Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Holoférnes zeide tot haar: Wees gerust en vrees niet; nog nooit heb ik iemand kwaad gedaan, die bereid was koning Nabukodonosor te dienen;
1Tunc Holofernes dixit ei: Æquo animo esto, et noli pavere in corde tuo: quoniam ego numquam nocui viro qui voluit servire Nabuchodonosor regi:
2en wanneer uw volk mij niet met minachting had bejegend, zou ik mijn lans niet tegen hen hebben opgeheven.
2populus autem tuus, si non contempsisset me, non levassem lanceam meam super eum.
3Maar vertel mij nu eens: waarom zijt ge van hen weggegaan en hebt ge het besluit genomen, naar ons over te lopen?
3Nunc autem dic mihi, qua ex causa recessisti ab illis, et placuit tibi ut venires ad nos?
4Judit antwoordde hem: Luister welwillend naar de woorden van uw dienstmaagd; want zo ge de raad van uw dienstmaagd volgt, zal de Heer iets groots met u doen.
4Et dixit illi Judith: Sume verba ancillæ tuæ, quoniam si secutus fueris verba ancillæ tuæ, perfectam rem faciet Dominus tecum.
5Bij het leven van Nabukodonosor, den koning der wereld, en bij zijn kracht, die u is toevertrouwd, om alle afgedwaalden te tuchtigen: aan u is het te danken, dat niet alleen de mensen hem dienen, maar dat ook de dieren op het veld hem gehoorzamen.
5Vivit enim Nabuchodonosor rex terræ, et vivit virtus ejus, quæ est in te ad correptionem omnium animarum errantium: quoniam non solum homines serviunt illi per te, sed et bestiæ agri obtemperant illi.
6Want uw scherpzinnigheid is aan alle volkeren bekend; en de gehele wereld weet, dat gij de enige bekwame en krachtige man zijt in geheel zijn rijk, en in alle landstreken wordt uw krijgskunst geroemd.
6Nuntiatur enim animi tui industria universis gentibus, et indicatum est omni sæculo quoniam tu solus bonus et potens es in omni regno ejus: et disciplina tua omnibus provinciis prædicatur.
7Ook zijn de woorden van Achior ons niet onbekend gebleven, en weten wij, wat er op uw bevel met hem is gebeurd.
7Nec hoc latet, quod locutus est Achior, nec illud ignoratur, quod ei jusseris evenire.
8Welnu, het staat vast: onze God is door de zonde zozeer beledigd, dat Hij door zijn profeten aan het volk bekend heeft gemaakt, dat Hij het overlevert om zijn zonden.
8Constat enim Deum nostrum sic peccatis offensum, ut mandaverit per prophetas suos ad populum quod tradat eum pro peccatis suis.
9En omdat de Israëlieten weten, dat zij hun Heer hebben vergramd, heeft een grote angst voor u zich van hen meester gemaakt.
9Et quoniam sciunt se offendisse Deum suum filii Israël, tremor tuus super ipsos est.
10Bovendien is er hongersnood bij hen uitgebroken, en zijn ze door gebrek aan water ten dode gedoemd.
10Insuper etiam fames invasit eos, et ab ariditate aquæ jam inter mortuos computantur.
11Ze zijn al tot het besluit gekomen, hun vee te doden en het bloed daarvan te drinken.
11Denique hoc ordinant, ut interficient pecora sua, et bibant sanguinem eorum:
12Ook zijn ze van plan, de voorraad koren, wijn en olie, die aan den Heer hun God is gewijd, als voedsel te gebruiken, ofschoon God hun heeft verboden, hun hand daarnaar uit te steken; zij willen zich voeden met wat zelfs niet met de handen mag worden aangeraakt. En omdat zij dit hebben gedaan, zullen zij zonder enige twijfel aan de ondergang worden prijsgegeven.
12et sancta Domini Dei sui, quæ præcepit Deus non contingi, in frumento, vino, et oleo, hæc cogitaverunt impendere, et volunt consumere quæ nec manibus deberent contingere: ergo quoniam hæc faciunt, certum est quod in perditionem dabuntur.
13Toen ik, uw dienstmaagd, dit begreep, ben ik van hen weggevlucht, en heeft de Heer mij naar u gezonden, om u dit mee te delen.
13Quod ego ancilla tua cognoscens, fugi ab illis, et misit me Dominus hæc ipsa nuntiare tibi.
14Maar omdat uw dienstmaagd den Heer moet dienen, ook zolang ik bij u ben, daarom zal uw dienares s'nachts naar buiten moeten gaan, om tot God te bidden.
14Ego enim ancilla tua Deum colo, etiam nunc apud te: et exiet ancilla tua, et orabo Deum,
15Dan zal Hij mij te kennen geven, wanneer Hij hen straft voor hun zonden, en zal ik bij u komen, om u ervan op de hoogte te brengen. Daarna zal ik u midden door Jerusalem leiden; heel het volk van Israël zal in uw macht zijn, als schapen zonder herder, en zelfs geen hond zal tegen u blaffen.
15et dicet mihi quando eis reddat peccatum suum, et veniens nuntiabo tibi, ita ut ego adducam te per mediam Jerusalem, et habebis omnem populum Israël, sicut oves quibus non est pastor, et non latrabit vel unus canis contra te:
16Dit alles werd mij door God voorspeld;
16quoniam hæc mihi dicta sunt per providentiam Dei,
17en omdat God vertoornd op hen is, ben ik gezonden, om het u te berichten.
17et quoniam iratus est illis Deus, hæc ipsa missa sum nuntiare tibi.
18Al wat zij gezegd had vond bij Holoférnes en zijn dienaars een gunstig gehoor. Zij stonden verbaasd over haar wijsheid, en zeiden tot elkander:
18Placuerunt autem omnia verba hæc coram Holoferne, et coram pueris ejus, et mirabantur sapientiam ejus, et dicebant alter ad alterum:
19Op de hele wereld is er geen vrouw met zo'n schoon gelaat, die zo verstandig kan spreken.
19Non est talis mulier super terram in aspectu, in pulchritudine, et in sensu verborum.
20En Holoférnes sprak tot haar: God heeft goed gedaan, u vooruit te zenden, om het volk aan ons over te leveren.
20Et dixit ad illam Holofernes: Benefecit Deus, qui misit te ante populum, ut des illum tu in manibus nostris:
21Gij hebt iets goeds beloofd. Welnu, als God dit voor mij in vervulling doet gaan, zal uw God ook mijn God zijn; dan zult gij in het paleis van Nabukodonosor hoog in aanzien staan, en zal uw naam bekend worden over de gehele aarde.
21et quoniam bona est promissio tua, si fecerit mihi hoc Deus tuus, erit et Deus meus, et tu in domo Nabuchodonosor magna eris, et nomen tuum nominabitur in universa terra.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.