Judit 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Toen zong Judit dit lied voor den Heer:
1ΚΑΙ εἶπεν Ἰουδίθ· Ἐξάρχετε τῷ Θεῷ μου ἐν τυμπάνοις, ᾄσατε τῷ Κυρίῳ μου ἐν κυμβάλοις, ἐναρμόσασθε αὐτῷ ψαλμὸν καινόν, ὑψοῦτε καὶ ἐπικαλέσασθε τὸ ὄνομα αὐτοῦ,
2Heft aan voor den Heer met paukenslag, Zingt voor den Heer met cimbelspel; Laat nieuwe zangen voor Hem klinken, Verheft en zegent zijn Naam!
2ὅτι Θεὸς συντρίβων πολέμους Κύριος, ὅτι εἰς παρεμβολὰς αὐτοῦ μέσῳ λαοῦ ἐξείλατό με ἐκ χειρὸς τῶν καταδιωκόντων με.
3De oorlog wordt door Hem beslist: De Heer is zijn naam;
3ἦλθεν Ἀσσοὺρ ἐξ ὀρέων ἀπὸ βορρᾶ, ἦλθεν ἐν μυριάσι δυνάμεως αὐτοῦ, ὧν τὸ πλῆθος αὐτῶν ἐνέφραξε χειμάρρους, καὶ ἡ ἵππος αὐτῶν ἐκάλυψε βουνούς.
4Hij sloeg bij zijn volk zijn legerplaats op, Om ons te verlossen van al onze vijanden.
4εἶπεν ἐμπρήσειν τὰ ὅριά μου καὶ τοὺς νεανίσκους μου ἀνελεῖν ἐν ρομφαίᾳ καὶ τὰ θηλάζοντά μου θήσειν εἰς ἔδαφος καὶ τὰ νήπιά μου δώσειν εἰς προνομὴν καὶ τὰς παρθένους μου σκυλεῦσαι.
5Uit de bergen van het noorden kwam Assjoer aan Met zijn ontelbare legerscharen; Hun drommen hielden de beken tegen, Hun paarden vulden de dalen.
5Κύριος παντοκράτωρ ἠθέτησεν αὐτοὺς ἐν χειρὶ θηλείας.
6Hij dreigde, mijn gebied te verbranden, Mijn jongemannen met het zwaard te vermoorden, Mijn kinderen uit te leveren als buit, Mijn maagden voor gevangenschap.
6οὐ γὰρ ὑπέπεσεν ὁ δυνατὸς αὐτῶν ὑπὸ νεανίσκων, οὐδὲ υἱοὶ τιτάνων ἐπάταξαν αὐτόν, οὐδὲ ὑψηλοὶ γίγαντες ἐπέθεντο αὐτῷ, ἀλλὰ Ἰουδὶθ θυγάτηρ Μεραρὶ ἐν κάλλει προσώπου αὐτῆς παρέλυσεν αὐτόν·
7Maar de almachtige Heer heeft hem neergeveld. Hem overgeleverd in de hand van een vrouw. Zij heeft hun veldheer doorboord;
7ἐξεδύσατο γὰρ στολὴν χηρεύσεως αὐτῆς εἰς ὕψος τῶν πονούντων ἐν Ἰσραήλ, ἠλείψατο τὸ πρόσωπον αὐτῆς ἐν μυρισμῷ
8Niet door jongemannen is hij gevallen! Hij werd niet verslagen door Titanen-zonen, Niet overrompeld door geweldige reuzen; Maar Judit, de dochter van Merari, Zij maakte hem weerloos door haar schoon gelaat.
8καὶ ἐδήσατο τὰς τρίχας αὐτῆς ἐν μίτρᾳ καὶ ἔλαβε στολὴν λινῆν εἰς ἀπάτην αὐτοῦ·
9Haar weduwkleren legde zij af, Om Israëls zonen weer op te heffen;
9τὸ σανδάλιον αὐτῆς ἥρπασεν ὀφθαλμὸν αὐτοῦ, καὶ τὸ κάλλος αὐτῆς ᾐχμαλώτισε ψυχὴν αὐτοῦ, διῆλθεν ὁ ἀκινάκης τὸν τράχηλον αὐτοῦ.
10Met reukwerk zalfde zij haar gelaat, Met een hoofdband bond zij haar lokken op. Een nieuw kleed deed zij aan, om hem te verlokken.
