Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Deze uitspraak werd ook gehoord door een weduwe, die Judit heette. Zij was de dochter van Merari, den zoon van Oezzi zoon van Josef, zoon van Oezzi-ja, zoon van Elai, zoon van Jamnor, zoon van Gedeon, zoon van Rafaïm, zoon van Achitoeb, zoon van Melki-ja, zoon van Enan, zoon van Natanja, zoon van Sjelatiël, zoon van Sjimon, zoon van Ruben.
1Et factum est cum audisset hæc verba Judith vidua, quæ erat filia Merari filii Idox filii Joseph filii Oziæ filii Elai filii Jamnor filii Gedeon filii Raphaim filii Achitob filii Melchiæ filii Enan filii Nathaniæ filii Salathiel filii Simeon filii Ruben,
2Haar man heette Manasse, en was tijdens de gersteoogst gestorven.
2et vir ejus fuit Manasses, qui mortuus est in diebus messis hordeaceæ:
3Want toen hij eens op het veld toezicht hield op de schovenbinders, kreeg hij een zonnesteek; hij stierf in zijn woonplaats Betoel en werd daar bij zijn vaderen begraven.
3instabat enim super alligantes manipulos in campo, et venit æstus super caput ejus, et mortuus est in Bethulia civitate sua, et sepultus est illic cum patribus suis.
4De achtergebleven Judit was op dit ogenblik reeds drie jaar en zes maanden weduwe.
4Erat autem Judith relicta ejus vidua jam annis tribus et mensibus sex.
5Zij had op haar huis een afgezonderd vertrek laten maken, waar zij met haar dienstmaagden in eenzaamheid leefde.
5Et in superioribus domus suæ fecit sibi secretum cubiculum, in quo cum puellis suis clausa morabatur,
6Om haar lenden droeg zij een boetekleed; zij vastte iedere dag van haar leven, uitgezonderd op sabbat, nieuwe maan en de feesten van het huis van Israël.
6et habens super lumbos suos cilicium, jejunabat omnibus diebus vitæ suæ, præter sabbata et neomenias et festa domus Israël.
7Zij was een buitengewoon schone vrouw. Ook had haar man haar grote rijkdommen nagelaten, veel personeel en bezittingen, met grote kudden runderen en schapen.
7Erat autem eleganti aspectu nimis, cui vir suus reliquerat divitias multas, et familiam copiosam, ac possessiones armentis boum, et gregibus ovium plenas.
8Bij allen stond zij in hoog aanzien, omdat zij godvrezend was; en er was niemand, die zich afkeurend over haar uitliet.
8Et erat hæc in omnibus famosissima, quoniam timebat Dominum valde, nec erat qui loqueretur de illa verbum malum.
9Toen zij dan hoorde, dat Oezzi-ja beloofd had, de stad na vijf dagen te zullen overgeven, liet zij de oudsten Kabri en Karmi bij zich ontbieden.
9Hæc itaque cum audisset quoniam Ozias promisisset quod transacto quinto die traderet civitatem, misit ad presbyteros Chabri et Charmi.
10En toen dezen bij haar gekomen waren, sprak zij tot hen: Hoe is het mogelijk, dat Oezzi-ja de eis heeft ingewilligd, om de stad aan de Assyriërs over te geven, als er binnen vijf dagen geen hulp voor u komt?
10Et venerunt ad illam, et dixit illis: Quod est hoc verbum, in quo consensit Ozias, ut tradat civitatem Assyriis si intra quinque dies non venerit vobis adjutorium?
11Hoe hebt gij het gewaagd, den Heer op de proef te stellen?
11et qui estis vos, qui tentatis Dominum?
12Dat is geen taal, om barmhartigheid af te smeken, maar om toorn en gramschap te doen ontbranden.
12non est iste sermo qui misericordiam provocet, sed potius qui iram excitet, et furorem accendat.
13Gij hebt den Heer willen voorschrijven, wanneer Hij zijn barmhartigheid moet tonen, en hebt naar eigen willekeur Hem een dag daarvoor bepaald.
13Posuistis vos tempus miserationis Domini, et in arbitrium vestrum, diem constituistis ei.
14Maar de Heer is lankmoedig; laat ons hierover berouw verwekken, en Hem onder tranen om vergiffenis smeken.
14Sed quia patiens Dominus est, in hoc ipso pœniteamus, et indulgentiam ejus fusis lacrimis postulemus:
15Want God dreigt niet, gelijk een mens, en wordt niet toornig als een mensenkind.
15non enim quasi homo sic Deus comminabitur, neque sicut filius hominis ad iracundiam inflammabitur.
16Wij moeten ons dus voor Hem vernederen, Hem dienen vol ootmoed,
16Et ideo humiliemus illi animas nostras, et in spiritu constituti humiliato, servientes illi
17en Hem onder tranen smeken, ons zijn barmhartigheid te tonen, maar enkel zoals Hij dat wil. Dan zullen wij ons later over onze vernedering verheugen, zoals wij nu door hun overmoed in verwarring geraken.
