Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Hierop zeide Holoférnes in heftige verontwaardiging tot Achior:
1Καὶ ὡς κατέπαυσεν ὁ θόρυβος τῶν ἀνδρῶν τῶν κύκλῳ τῆς συνεδρείας, καὶ εἶπεν Ὀλοφέρνης ὁ ἀρχιστράτηγος δυνάμεως Ἀσσοὺρ πρὸς Ἀχιὼρ ἐναντίον παντὸς τοῦ δήμου ἀλλοφύλων, καὶ πρὸς πάντας υἱοὺς Μωὰβ,
2Omdat gij ons hebt voorspeld, dat het volk van Israël door zijn God wordt verdedigd, zal ik u laten zien, dat alleen Nabukodonosor god is, en niemand anders.
2καὶ τίς εἶ σὺ, Ἀχιὼρ, καὶ οἱ μισθωτοὶ τοῦ Ἐφραὶμ, ὅτι προεφήτευσας ἐν ἡμῖν καθὼς σήμερον, καὶ εἶπας τὸ γένος Ἰσραὴλ μὴ πολεμῆσαι, ὅτι ὁ Θεὸς αὐτῶν ὑπερασπιεῖ αὐτῶν; καὶ τίς ὁ Θεὸς εἰ μὴ Ναβουχοδονόσορ;
3Want wanneer wij hen allen als één man hebben verslagen, zult ook gij tegelijk met hen door het zwaard der Assyriërs omkomen en zal heel Israël met u worden uitgeroeid en verdelgd.
3Οὗτος ἀποστελεῖ τὸ κράτος αὐτοῦ, καὶ ἐξολοθρεύσει αὐτοὺς ἀπὸ προσώπου τῆς γῆς, καὶ οὐ ῥύσεται αὐτοὺς ὁ Θεὸς αὐτῶν· ἀλλʼ ἡμεῖς οἱ δοῦλοι αὐτοῦ πατάξομεν αὐτοὺς ὡς ἄνθρωπον ἕνα, καὶ οὐχ ὑποστήσονται τὸ κράτος τῶν ἵππων ἡμῶν.
4Dan zult ge ondervinden, dat Nabukodonosor de heer is van de gehele aarde. Het zwaard van mijn soldaten zal uw zijde doorboren; ge zult worden doorstoken en neervallen onder de gewonden van Israël; ge zult niet langer meer leven, maar tegelijk met hen worden omgebracht.
4Κατακαύσομεν γὰρ αὐτοὺς ἐν αὐτοῖς, καὶ τὰ ὄρη αὐτῶν μεθυσθήσεται ἐν τῷ αἵματι αὐτῶν, καὶ τὰ πεδία αὐτῶν πληρωθήσεται νεκρῶν αὐτῶν· καὶ οὐκ ἀντιστήσεται τὸ ἴχνος τῶν ποδῶν αὐτῶν κατὰ πρόσωπον ἡμῶν, ἀλλὰ ἀπωλείᾳ ἀπολοῦνται, λάλει ὁ βασιλεὺς Ναβουχοδονόσορ ὁ κύριος πάσης τῆς γῆς· εἶπε γὰρ, οὐ ματαιωθήσεται τὰ ῥήματα τῶν λόγων αὐτοῦ.
5Welnu, als ge meent, dat uw voorspelling op waarheid berust, dan behoeft ge toch niet zo somber te kijken! Waarom is uw gelaat zo bleek, wanneer ge toch werkelijk meent, dat mijn woorden niet uitkomen?
5Σὺ δὲ Ἀχιὼρ μισθωτὲ τοῦ Ἀμμὼν, ὃς ἐλάλησας τοὺς λόγους τούτους ἐν ἡμέρᾳ ἀδικίας σου, οὐκ ὄψει ἔτι τὸ πρόσωπόν μου ἀπὸ τῆς ἡμέρας ταύτης, ἕως οὗ ἐκδικήσω τὸ γένος τῶν ἐκ Αἰγύπτου.
6Maar om u te overtuigen, dat u hetzelfde lot als hun staat te wachten, daarom zult ge van dit ogenblik af bij dit volk worden ondergebracht. En wanneer zij door mijn zwaard hun verdiende straf zullen ondergaan, dan zal mijn wraak ook u treffen.