10ἔφριξαν Πέρσαι τὴν τόλμαν αὐτῆς, καὶ Μῆδοι τὸ θράσος αὐτῆς ἐρράχθησαν.
11Door haar sandalen werd zijn oog betoverd, In haar schoonheid lag zijn hart gevangen: Maar met het zwaard doorkliefde zij zijn nek.
11τότε ἠλάλαξαν οἱ ταπεινοί μου, καὶ ἐφοβήθησαν οἱ ἀσθενοῦντές μου καὶ ἐπτοήθησαν, ὕψωσαν τὴν φωνὴν αὐτῶν καὶ ἀνετράπησαν.
12De Perzen huiverden voor haar durf, De Meden sidderden voor haar moed;
12υἱοὶ κορασίων κατεκέντησαν αὐτοὺς καὶ ὡς παῖδας αὐτομολούντων ἐτίτρωσκον αὐτούς, ἀπώλοντο ἐκ παρατάξεως Κυρίου μου.
13Het kamp der Assyriërs begon te schreeuwen, Bij de komst van mijn kinderen, zwak en versmachtend van dorst.
13ὑμνήσω τῷ Θεῷ μου ὕμνον καινόν· Κύριε, μέγας εἶ καὶ ἔνδοξος, θαυμαστὸς ἐν ἰσχύϊ, ἀνυπέρβλητος.
14Zonen van jonge vrouwen doorboorden hen, En sloegen hen neer als weggelopen slaven; Zij kwamen om in de strijd, Voor het aanschijn van den Heer, mijn God!
14σοὶ δουλευσάτω πᾶσα ἡ κτίσις σου· ὅτι εἶπας, καὶ ἐγενήθησαν, ἀπέστειλας τὸ πνεῦμά σου, καὶ ᾠκοδόμησε· καὶ οὐκ ἔστιν ὃς ἀντιστήσεται τῇ φωνῇ σου.
15Nu laat ons voor den Heer een loflied zingen, Een nieuwe lofzang voor onzen God!
15ὄρη γὰρ ἐκ θεμελίων σὺν ὕδασι σαλευθήσεται, πέτραι δὲ ἀπὸ προσώπου σου ὡς κηρὸς τακήσονται, ἔτι δὲ τοῖς φοβουμένοις σε, σὺ εὐιλατεύεις αὐτοῖς.
16Jahweh, Heer, Gij zijt geweldig, Uw kracht is wonderlijk, niet te weerstaan!
16ὅτι μικρὸν πᾶσα θυσία εἰς ὀσμὴν εὐωδίας, καὶ ἐλάχιστον πᾶν στέαρ εἰς ὁλοκαύτωμά σοι· ὁ δὲ φοβούμενος τὸν Κύριον μέγας διαπαντός.
17Geheel uw schepping moet u dienen. Gij spraakt een woord: zij waren er, Gij zondt uw geest: en zij werden geschapen, Want aan uw stem kan niemand weerstaan.
17οὐαὶ ἔθνεσιν ἐπανισταμένοις τῷ γένει μου· Κύριος παντοκράτωρ ἐκδικήσει αὐτοὺς ἐν ἡμέρᾳ κρίσεως δοῦναι πῦρ καὶ σκώληκας εἰς σάρκας αὐτῶν, καὶ κλαύσονται ἐν αἰσθήσει ἕως αἰῶνος.
18Als water drijven de bergen weg van hun fundamenten. En rotsen smelten voor uw aanschijn als was.
18Ὡς δὲ ἤλθοσαν εἰς Ἱερουσαλήμ, προσεκύνησαν τῷ Θεῷ. καὶ ἡνίκα ἐκαθαρίσθη ὁ λαός, ἀνήνεγκαν τὰ ὁλοκαυτώματα αὐτῶν καὶ τὰ ἑκούσια αὐτῶν καὶ τὰ δόματα.
19Wie den Heer blijft vrezen, is altijd groot;
19καὶ ἀνέθηκεν Ἰουδὶθ πάντα τὰ σκεύη Ὀλοφέρνου, ὅσα ἔδωκεν ὁ λαὸς αὐτῇ, καὶ τὸ κωνωπεῖον, ὃ ἔλαβεν αὕτη ἐκ τοῦ κοιτῶνος αὐτοῦ, ὡς ἀνάθημα τῷ Θεῷ ἔδωκε.
20Maar wee de naties, die zich tegen mijn volk verheffen! Waarachtig, de almachtige Heer zal hen bestraffen En hen bezoeken op de oordeelsdag.
