Judit 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Hierop zeide Holoférnes in heftige verontwaardiging tot Achior:
1Quando cessou o tumulto dos homens que estavam ao redor do conselho, Holofernes, comandante-chefe do exército de Assur, disse a Aquior e a todos os filhos de Moabe diante de todo o povo estrangeiro:
2Omdat gij ons hebt voorspeld, dat het volk van Israël door zijn God wordt verdedigd, zal ik u laten zien, dat alleen Nabukodonosor god is, en niemand anders.
2“Quem é você, Aquior, e quem são vocês, mercenários de Efraim, para profetizarem entre nós hoje e dizerem que não devemos guerrear contra a descendência de Israel porque o Deus deles os defenderá? Quem é Deus, senão Nabucodonosor?
3Want wanneer wij hen allen als één man hebben verslagen, zult ook gij tegelijk met hen door het zwaard der Assyriërs omkomen en zal heel Israël met u worden uitgeroeid en verdelgd.
3Ele enviará seu poder e os destruirá da face da terra, e o Deus deles não os livrará. Nós, servos de Nabucodonosor, os feriremos como se fossem um só homem. Eles não resistirão à força de nossa cavalaria.
4Dan zult ge ondervinden, dat Nabukodonosor de heer is van de gehele aarde. Het zwaard van mijn soldaten zal uw zijde doorboren; ge zult worden doorstoken en neervallen onder de gewonden van Israël; ge zult niet langer meer leven, maar tegelijk met hen worden omgebracht.
4Com ela os consumiremos. Suas montanhas ficarão embriagadas com o sangue deles, e suas planícies se encherão de cadáveres. Seus pés não permanecerão firmes diante de nós; certamente perecerão, diz o rei Nabucodonosor, senhor de toda a terra, pois ele disse: ‘As palavras que falei não serão em vão.’
5Welnu, als ge meent, dat uw voorspelling op waarheid berust, dan behoeft ge toch niet zo somber te kijken! Waarom is uw gelaat zo bleek, wanneer ge toch werkelijk meent, dat mijn woorden niet uitkomen?
5Mas você, Aquior, mercenário de Amom, que pronunciou essas palavras no dia de sua iniquidade, não verá mais meu rosto a partir de hoje, até que eu me vingue da descendência daqueles que saíram do Egito.
6Maar om u te overtuigen, dat u hetzelfde lot als hun staat te wachten, daarom zult ge van dit ogenblik af bij dit volk worden ondergebracht. En wanneer zij door mijn zwaard hun verdiende straf zullen ondergaan, dan zal mijn wraak ook u treffen.
6Então a espada do meu exército e a multidão dos que me servem atravessarão seus flancos, e você cairá entre os mortos deles quando eu voltar.
7Daarop gaf Holoférnes zijn dienaars bevel, Achior gevangen te nemen, naar Betoel te brengen en aan de Israëlieten over te leveren.
7Agora meus servos o levarão de volta à região montanhosa e o deixarão em uma das cidades junto às passagens.
8De dienaars van Holoférnes grepen hem dus vast en trokken met hem door de vlakte. Maar toen zij bij het gebergte waren gekomen, kwamen er slingeraars op hen af.
8Você não morrerá antes de ser destruído juntamente com eles.
9Ze gingen dus het gebergte niet in, doch bonden Achior met handen en voeten aan een boom, lieten hem zo met touwen gebonden daar achter en keerden terug naar hun heer.
9E, se em seu coração você espera que eles não sejam capturados, não fique abatido. Eu falei, e nenhuma das minhas palavras cairá por terra.”
10Nu kwamen de Israëlieten van Betoel naar omlaag en gingen naar hem toe. Zij maakten hem los en namen hem mee naar Betoel, waar zij hem in de kring van het volk plaatsten en hem vroegen, waarom de Assyriërs hem geboeid hadden achtergelaten.
10Então Holofernes ordenou aos servos que estavam de serviço em sua tenda que pegassem Aquior, o levassem de volta a Betúlia e o entregassem nas mãos dos filhos de Israel.
