Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Toen zij haar dringende bede tot den Heer had geëindigd, stond zij op van de plaats, waar zij zich voor den Heer had neergeworpen,
1And it came to pass, when she had ceased to cry to the Lord, that she rose from the place wherein she lay prostrate before the Lord.
2riep haar dienstmaagd en ging naar beneden in haar huis. Daar deed zij haar boetekleed uit, legde haar weduwkleed af,
2And she called her maid, and going down into her house she took off her haircloth, and put away the garments of her widowhood,
3waste zich en zalfde zich met mirrebalsem. Zij maakte haar hoofdhaar op, legde er een hoofdband omheen, en trok haar feestkleren aan. Zij bond sandalen aan haar voeten, deed haar armbanden om, haar halssnoeren, oorhangers en ringen, en tooide zich met al haar sieraden.
3And she washed her body, and anointed herself with the best ointment, and plaited the hair of her head, and put a bonnet upon her head, and clothed herself with the garments of her gladness, and put sandals on her feet, and took her bracelets, and lilies, and earlets, and rings, and adorned herself with all her ornaments.
4En de Heer verleende haar nog groter schoonheid, omdat zij zich opsierde niet uit zinnelijkheid maar met een vrome bedoeling; daarom vermeerderde de Heer nog haar schoonheid, zodat zij aan allen verscheen in onvergelijkelijke pracht.
4And the Lord also gave her more beauty: because all this dressing up did not proceed from sensuality, lent from virtue: and therefore the Lord increased this her beauty, so that she appeared to all men’s eyes incomparably lovely.
5Nu gaf zij haar dienstmaagd een leren zak met wijn, een kruik olie, geroosterd gerstebrood, vijgenkoeken, brood en kaas, en begaf zich op weg.
5And she gave to her maid a bottle of wine to carry, and a vessel of oil, and parched corn, and dry figs, and bread and cheese, and went out.
6Bij de stadspoort gekomen, troffen zij daar Oezzi-ja aan met de oudsten der stad, die op haar wachtten.
6And when they came to the gate of the city, they found Ozias, and the ancients of the city waiting.
7Toen zij haar zagen, stonden zij stom van verbazing over haar schoonheid,
7And when they saw her they were astonished, and admired her beauty exceedingly.
8maar stelden geen vragen. Zij lieten haar doorgaan en zeiden slechts: De God van onze vaderen schenke u zijn genade en steune u met zijn kracht bij al de plannen, die gij beraamt, opdat Jerusalem op u mag roemen en uw naam wordt genoemd onder het getal van de heiligen en rechtvaardigen.
8But they asked her no question, only they let her pass, saying: The God of our fathers give thee grace, and may he strengthen all the counsel of thy heart with his power, that Jerusalem may glory in thee, and thy name may be in the number of the holy and just.
9En allen, die daar tegenwoordig waren, riepen eenparig: Amen, Amen!
9And they that were there said, all with one voice: So be it, so be it.
10En in gebed tot den Heer ging Judit met haar dienstmaagd de poort uit.
10But Judith praying to the Lord, passed through the gates, she and her maid.
11Toen zij nu bij het aanbreken van de dag de berg afdaalde, kwamen er assyrische verkenners op haar af, die haar aanhielden en zeiden: Waar komt ge vandaan, en waar gaat ge naar toe?
11And it came to pass, when she went down the hill, about break of day, that the watchmen of the Assyrians met her and stopped her, saying: Whence comest thou? or whither goest thou?
12Zij antwoordde: Ik ben een hebreeuwse vrouw; ik ben van hen weggevlucht, omdat ik voorzie, dat zij uw prooi zullen worden, daar zij u hebben geminacht en zich niet vrijwillig aan u wilden overgeven, om genade bij u te vinden.
12And she answered: I am a daughter of the Hebrews, and I am fled from them, because I knew they would be made a prey to you, because they despised you, and would not of their own accord yield themselves, that they might find mercy in your sight.
13Daarom dacht ik bij mezelf: Ik zal naar Holoférnes gaan, den legeraanvoerder, om hem hun geheimen te verraden, en hem te zeggen, langs welke weg hij hen overrompelen kan, zonder ook maar één man van zijn leger te verliezen.
13For this reason I thought with myself, saying: I will go to the presence of the prince Holofernes, that I may tell him their secrets, and shew him by what way he may take them, without the loss of one man of his army.
14Toen de mannen haar antwoord hadden gehoord, staarden zij haar aan met verbaasde ogen, omdat zij door haar schoonheid waren verbluft.
14And when the men had heard her words, they beheld her face, and their eyes were amazed, for they wondered exceedingly at her beauty.
15En ze zeiden tot haar: Gij hebt uw leven gered, door het besluit te nemen, naar omlaag te komen en tot onzen veldheer te gaan.
15And they said to her: Thou hast saved thy life by taking this resolution, to come down to our lord.
16Ge kunt er zeker van zijn, dat hij u goed zal behandelen, als ge voor hem verschijnt, en dat ge hem zeer welkom zult zijn. Zij brachten haar dus naar de tent van Holoférnes, en dienden haar aan.
16And be assured of this, that when thou shalt stand before him, he will treat thee well, and thou wilt be most acceptable to his heart. And they brought her to the tent of Holofernes, telling him of her.
17Maar nauwelijks was zij voor hem verschenen, of hij werd door haar aanblik overweldigd.
17And when she was come into his presence, forthwith Holofernes was caught by his eyes.
18En zijn dienaars zeiden tot hem: Wie zou het volk der Hebreën kunnen verachten, dat zulke schone vrouwen heeft? Dit alles reeds is reden genoeg, om hen te bestrijden!
18And his officers said to him: Who can despise the people of the Hebrews who have such beautiful women, that we should not think it worth our while for their sakes to fight against them?
19Zodra Judit Holoférnes bemerkte, die gezeten was achter een muskietengaas van purper- en gouddraad, bezet met smaragden en edelstenen,
19And Judith seeing Holofernes sitting under a canopy, which was woven of purple and gold, with emeralds and precious stones:
20zag zij hem aan en boog zich diep voor hem ter aarde, om hem te huldigen. Maar op bevel van hun heer richtten de dienaars van Holoférnes haar op.
20After she had looked on his face bowed down to him, prostrating herself to the ground. And the servants of Holofernes lifted her up, by the command of their master.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.