Judit 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Toen zong Judit dit lied voor den Heer:
1Tunc cantavit canticum hoc Domino Judith, dicens:
2Heft aan voor den Heer met paukenslag, Zingt voor den Heer met cimbelspel; Laat nieuwe zangen voor Hem klinken, Verheft en zegent zijn Naam!
2[Incipite Domino in tympanis; cantate Domino in cymbalis; modulamini illi psalmum novum: exaltate, et invocate nomen ejus.
3De oorlog wordt door Hem beslist: De Heer is zijn naam;
3Dominus conterens bella, Dominus nomen est illi.
4Hij sloeg bij zijn volk zijn legerplaats op, Om ons te verlossen van al onze vijanden.
4Qui posuit castra sua in medio populi sui, ut eriperet nos de manu omnium inimicorum nostrorum.
5Uit de bergen van het noorden kwam Assjoer aan Met zijn ontelbare legerscharen; Hun drommen hielden de beken tegen, Hun paarden vulden de dalen.
5Venit Assur ex montibus ab aquilone in multitudine fortitudinis suæ: cujus multitudo obturavit torrentes, et equi eorum cooperuerunt valles.
6Hij dreigde, mijn gebied te verbranden, Mijn jongemannen met het zwaard te vermoorden, Mijn kinderen uit te leveren als buit, Mijn maagden voor gevangenschap.
6Dixit se incensurum fines meos, et juvenes meos occisurum gladio; infantes meos dare in prædam, et virgines in captivitatem.
7Maar de almachtige Heer heeft hem neergeveld. Hem overgeleverd in de hand van een vrouw. Zij heeft hun veldheer doorboord;
7Dominus autem omnipotens nocuit eum, et tradidit eum in manus feminæ, et confodit eum.
8Niet door jongemannen is hij gevallen! Hij werd niet verslagen door Titanen-zonen, Niet overrompeld door geweldige reuzen; Maar Judit, de dochter van Merari, Zij maakte hem weerloos door haar schoon gelaat.
8Non enim cecidit potens eorum a juvenibus, nec filii Titan percusserunt eum, nec excelsi gigantes opposuerunt se illi: sed Judith filia Merari in specie faciei suæ dissolvit eum.
9Haar weduwkleren legde zij af, Om Israëls zonen weer op te heffen;
9Exuit enim se vestimento viduitatis, et induit se vestimento lætitiæ in exultatione filiorum Israël.
10Met reukwerk zalfde zij haar gelaat, Met een hoofdband bond zij haar lokken op. Een nieuw kleed deed zij aan, om hem te verlokken.
10Unxit faciem suam unguento, et colligavit cincinnos suos mitra; accepit stolam novem ad decipiendum illum.
11Door haar sandalen werd zijn oog betoverd, In haar schoonheid lag zijn hart gevangen: Maar met het zwaard doorkliefde zij zijn nek.
11Sandalia ejus rapuerunt oculos ejus; pulchritudo ejus captivam fecit animam ejus: amputavit pugione cervicem ejus.
12De Perzen huiverden voor haar durf, De Meden sidderden voor haar moed;
12Horruerunt Persæ constantiam ejus, et Medi audaciam ejus.
13Het kamp der Assyriërs begon te schreeuwen, Bij de komst van mijn kinderen, zwak en versmachtend van dorst.
13Tunc ululaverunt castra Assyriorum, quando apparuerunt humiles mei, arescentes in siti.
14Zonen van jonge vrouwen doorboorden hen, En sloegen hen neer als weggelopen slaven; Zij kwamen om in de strijd, Voor het aanschijn van den Heer, mijn God!
14Filii puellarum compunxerunt eos, et sicut pueros fugientes occiderunt eos: perierunt in prælio a facie Domini Dei mei.
15Nu laat ons voor den Heer een loflied zingen, Een nieuwe lofzang voor onzen God!
15Hymnum cantemus Domino; hymnum novum cantemus Deo nostro.
16Jahweh, Heer, Gij zijt geweldig, Uw kracht is wonderlijk, niet te weerstaan!
16Adonai Domine, magnus es tu, et præclarus in virtute tua: et quem superare nemo potest.
