Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Toen het hele leger vernam, dat Holoférnes vermoord was, verloren zij hun bezinning en waren zichzelf niet meer meester. Opgejaagd door louter angst en ontzetting, zochten zij hun heil in de vlucht.
1Cumque omnis exercitus decollatum Holofernem audisset, fugit mens et consilium ab eis, et solo tremore et metu agitati, fugæ præsidium sumunt,
2Zonder iets met elkaar te bespreken, lieten zij moedeloos alles in de steek, om in de grootste haast de Hebreën te ontvluchten, die zij gewapend achter zich aan hoorden komen. Zij vluchtten voort langs velden en wegen en langs de paden in het gebergte.
2ita ut nullus loqueretur cum proximo suo, sed inclinato capite, relictis omnibus, evadere festinabant Hebræos, quos armatos super se venire audiebant, fugientes per vias camporum et semitas collium.
3Toen de Israëlieten hen op de vlucht zagen slaan, renden zij hun achterna; ze kwamen omlaag en begonnen achter hen aan op trompetten te blazen en luidkeels te schreeuwen.
3Videntes itaque filii Israël fugientes, secuti sunt illos. Descenderuntque clangentes tubis, et ululantes post ipsos.
4En terwijl de Assyriërs niet bij elkaar konden blijven en overhaast vluchtten, kwamen de Israëlieten in gesloten gelederen achter hen aan, en sloegen zodoende allen neer, die zij achterhaalden.
4Et quoniam Assyrii non adunati, in fugam ibant præcipites: filii autem Israël uno agmine persequentes debilitabant omnes quos invenire potuissent.
5Intussen had Oezzi-ja alle steden en gewesten van Israël laten waarschuwen.
5Misit itaque Ozias nuntios per omnes civitates et regiones Israël.
6En nu zond ieder gewest en elke stad de best gewapende jongemannen achter hen aan, die met het zwaard hen achtervolgden tot aan de grenzen van hun gebied.
6Omnis itaque regio, omnisque urbs electam juventutem armatam misit post eos, et persecuti sunt eos in ore gladii, quousque pervenirent ad extremitatem finium suorum.
7De burgers van Betoel, die waren achtergebleven, drongen nu de legerplaats der Assyriërs binnen. Zij legden beslag op al wat de Assyriërs hadden achtergelaten, en veroverden een grote buit.
7Reliqui autem qui erant in Bethulia, ingressi sunt castra Assyriorum, et prædam quam fugientes Assyrii reliquerant, abstulerunt, et onustati sunt valde.
8De anderen, die als overwinnaars in Betoel terugkwamen, brachten de rest van hun bezittingen mee: een niet te tellen hoeveelheid vee en lastdieren en heel hun have. zodat iedereen, groot en klein, een rijk aandeel kreeg in die buit.
8Hi vero qui victores reversi sunt ad Bethuliam, omnia quæ erant illorum attulerunt secum, ita ut non esset numerus in pecoribus et jumentis et universis mobilibus eorum, ut a minimo usque ad maximum omnes divites fierent de prædationibus eorum.
9Toen kwam de hogepriester Jojakim met al de oudsten van Jerusalem naar Betoel, om Judit te zien.
9Joacim autem summus pontifex de Jerusalem venit in Bethuliam cum universis presbyteris suis ut videret Judith.
10En toen zij voor hen verscheen, begonnen allen haar eenparig te prijzen en zeiden: Gij zijt de roem van Jerusalem, de vreugde van Israël, de trots van ons volk!
10Quæ cum exisset ad illum, benedixerunt eam omnes una voce, dicentes: Tu gloria Jerusalem; tu lætitia Israël; tu honorificentia populi nostri:
11Want moedig zijt ge opgetreden en onwrikbaar was uw hart, omdat gij de kuisheid hebt liefgehad, en na de dood van uw man geen anderen hebt gewild. Daarom heeft de hand van den Heer u gesterkt, en zult ge geprezen zijn voor eeuwig!
11quia fecisti viriliter, et confortatum est cor tuum, eo quod castitatem amaveris, et post virum tuum, alterum nescieris: ideo et manus Domini confortavit te, et ideo eris benedicta in æternum.
12En heel het volk riep: Amen, Amen!
12Et dixit omnis populus: Fiat, fiat.
13In dertig dagen kon het volk van Israël ternauwernood de buit der Assyriërs bijeen brengen.
13Per dies autem triginta, vix collecta sunt spolia Assyriorum a populo Israël.
14En alles wat het eigendom van Holoférnes bleek te zijn, gaf men aan Judit; alles wat er aanwezig was aan goud, zilver, kledingstukken, edelstenen en allerlei huisraad, dat alles werd haar door het volk geschonken.
14Porro autem universa quæ Holofernis peculiaria fuisse probata sunt, dederunt Judith in auro, et argento, et vestibus, et gemmis, et omni supellectili: et tradita sunt omnia illi a populo.
15En heel het volk, tezamen met de vrouwen, meisjes en jongemannen, gaf zich aan de feestvreugde over onder harp- en citerspel.
15Et omnes populi gaudebant cum mulieribus, et virginibus, et juvenibus, in organis et citharis.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.