Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Toen het laat was geworden en zijn dienaars haastig naar hun tenten waren gegaan, sloot Vágao het vertrek af en ging heen;
1Ut autem sero factum est, festinaverunt servi illius ad hospitia sua, et conclusit Vagao ostia cubiculi, et abiit.
2want allen waren loom van de wijn.
2Erant autem omnes fatigati a vino,
3Zo bleef Judit alleen in de tent
3eratque Judith sola in cubiculo.
4met Holoférnes, die bedwelmd op zijn bed lag, omdat hij te veel had gedronken.
4Porro Holofernes jacebat in lecto, nimia ebrietate sopitus.
5Tevoren had Judit haar dienstmaagd bevolen, buiten voor de kamer gereed te staan en daar te wachten.
5Dixitque Judith puellæ suæ ut staret foris ante cubiculum, et observaret.
6Nu trad Judit voor het bed en met tranen in de ogen bad zij in stilte, terwijl alleen haar lippen bewogen:
6Stetitque Judith ante lectum, orans cum lacrimis, et labiorum motu in silentio,
7Heer, God van Israël, maak mij sterk, en zie op dit ogenblik neer op het werk van mijn handen, om Jerusalem te verheerlijken, zoals Gij beloofd hebt. Laat mij voleinden, wat ik in vertrouwen op U meende te kunnen volbrengen!
7dicens: Confirma me, Domine Deus Israël, et respice in hac hora ad opera manuum mearum, ut, sicut promisisti, Jerusalem civitatem tuam erigas: et hoc quod credens per te posse fieri cogitavi, perficiam.
8Hierop sloop zij naar de zuil aan het hoofdeinde van zijn bed, en maakte zijn zwaard los, dat daaraan was opgehangen.
8Et cum hæc dixisset, accessit ad columnam quæ erat ad caput lectuli ejus, et pugionem ejus, qui in ea ligatus pendebat, exsolvit.
9Zij trok het uit de schede, greep hem bij de haren en riep: Heer, God, geef mij nu kracht!
9Cumque evaginasset illum, apprehendit comam capitis ejus, et ait: Confirma me, Domine Deus, in hac hora.
10En met twee krachtige slagen in zijn nek sloeg zij hem het hoofd af. Ze duwde de romp van het bed en trok het muskietengaas van de zuilen.
10Et percussit bis in cervicem ejus, et abscidit caput ejus, et abstulit conopeum ejus a columnis, et evolvit corpus ejus truncum.
11Onmiddellijk daarop ging ze naar buiten, gaf het hoofd van Holoférnes aan haar dienstmaagd, en beduidde haar, het in haar etenszak te bergen.
11Et post pusillum exivit, et tradidit caput Holofernis ancillæ suæ, et jussit ut mitteret illud in peram suam.
12Evenals de andere keren, gingen ze nu samen naar buiten, alsof ze wilden gaan bidden; ze liepen de legerplaats door, staken het dal over en kwamen zo voor de stadspoort.
12Et exierunt duæ, secundum consuetudinem suam, quasi ad orationem, et transierunt castra, et gyrantes vallem, venerunt ad portam civitatis.
13Reeds uit de verte riep Judit de wachters op de muren toe: Maakt de poorten open, want God is met ons; Hij heeft zijn kracht in Israël getoond!
13Et dixit Judith a longe custodibus murorum: Aperite portas, quoniam nobiscum est Deus, qui fecit virtutem in Israël.
14Zodra de mannen haar stem maar hoorden, riepen zij de oudsten der stad,
14Et factum est cum audissent viri vocem ejus, vocaverunt presbyteros civitatis.
15en alles kwam toegelopen, groot en klein, omdat zij niet meer hadden verwacht, dat zij zou terugkomen.
15Et concurrerunt ad eam omnes, a minimo usque ad maximum: quoniam sperabant eam jam non esse venturam.
16Zij staken de lichten aan en stelden zich allen om haar heen. Nu ging Judit op een verhevenheid staan, en nadat zij stilte geboden had, en allen zwegen,
16Et accendentes luminaria, congyraverunt circa eam universi: illa autem ascendens in eminentiorem locum, jussit fieri silentium. Cumque omnes tacuissent,
17sprak ze: Looft den Heer, onzen God; want Hij heeft hen niet verlaten, die op Hem hopen!
17dixit Judith: Laudate Dominum Deum nostrum, qui non deseruit sperantes in se,
18Door mij, zijn dienares, heeft Hij de ontferming in vervulling doen gaan, die Hij aan Israëls huis had beloofd; door mijn hand heeft Hij deze nacht den vijand van zijn volk gedood.
18et in me ancilla sua adimplevit misericordiam suam, quam promisit domui Israël: et interfecit in manu mea hostem populi sui hac nocte.
19Nu haalde zij het hoofd van Holoférnes uit de zak te voorschijn, liet het hun zien en sprak: Hier is het hoofd van Holoférnes, den aanvoerder van het assyrische leger, en hier is het muskietengaas, waaronder hij zijn roes lag te slapen, toen de Heer hem neersloeg door de hand van een vrouw.
