Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Daarop liet hij haar in het vertrek brengen, waar zijn schatten lagen, en gaf hij opdracht, dat zij daar haar verblijf zou hebben. Maar toen hij gelastte, dat men haar van zijn eigen gerechten moest voorzetten,
1Tunc jussit eam introire ubi repositi erant thesauri ejus, et jussit illic manere eam, et constituit quid daretur illi de convivio suo.
2gaf Judit ten antwoord: De spijzen, die gij me wilt laten voorzetten, zal ik nu niet kunnen gebruiken; want dan zou ik me schuldig maken aan een overtreding; ik zal dus eten van wat ik zelf heb meegebracht.
2Cui respondit Judith, et dixit: Nunc non potero manducare ex his quæ mihi præcipis tribui, ne veniat super me offensio: ex his autem quæ mihi detuli, manducabo.
3Holoférnes zeide tot haar: Maar wat zullen wij dan voor u kunnen doen, wanneer de voorraad op is, die ge zelf hebt meegebracht?
3Cui Holofernes ait: Si defecerint tibi ista, quæ tecum detulisti, quid faciemus tibi?
4Judit antwoordde: Mijn heer, zo waar gij leeft; uw dienares zal dit alles nog niet hebben verbruikt, eer God door mijn hand mijn plannen ten uitvoer heeft gebracht. Nu leidden zijn dienaren haar in de tent, die hij had aangewezen.
4Et dixit Judith: Vivit anima tua, domine meus, quoniam non expendet omnia hæc ancilla tua, donec faciat Deus in manu mea hæc quæ cogitavi. Et induxerunt illam servi ejus in tabernaculum quod præceperat.
5En toen zij daar binnenging, vroeg zij verlof, om 's nachts en voor zonsopgang naar buiten te gaan, om te bidden en den Heer aan te roepen.
5Et petiit dum introiret, ut daretur ei copia nocte et ante lucem egrediendi foras ad orationem, et deprecandi Dominum.
6En hij beval zijn lijfwacht, haar drie dagen lang vrij in- en uit te laten gaan, om haar God te aanbidden.
6Et præcepit cubiculariis suis ut sicut placeret illi, exiret et introiret ad adorandum Deum suum per triduum:
7Zo ging zij 's nachts naar het dal van Betoel, waar zij zich waste aan de waterbron.
7et exibat noctibus in vallem Bethuliæ, et baptizabat se in fonte aquæ.
8En terwijl ze dan weer naar boven ging, bad zij den Heer, Israëls God, dat Hij haar in staat zou stellen, haar volk te bevrijden.
8Et ut ascendebat, orabat Dominum Deum Israël ut dirigeret viam ejus ad liberationem populi sui.
9Dan ging zij rein haar tent weer binnen, bleef daar tot de avond, en nuttigde daar haar spijzen.
9Et introiens, munda manebat in tabernaculo usque dum acciperet escam suam in vespere.
10Maar de vierde dag gaf Holoférnes een maaltijd aan zijn dienaars. En hij beval Vágao, zijn kamerdienaar: Ga naar de hebreeuwse vrouw en tracht haar er toe te bewegen, dat zij er vrijwillig in toestemt, bij mij te wonen;
10Et factum est, in quarto die Holofernes fecit cœnam servis suis, et dixit ad Vagao eunuchum suum: Vade, et suade Hebræam illam ut sponte consentiat habitare mecum.
11want de Assyriërs vinden het een schande en een belediging voor een man, wanneer een vrouw er in slaagt, hem ongerept te verlaten.
11Fœdum est enim apud Assyrios, si femina irrideat virum agendo ut immunis ab eo transeat.
12Vágao ging dus naar Judit en zeide: Ik hoop, dat het schone meisje er niet tegen opziet, bij mijn heer te komen, om in zijn tegenwoordigheid geëerd te worden, en met hem vrolijk te eten en wijn te drinken.
12Tunc introivit Vagao ad Judith, et dixit: Non vereatur bona puella introire ad dominum meum, ut honorificetur ante faciem ejus, ut manducet cum eo, et bibat vinum in jucunditate.
13Judit antwoordde: Hoe zou ik het durven wagen, mij tegen mijn heer te verzetten?
13Cui Judith respondit: Quæ ego sum, ut contradicam domino meo?
14Ik zal alles doen, wat hij goed en aangenaam vindt. Want wat hem aangenaam is, zal ook voor mij het beste wezen, zolang ik leef.
14omne quod erit ante oculos ejus bonum et optimum, faciam. Quidquid autem illi placuerit, hoc mihi erit optimum omnibus diebus vitæ meæ.
15Zij stond dus op, en deed haar mooiste kleren aan. Toen zij bij Holoférnes binnenkwam en voor hem stond,
15Et surrexit, et ornavit se vestimento suo, et ingressa stetit ante faciem ejus.
16raakten zijn zinnen geheel verward; want hij begeerde haar met brandend verlangen.
16Cor autem Holofernes concussum est: erat enim ardens in concupiscentia ejus.
17En Holoférnes zeide haar: Drink nu, lig aan en wees vrolijk; want ge hebt genade bij mij gevonden.
17Et dixit ad eam Holofernes: Bibe nunc, et accumbe in jucunditate, quoniam invenisti gratiam coram me.
18Judit antwoordde: Ja heer, ik zal drinken; want nog nooit in mijn leven werd ik zó geëerd.
18Et dixit Judith: Bibam, domine, quoniam magnificata est anima mea hodie præ omnibus diebus meis.
19Maar zij nam wat haar dienstmaagd voor haar had klaar gezet, en at en dronk bij hem.
19Et accepit, et manducavit et bibit coram ipso ea quæ paraverat illi ancilla ejus.
20Holoférnes was verrukt over haar, en dronk zoveel wijn, als hij heel zijn leven nog niet had gedronken.
20Et jucundus factus est Holofernes ad eam, bibitque vinum multum nimis, quantum numquam biberat in vita sua.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.