11In die dagen waren Oezzi-ja, de zoon van Mika uit de stam Simeon, en Karmi, die ook Gotoniël heette, de bestuurders der stad.
11Seus servos o pegaram e o conduziram para fora do acampamento até a planície. Dali avançaram da planície para a região montanhosa e chegaram às fontes que ficavam abaixo de Betúlia.
12Te midden van de oudsten en in tegenwoordigheid van het gehele volk vertelde nu Achior alles, wat hij op de vragen van Holoférnes had geantwoord, hoe de soldaten hem, om wat hij gezegd had, hadden willen vermoorden.
12Quando os homens da cidade os viram do alto da montanha, pegaram suas armas e saíram da cidade contra eles até o topo da montanha. Todos os que usavam funda impediram que subissem, lançando pedras contra eles.
13en hoe Holoférnes zelf in grote woede het bevel had gegeven, Achior aan de Israëlieten uit te leveren, om hem, na zijn overwinning op de Israëlieten, onder verschillende folteringen te laten doden, omdat hij gezegd had, dat de God van de hemel hun beschermer was.
13Os homens de Holofernes se abrigaram ao pé da montanha, amarraram Aquior, lançaram-no ao chão, deixaram-no ali e voltaram para seu senhor.
14Toen Achior dit alles verteld had, viel het gehele volk voor God in aanbidding neer, en stortte onder algemeen klagen en wenen eenparig zijn gebeden uit voor den Heer.
14Os filhos de Israel desceram da cidade, foram até ele, o desamarraram, conduziram-no para Betúlia e o apresentaram aos governantes da cidade.
15Men sprak: Heer, God van hemel en aarde, ziet hoe overmoedig ze zijn, en aanschouw onze vernedering. Zie genadig neer op uw heilig volk, en toon, dat Gij hèn niet verlaat, die op u hopen, maar hèn vernedert, die op zichzelf vertrouwen en groot gaan op hun eigen kracht.
15Naqueles dias, os governantes eram Ozias, filho de Miqueias, da tribo de Simeão; Cabris, filho de Gotoniel; e Carmis, filho de Melquiel.
16Toen het wenen bedaard was en het volk de gehele dag in gebed had doorgebracht, troostten zij Achior.
16Eles convocaram todos os anciãos da cidade. Todos os jovens, juntamente com as mulheres, correram para a assembleia. Colocaram Aquior no meio de todo o povo, e Ozias lhe perguntou o que havia acontecido.
17Ze zeiden: De God van onze vaderen, wiens macht gij hebt verkondigd, zal alles voor u ten beste keren, zodat gij getuige zult zijn van hun val.
17Aquior respondeu e contou-lhes as palavras do conselho de Holofernes, tudo o que ele próprio havia dito entre os príncipes dos filhos de Assur e todas as palavras arrogantes que Holofernes havia pronunciado contra a casa de Israel.
18En wanneer de Heer onze God zijn dienaars zal hebben bevrijd, dan moge God, die onder ons woont, ook met u zijn, en kunt ge, zo ge wilt, met al de uwen bij ons wonen.
18Então o povo se prostrou, adorou a Deus e clamou, dizendo:
19Na dit onderhoud nam Oezzi-ja hem mee naar zijn huis, en richtte voor hem een groot feestmaal aan.
19“Ó Senhor, Deus do céu, olha para a arrogância deles e tem compaixão da humilhação de nosso povo. Olha hoje para aqueles que são consagrados a ti.”
20Hij nodigde alle oudsten daarbij uit, en omdat de vasten juist was geeindigd, aten zij gezamelijk.
20Eles consolaram Aquior e o elogiaram muito.
21Daarna werd het volk weer bijeengeroepen; zij bleven de gehele nacht bijeen in gebed, en smeekten den God van Israël om hulp.
21Depois Ozias o levou da assembleia para sua casa e ofereceu um banquete aos anciãos. Durante toda aquela noite, clamaram ao Deus de Israel por socorro.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.