19Et proferens de pera caput Holofernis, ostendit illis, dicens: Ecce caput Holofernis principis militiæ Assyriorum, et ecce conopeum illius, in quo recumbebat in ebrietate sua, ubi per manum feminæ percussit illum Dominus Deus noster.
20Zo waar de Heer leeft; zijn engel heeft mij beschermd, toen ik hier wegging, terwijl ik daar woonde, en nu ik hier terug ben. De Heer heeft niet toegelaten, dat zijn dienares werd onteerd. Vrij van iedere smet van zonde heeft Hij mij bij u teruggebracht, om mij te verheugen over zijn zege, over mijn redding en over úw bevrijding.
20Vivit autem ipse Dominus, quoniam custodivit me angelus ejus et hinc euntem, et ibi commorantem, et inde huc revertentem, et non permisit me Dominus ancillam suam coinquinari, sed sine pollutione peccati revocavit me vobis gaudentem in victoria sua, in evasione mea, et in liberatione vestra.
21Looft Hem allen; want Hij is goed, en eeuwig duurt zijn barmhartigheid!
21Confitemini illi omnes, quoniam bonus, quoniam in sæculum misericordia ejus.
22Allen aanbaden den Heer en zeiden tot haar: De Heer heeft u gezegend met zijn kracht; want door u heeft Hij al onze vijanden vernietigd.
22Universi autem adorantes Dominum, dixerunt ad eam: Benedixit te Dominus in virtute sua, quia per te ad nihilum redegit inimicos nostros.
23En Oezzi-ja, de vorst van het volk Israël, sprak haar toe: Meer dan alle vrouwen op aarde zijt gij, dochter, gezegend door den Heer, den allerhoogsten God!
23Porro Ozias princeps populi Israël dixit ad eam: Benedicta es tu, filia, a Domino Deo excelso præ omnibus mulieribus super terram.
24Geprezen zij de Heer, de Schepper van hemel en aarde, die u bijstond, om den aanvoerder van onze vijanden het hoofd af te slaan.
24Benedictus Dominus, qui creavit cælum et terram, qui te direxit in vulnera capitis principis inimicorum nostrorum:
25Ja, vandaag heeft Hij uw naam zó verheerlijkt, dat de mensen u steeds zullen prijzen, zolang zij de kracht van God voor eeuwig gedenken. Omdat uw volk in druk en nood verkeerde, hebt gij uw leven veil gehad en onze ondergang voorkomen voor het oog van onzen God.
25quia hodie nomen tuum ita magnificavit, ut non recedat laus tua de ore hominum qui memores fuerint virtutis Domini in æternum, pro quibus non pepercisti animæ tuæ propter angustias et tribulationem generis tui, sed subvenisti ruinæ ante conspectum Dei nostri.
26En heel het volk antwoordde: Amen, Amen!
26Et dixit omnis populus: Fiat, fiat.
27Daarop werd Achior geroepen. Toen hij gekomen was, sprak Judit tot hem: De God van Israël, van wien gij getuigd hebt, dat Hij wraak op zijn vijanden neemt, Hij zelf heeft in deze nacht door mijn hand het hoofd van alle ongelovigen geveld.
27Porro Achior vocatus venit, et dixit ei Judith: Deus Israël, cui tu testimonium dedisti quod ulciscatur se de inimicis suis, ipse caput omnium incredulorum incidit hac nocte in manu mea.
28Overtuig u ervan; hier is het hoofd van Holoférnes, die in zijn trotse overmoed den God van Israël verachtte, en u met de ondergang bedreigde, toen hij sprak: “Als het volk van Israël in mijn macht is, laat ik uw zijde met een zwaard doorboren.”
28Et ut probes quia ita est, ecce caput Holofernis, qui in contemptu superbiæ suæ Deum Israël contempsit, et tibi interitum minabatur, dicens: Cum captus fuerit populus Israël, gladio perforari præcipiam latera tua.
29Zodra Achior het hoofd van Holoférnes ontwaarde, werd hij door schrik overmand en viel bewusteloos neer op de grond.
29Videns autem Achior caput Holofernis, angustiatus præ pavore cecidit in faciem suam super terram, et æstuavit anima ejus.
30Toen hij weer was bijgekomen en zich hersteld had, wierp hij zich voor Judit neer, om haar te huldigen. En hij sprak:
30Postea vero quam resumpto spiritu recreatus est, procidit ad pedes ejus, et adoravit eam, et dixit:
31Gezegend zijt gij door uw God in alle tenten van Jakob! Want bij alle volken, die uw naam zullen horen, zal de God van Israël om u worden verheerlijkt!
31Benedicta tu a Deo tuo in omni tabernaculo Jacob, quoniam in omni gente quæ audierit nomen tuum, magnificabitur super te Deus Israël.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.