17Geheel uw schepping moet u dienen. Gij spraakt een woord: zij waren er, Gij zondt uw geest: en zij werden geschapen, Want aan uw stem kan niemand weerstaan.
17Tibi serviat omnis creatura tua, quia dixisti, et facta sunt; misisti spiritum tuum, et creata sunt: et non est qui resistat voci tuæ.
18Als water drijven de bergen weg van hun fundamenten. En rotsen smelten voor uw aanschijn als was.
18Montes a fundamentis movebuntur cum aquis; petræ, sicut cera, liquescent ante faciem tuam.
19Wie den Heer blijft vrezen, is altijd groot;
19Qui autem timent te, magni erunt apud te per omnia.
20Maar wee de naties, die zich tegen mijn volk verheffen! Waarachtig, de almachtige Heer zal hen bestraffen En hen bezoeken op de oordeelsdag.
20Væ genti insurgenti super genus meum: Dominus enim omnipotens vindicabit in eis; in die judicii visitabit illos.
21Hun vlees geeft Hij prijs aan vuur en wormen, Zodat zij branden, voor eeuwig het voelen!
21Dabit enim ignem et vermes in carnes eorum, ut urantur et sentiant usque in sempiternum.]
22De verdere geschiedenis van Judit. Na dit overwinningsfeest trok heel het volk naar Jerusalem, om den Heer te aanbidden; en zodra allen gereinigd waren, droegen zij hun brandoffers op, hun vrijwillige gaven en geschenken.
22Et factum est post hæc, omnis populus post victoriam venit in Jerusalem adorare Dominum: et mox ut purificati sunt, obtulerunt omnes holocausta, et vota, et repromissiones suas.
23Judit schonk als een wijgeschenk de gehele wapenrusting van Holoférnes, die het volk haar had gegeven, met het muskietengaas, dat zij zelf uit zijn slaapvertrek had meegenomen.
23Porro Judith universa vasa bellica Holofernis, quæ dedit illi populus, et conopeum quod ipsa sustulerat de cubili ipsius, obtulit in anathema oblivionis.
24Vrolijk gestemd bleef het volk bij het heiligdom, en vierde met Judit drie maanden lang het blijde feest van deze overwinning.
24Erat autem populus jucundus secundum faciem sanctorum: et per tres menses gaudium hujus victoriæ celebratum est cum Judith.
25Daarna ging ieder terug naar zijn huis. Judit bleef te Betoel in het hoogste aanzien, en was beroemd in heel Israël,
25Post dies autem illos, unusquisque rediit in domum suam: et Judith magna facta est in Bethulia, et præclarior erat universæ terræ Israël.
26omdat zij niet alleen moedig was, maar ook kuis. Want nadat Manasse haar man was gestorven, had zij heel haar verder leven geen omgang meer met een man.
26Erat enim virtuti castitas adjuncta, ita ut non cognosceret virum omnibus diebus vitæ suæ, ex quo defunctus est Manasses vir ejus.
27Op de feestdagen verscheen zij in al haar pracht;
27Erat autem, diebus festis, procedens cum magna gloria.
28overigens bleef zij in het huis van haar man. Zij werd honderd en vijf jaar oud. Aan haar dienstmaagd schonk zij de vrijheid. Zij stierf in Betoel en werd bij haar man begraven;
28Mansit autem in domo viri sui annos centum quinque, et dimisit abram suam liberam: et defuncta est ac sepulta cum viro suo in Bethulia.
29heel het volk rouwde zeven dagen om haar.
29Luxitque illam omnis populus diebus septem.
30Zolang zij leefde, en ook lange tijd na haar dood, was er niemand, die Israël verontrustte.
30In omni autem spatio vitæ ejus non fuit qui perturbaret Israël, et post mortem ejus annis multis.
31De feestdag van deze overwinning werd door de Hebreën in de reeks van heilige dagen opgenomen, en werd van toen af tot op de dag van heden door de Joden gevierd.
31Dies autem victoriæ hujus festivitatis ab Hebræis in numero sanctorum dierum accipitur, et colitur a Judæis ex illo tempore usque in præsentem diem.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.