20καὶ ἦν ὁ λαὸς εὐφραινόμενος ἐν Ἱερουσαλὴμ κατὰ πρόσωπον τῶν ἁγίων ἐπὶ μῆνας τρεῖς, καὶ Ἰουδὶθ μετ᾿ αὐτῶν κατέμεινε.
21Hun vlees geeft Hij prijs aan vuur en wormen, Zodat zij branden, voor eeuwig het voelen!
21Μετὰ δὲ τὰς ἡμέρας ταύτας ἀνέζευξεν ἕκαστος εἰς τὴν κληρονομίαν αὐτοῦ, καὶ Ἰουδὶθ ἀπῆλθεν εἰς Βαιτυλούα καὶ κατέμεινεν ἐπὶ τῆς ὑπάρξεως αὐτῆς· καὶ ἐγένετο κατὰ τὸν καιρὸν αὐτῆς ἔνδοξος ἐν πάσῃ τῇ γῇ.
22De verdere geschiedenis van Judit. Na dit overwinningsfeest trok heel het volk naar Jerusalem, om den Heer te aanbidden; en zodra allen gereinigd waren, droegen zij hun brandoffers op, hun vrijwillige gaven en geschenken.
22καὶ πολλοὶ ἐπεθύμησαν αὐτήν, καὶ οὐκ ἔγνω ἀνὴρ αὐτὴν πάσας τὰς ἡμέρας τῆς ζωῆς αὐτῆς, ἀφ᾿ ἧς ἡμέρας ἀπέθανε Μανασσῆς ὁ ἀνὴρ αὐτῆς, καὶ προσετέθη πρὸς τὸν λαὸν αὐτοῦ.
23Judit schonk als een wijgeschenk de gehele wapenrusting van Holoférnes, die het volk haar had gegeven, met het muskietengaas, dat zij zelf uit zijn slaapvertrek had meegenomen.
23καὶ ἦν προβαίνουσα μεγάλη σφόδρα καὶ ἐγήρασεν ἐν τῷ οἴκῳ τοῦ ἀνδρὸς αὐτῆς ἔτη ἑκατὸν πέντε· καὶ ἀφῆκε τὴν ἅβραν αὐτῆς ἐλευθέραν. καὶ ἀπέθανεν εἰς Βαιτυλούα, καὶ ἔθαψαν αὐτὴν ἐν τῷ σπηλαίῳ τοῦ ἀνδρὸς αὐτῆς Μανασσῆ,
24Vrolijk gestemd bleef het volk bij het heiligdom, en vierde met Judit drie maanden lang het blijde feest van deze overwinning.
24καὶ ἐπένθησεν αὐτὴν οἶκος Ἰσραὴλ ἡμέρας ἑπτά. καὶ διεῖλε τὰ ὑπάρχοντα αὐτῆς πρὸ τοῦ ἀποθανεῖν αὐτὴν πᾶσι τοῖς ἔγγιστα Μανασσῆ τοῦ ἀνδρὸς αὐτῆς καὶ τοῖς ἔγγιστα τοῦ γένους αὐτῆς.
25Daarna ging ieder terug naar zijn huis. Judit bleef te Betoel in het hoogste aanzien, en was beroemd in heel Israël,
25καὶ οὐκ ἦν ἔτι ὁ ἐκφοβῶν τοὺς υἱοὺς Ἰσραὴλ ἐν ταῖς ἡμέραις Ἰουδὶθ καὶ μετὰ τὸ ἀποθανεῖν αὐτὴν ἡμέρας πολλάς.
26omdat zij niet alleen moedig was, maar ook kuis. Want nadat Manasse haar man was gestorven, had zij heel haar verder leven geen omgang meer met een man.
no verse 26 in this text
27Op de feestdagen verscheen zij in al haar pracht;
no verse 27 in this text
28overigens bleef zij in het huis van haar man. Zij werd honderd en vijf jaar oud. Aan haar dienstmaagd schonk zij de vrijheid. Zij stierf in Betoel en werd bij haar man begraven;
no verse 28 in this text
29heel het volk rouwde zeven dagen om haar.
no verse 29 in this text
30Zolang zij leefde, en ook lange tijd na haar dood, was er niemand, die Israël verontrustte.
no verse 30 in this text
31De feestdag van deze overwinning werd door de Hebreën in de reeks van heilige dagen opgenomen, en werd van toen af tot op de dag van heden door de Joden gevierd.
no verse 31 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.