Judit 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Toen zong Judit dit lied voor den Heer:
1Then Judith sung this canticle to the Lord, saying:
2Heft aan voor den Heer met paukenslag, Zingt voor den Heer met cimbelspel; Laat nieuwe zangen voor Hem klinken, Verheft en zegent zijn Naam!
2Begin ye to the Lord with timbrels, sing ye to the Lord with cymbals, tune unto him a new psalm, extol and call upon his name.
3De oorlog wordt door Hem beslist: De Heer is zijn naam;
3The Lord putteth an end to wars, the Lord is his name.
4Hij sloeg bij zijn volk zijn legerplaats op, Om ons te verlossen van al onze vijanden.
4He hath set his camp in the midst of his people, to deliver us from the hand of all our enemies.
5Uit de bergen van het noorden kwam Assjoer aan Met zijn ontelbare legerscharen; Hun drommen hielden de beken tegen, Hun paarden vulden de dalen.
5The Assyrians came out of the mountains from the north in the multitude of his strength: his multitude stopped up the torrents, and their horses covered the valleys.
6Hij dreigde, mijn gebied te verbranden, Mijn jongemannen met het zwaard te vermoorden, Mijn kinderen uit te leveren als buit, Mijn maagden voor gevangenschap.
6He bragged that he would set my borders on fire, and kill my young men with the sword, to make my infants a prey, and my virgins captives.
7Maar de almachtige Heer heeft hem neergeveld. Hem overgeleverd in de hand van een vrouw. Zij heeft hun veldheer doorboord;
7But the almighty Lord hath struck him, and hath delivered him into the hands of a woman, and hath slain him.
8Niet door jongemannen is hij gevallen! Hij werd niet verslagen door Titanen-zonen, Niet overrompeld door geweldige reuzen; Maar Judit, de dochter van Merari, Zij maakte hem weerloos door haar schoon gelaat.
8For their mighty one did not fall by young men, neither did the sons of Titan strike him, nor tall giants oppose themselves to him, but Judith the daughter of Merari weakened him with the beauty of her face.
9Haar weduwkleren legde zij af, Om Israëls zonen weer op te heffen;
9For she put off her the garments of widowhood, and put on her the garments of joy, to give joy to the children of Israel.
10Met reukwerk zalfde zij haar gelaat, Met een hoofdband bond zij haar lokken op. Een nieuw kleed deed zij aan, om hem te verlokken.
10She anointed her face with ointment, and bound up her locks with a crown, she took a new robe to deceive him.
11Door haar sandalen werd zijn oog betoverd, In haar schoonheid lag zijn hart gevangen: Maar met het zwaard doorkliefde zij zijn nek.
11Her sandals ravished his eyes, her beauty made his soul her captive, with a sword she cut off his head.
12De Perzen huiverden voor haar durf, De Meden sidderden voor haar moed;
12The Persians quaked at her constancy, and the Medes at her boldness.
13Het kamp der Assyriërs begon te schreeuwen, Bij de komst van mijn kinderen, zwak en versmachtend van dorst.
13Then the camp of the Assyrians howled, when my lowly ones appeared, parched with thirst.
14Zonen van jonge vrouwen doorboorden hen, En sloegen hen neer als weggelopen slaven; Zij kwamen om in de strijd, Voor het aanschijn van den Heer, mijn God!
14The sons of the damsels have pierced them through, and they have killed them like children fleeing away: they perished in battle before the face of the Lord my God.
15Nu laat ons voor den Heer een loflied zingen, Een nieuwe lofzang voor onzen God!
15Let us sing a hymn to the Lord, let us sing a new hymn to our God.
16Jahweh, Heer, Gij zijt geweldig, Uw kracht is wonderlijk, niet te weerstaan!
16O Adonai, Lord, great art thou, and glorious in thy power, and no one can overcome thee.
17Geheel uw schepping moet u dienen. Gij spraakt een woord: zij waren er, Gij zondt uw geest: en zij werden geschapen, Want aan uw stem kan niemand weerstaan.
17Let all thy creatures serve thee: because thou hast spoken, and they were made: thou didst send forth thy spirit, and they were created, and there is no one that can resist thy voice.
18Als water drijven de bergen weg van hun fundamenten. En rotsen smelten voor uw aanschijn als was.
18The mountains shall be moved from the foundations with the waters: the rooks shall melt as wax before thy face.
19Wie den Heer blijft vrezen, is altijd groot;
19But they that fear thee, shall be great with thee in all things.
20Maar wee de naties, die zich tegen mijn volk verheffen! Waarachtig, de almachtige Heer zal hen bestraffen En hen bezoeken op de oordeelsdag.
20Woe be to the nation that riseth up against my people: for the Lord almighty will take revenge on them, in the day of judgment he will visit them.
21Hun vlees geeft Hij prijs aan vuur en wormen, Zodat zij branden, voor eeuwig het voelen!
21For he will give fire, and worms into their flesh, that they may burn, and may feel for ever.
22De verdere geschiedenis van Judit. Na dit overwinningsfeest trok heel het volk naar Jerusalem, om den Heer te aanbidden; en zodra allen gereinigd waren, droegen zij hun brandoffers op, hun vrijwillige gaven en geschenken.
22And it came to pass after these things, that all the people, after the victory, came to Jerusalem to adore the Lord: and as soon as they were purified, they all offered holocausts, and vows, and their promises.
23Judit schonk als een wijgeschenk de gehele wapenrusting van Holoférnes, die het volk haar had gegeven, met het muskietengaas, dat zij zelf uit zijn slaapvertrek had meegenomen.
23And Judith offered for an anathema of oblivion all the arms of Holofernes, which the people gave her, and the canopy that she had taken away out of his chamber.
24Vrolijk gestemd bleef het volk bij het heiligdom, en vierde met Judit drie maanden lang het blijde feest van deze overwinning.
24And the people were joyful in the sight of the sanctuary, and for three months the joy of this victory was celebrated with Judith.
25Daarna ging ieder terug naar zijn huis. Judit bleef te Betoel in het hoogste aanzien, en was beroemd in heel Israël,
25And after those days every man returned to his house, and Judith was made great in Bethulia, and she was most renowned in all the land of Israel.
26omdat zij niet alleen moedig was, maar ook kuis. Want nadat Manasse haar man was gestorven, had zij heel haar verder leven geen omgang meer met een man.
26And chastity was joined to her virtue, so that she knew no man all the days of her life, after the death of Manasses her husband.
27Op de feestdagen verscheen zij in al haar pracht;
27And on festival days she came forth with great glory.
28overigens bleef zij in het huis van haar man. Zij werd honderd en vijf jaar oud. Aan haar dienstmaagd schonk zij de vrijheid. Zij stierf in Betoel en werd bij haar man begraven;
28And she abode in her husband’s house a hundred and five years, and made her handmaid free, and she died, and was buried with her husband in Bethulia.
29heel het volk rouwde zeven dagen om haar.
29And all the people mourned for seven days.
30Zolang zij leefde, en ook lange tijd na haar dood, was er niemand, die Israël verontrustte.
30And all the time of her life there was none that troubled Israel, nor many years after her death.
31De feestdag van deze overwinning werd door de Hebreën in de reeks van heilige dagen opgenomen, en werd van toen af tot op de dag van heden door de Joden gevierd.
31But the day of the festivity of this victory is received by the Hebrews in the number of holy days, and is religiously observed by the Jews from that time until this day.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.