waarom de Assyriërs hem geboeid hadden achtergelaten.
10Porro filii Israël descendentes de Bethulia, venerunt ad eum: quem solventes, duxerunt ad Bethuliam, atque in medium populi illum statuentes, percunctati sunt quid rerum esset quod illum vinctum Assyrii reliquissent.
11In die dagen waren Oezzi-ja, de zoon van Mika uit de stam Simeon, en Karmi, die ook Gotoniël heette, de bestuurders der stad.
11In diebus illis erant illic principes Ozias filius Micha de tribu Simeon, et Charmi, qui et Gothoniel.
12Te midden van de oudsten en in tegenwoordigheid van het gehele volk vertelde nu Achior alles, wat hij op de vragen van Holoférnes had geantwoord, hoe de soldaten hem, om wat hij gezegd had, hadden willen vermoorden.
12In medio itaque seniorum, et in conspectu omnium, Achior dixit omnia quæ locutus ipse fuerat ab Holoferne interrogatus: et qualiter populus Holofernis voluisset propter hoc verbum interficere eum,
13en hoe Holoférnes zelf in grote woede het bevel had gegeven, Achior aan de Israëlieten uit te leveren, om hem, na zijn overwinning op de Israëlieten, onder verschillende folteringen te laten doden, omdat hij gezegd had, dat de God van de hemel hun beschermer was.
13et quemadmodum ipse Holofernes iratus jusserit eum Israëlitis hac de causa tradi, ut dum vicerit filios Israël, tunc et ipsum Achior diversis jubeat interire suppliciis, propter hoc quod dixisset: Deus cæli defensor eorum est.
14Toen Achior dit alles verteld had, viel het gehele volk voor God in aanbidding neer, en stortte onder algemeen klagen en wenen eenparig zijn gebeden uit voor den Heer.
14Cumque Achior universa hæc exposuisset, omnis populus cecidit in faciem, adorantes Dominum, et communi lamentatione et fletu unanimes preces suas Domino effuderunt,
15Men sprak: Heer, God van hemel en aarde, ziet hoe overmoedig ze zijn, en aanschouw onze vernedering. Zie genadig neer op uw heilig volk, en toon, dat Gij hèn niet verlaat, die op u hopen, maar hèn vernedert, die op zichzelf vertrouwen en groot gaan op hun eigen kracht.
15dicentes: Domine Deus cæli et terræ, intuere superbiam eorum, et respice ad nostram humilitatem, et faciem sanctorum tuorum attende, et ostende quoniam non derelinquis præsumentes de te: et præsumentes de se, et de sua virtute gloriantes, humilias.
16Toen het wenen bedaard was en het volk de gehele dag in gebed had doorgebracht, troostten zij Achior.
16Finito itaque fletu, et per totam diem oratione populorum completa, consolati sunt Achior,
17Ze zeiden: De God van onze vaderen, wiens macht gij hebt verkondigd, zal alles voor u ten beste keren, zodat gij getuige zult zijn van hun val.
17dicentes: Deus patrum nostrorum, cujus tu virtutem prædicasti, ipse tibi hanc dabit vicissitudinem, ut eorum magis tu interitum videas.
18En wanneer de Heer onze God zijn dienaars zal hebben bevrijd, dan moge God, die onder ons woont, ook met u zijn, en kunt ge, zo ge wilt, met al de uwen bij ons wonen.
18Cum vero Dominus Deus noster dederit hanc libertatem servis suis, sit et tecum Deus in medio nostri: ut sicut placuerit tibi, ita cum tuis omnibus converseris nobiscum.
19Na dit onderhoud nam Oezzi-ja hem mee naar zijn huis, en richtte voor hem een groot feestmaal aan.
19Tunc Ozias, finito consilio, suscepit eum in domum suam, et fecit ei cœnam magnam.
20Hij nodigde alle oudsten daarbij uit, en omdat de vasten juist was geeindigd, aten zij gezamelijk.
20Et vocatis omnibus presbyteris, simul expleto jejunio refecerunt.
21Daarna werd het volk weer bijeengeroepen; zij bleven de gehele nacht bijeen in gebed, en smeekten den God van Israël om hulp.
21Postea vero convocatus est omnis populus, et per totam noctem intra ecclesiam oraverunt, petentes auxilium a Deo Israël.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.