17dicamus flentes Domino, ut secundum voluntatem suam sic faciat nobiscum misericordiam suam: ut sicut conturbatum est cor nostrum in superbia eorum, ita etiam de nostra humilitate gloriemur:
18Want wij hebben niet gezondigd, zoals onze vaderen. Zij hebben hun God verlaten en vreemde goden aanbeden;
18quoniam non sumus secuti peccata patrum nostrorum, qui dereliquerunt Deum suum, et adoraverunt deos alienos,
19en om die misdaad werden zij aan het zwaard en de plundering prijsgegeven en door hun vijanden bespot. Maar wij kennen geen anderen God, dan Hem alleen.
19pro quo scelere dati sunt in gladium, et in rapinam, et in confusionem inimicis suis: nos autem alterum deum nescimus præter ipsum.
20Laat ons dus deemoedig op zijn vertroosting wachten. Ons bloed zal Hij wreken op onze vijanden, die ons verdrukken, en alle volkeren, die tegen ons opstaan, zal Hij vernederen en onteren, Hij de Heer, onze God.
20Expectemus humiles consolationem ejus, et exquiret sanguinem nostrum de afflictionibus inimicorum nostrorum, et humiliabit omnes gentes, quæcumque insurgunt contra nos, et faciet illas sine honore Dominus Deus noster.
21Welnu dan, broeders, gij zijt de oudsten van Gods volk; van u hangt dus hun leven af. Spreekt hun weer moed in. Laat hen bedenken, dat ook onze vaderen werden beproefd, opdat zou blijken, of zij hun God waarachtig dienden.
21Et nunc fratres, quoniam vos estis presbyteri in populo Dei, et ex vobis pendet anima illorum, ad eloquium vestrum corda eorum erigite, ut memores sint quia tentati sunt patres nostri, ut probarentur si vere colerent Deum suum.
22Zij moeten bedenken, hoe Abraham, onze vader, op de proef werd gesteld en door veel wederwaardigheden werd gelouterd, en zo Gods vriend is geworden.
22Memores esse debent quomodo pater noster Abraham tentatus est, et per multas tribulationes probatus, Dei amicus effectus est.
23Zo is het ook met Isaäk, Jakob, Moses gegaan en met allen, die God welgevallig waren; zij hebben grote beproevingen doorstaan, en bleven trouw.
23Sic Isaac, sic Jacob, sic Moyses, et omnes qui placuerunt Deo, per multas tribulationes transierunt fideles.
24Maar zij, die de beproevingen niet wilden aanvaarden in de vreze des Heren, doch ongeduldig werden en oneerbiedig tegen den Heer,
24Illi autem qui tentationes non susceperunt cum timore Domini, et impatientiam suam et improperium murmurationis suæ contra Dominum protulerunt,
25zij werden uitgeroeid door den verdelger en door de slangen gedood.
25exterminati sunt ab exterminatore, et a serpentibus perierunt.
26Wij moeten ons dus niet tegen het lijden verzetten,
26Et nos ergo non ulciscamur nos pro his quæ patimur,
27maar bedenken, dat deze straffen minder zijn dan onze zonden verdienen, en dat God ons met deze slagen tuchtigt als zijn dienaars, niet dus om ons te vernielen, zoals wij menen, maar om ons te verbeteren.
27sed reputantes peccatis nostris hæc ipsa supplicia minora esse flagella Domini, quibus quasi servi corripimur ad emendationem, et non ad perditionem nostram evenisse credamus.
28Oezzi-ja en de oudsten gaven haar ten antwoord: Al wat ge zegt, is waar, en er is niets tegen in te brengen.
28Et dixerunt illi Ozias et presbyteri: Omnia quæ locuta es, vera sunt, et non est in sermonibus tuis ulla reprehensio.
29Bid gij dus voor ons; want gij zijt een vrome en godvruchtige vrouw.
29Nunc ergo ora pro nobis, quoniam mulier sancta es, et timens Deum.
30Nu sprak Judit: Wanneer gij toegeeft, dat mijn woorden van God komen,
30Et dixit illis Judith: Sicut quod potui loqui, Dei esse cognoscitis,
31houdt u er dan van overtuigd, dat ook mijn plannen van God zijn, en bidt slechts tot God, dat Hij mijn plan ondersteunt.
31ita quod facere disposui, probate si ex Deo est, et orate ut firmum faciat Deus consilium meum.
32Stelt u vannacht bij de stadspoort op, zodat ik met mijn dienstmaagd ongehinderd vertrekken kan. En smeekt dan den Heer, dat Hij binnen de vijf dagen, die gij bepaald hebt, genadig neerziet op Israël, zijn volk.
32Stabitis vos ad portam nocte ista, et ego exeam cum abra mea: et orate, ut sicut dixistis, in diebus quinque respiciat Dominus populum suum Israël.
33Maar ik wil niet, dat gij achter mijn plannen tracht te komen; zolang gij niets van mij hoort, hebt gij niets anders te doen, dan tot den Heer onzen God voor mij te bidden.
33Vos autem nolo ut scrutemini actum meum, et usque dum renuntiem vobis, nihil aliud fiat, nisi oratio pro me ad Dominum Deum nostrum.
34Oezzi-ja, de vorst van Juda, sprak tot haar: Ga in vrede! De Heer moge u bijstaan, om wraak te nemen op onze vijanden. Daarna gingen ze heen.
34Et dixit ad eam Ozias princeps Juda: Vade in pace, et Dominus sit tecum in ultionem inimicorum nostrorum. Et revertentes abierunt.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.