6Καὶ τότε διελεύσεται ὁ σίδηρος τῆς στρατιᾶς μου, καὶ ὁ λαὸς τῶν θεραπόντων μου τὰς πλευράς σου, καὶ πεσῇ ἐν τοῖς τραυματίαις αὐτῶν, ὅταν ἐπιστρέψω.
7Daarop gaf Holoférnes zijn dienaars bevel, Achior gevangen te nemen, naar Betoel te brengen en aan de Israëlieten over te leveren.
7Καὶ ἀποκαταστήσουσί σε οἱ δοῦλοί μου εἰς τὴν ὀρεινὴν, καὶ θήσουσί σε ἐν μιᾷ τῶν πόλεων τῶν ἀναβάσεων,
8De dienaars van Holoférnes grepen hem dus vast en trokken met hem door de vlakte. Maar toen zij bij het gebergte waren gekomen, kwamen er slingeraars op hen af.
8καὶ οὐκ ἀπολῇ ἕως οὗ ἐξολοθρευθῇς μετʼ αὐτῶν.
9Ze gingen dus het gebergte niet in, doch bonden Achior met handen en voeten aan een boom, lieten hem zo met touwen gebonden daar achter en keerden terug naar hun heer.
9Καὶ εἴπερ ἐλπίζεις τῇ καρδίᾳ σον ὅτι οὐ λημφθήσονται, μὴ συμπεσέτω σου τὸ πρόσωπον· ἐλάλησα, καὶ οὐδὲν διαπεσεῖται τῶν ῥημάτων μου.
10Nu kwamen de Israëlieten van Betoel naar omlaag en gingen naar hem toe. Zij maakten hem los en namen hem mee naar Betoel, waar zij hem in de kring van het volk plaatsten en hem vroegen, waarom de Assyriërs hem geboeid hadden achtergelaten.
10Καὶ προσέταξεν Ὀλοφέρνης τοῖς δούλοις αὐτοῦ, οἳ ἦσαν παρεστηκότες ἐν τῇ σκηνῇ αὐτοῦ, συλλαβεῖν τὸν Ἀχιὼρ, καὶ ἀποκαταστῆσαι αὐτὸν εἰς Βετυλούα, καὶ πάραδοῦναὶ εἰς χεῖρας υἱῶν Ἰσραήλ.
11In die dagen waren Oezzi-ja, de zoon van Mika uit de stam Simeon, en Karmi, die ook Gotoniël heette, de bestuurders der stad.
11Καὶ συνέλαβον αὐτὸν οἱ δοῦλοι αὐτοῦ, καὶ ἤγαγον αὐτὸν ἔξω τῆς παρεμβολῆς εἰς τὸ πεδίον, καὶ ἀπῇραν ἐκ μέσου τῆς πεδινῆς εἰς τὴν ὀρεινὴν, καὶ παρεγένοντο ἐπὶ τὰς πηγὰς αἳ ἦσαν ὑποκάτω Βετυλούα.
12Te midden van de oudsten en in tegenwoordigheid van het gehele volk vertelde nu Achior alles, wat hij op de vragen van Holoférnes had geantwoord, hoe de soldaten hem, om wat hij gezegd had, hadden willen vermoorden.
12Καὶ ὡς εἶδαν αὐτοὺς οἱ ἄνδρες τῆς πόλεως ἐπὶ τὴν κορυφὴν τοῦ ὄρους, ἀνέλαβον τὰ ὅπλα αὐτῶν, καὶ ἀπῆλθον ἔξω τῆς πόλεως ἐπὶ τὴν κορυφὴν τοῦ ὄρους· καὶ πᾶς ἀνὴρ σφενδονητὴς διεκράτησαν τὴν ἀνάβασιν αὐτῶν, καὶ ἔβαλον ἐν λίθοις ἐπʼ αὐτούς.
13en hoe Holoférnes zelf in grote woede het bevel had gegeven, Achior aan de Israëlieten uit te leveren, om hem, na zijn overwinning op de Israëlieten, onder verschillende folteringen te laten doden, omdat hij gezegd had, dat de God van de hemel hun beschermer was.
13Καὶ ὑποδύσαντες ὑποκάτω τοῦ ὄρους, ἔδησαν τὸν Ἀχιὼρ, καὶ ἀφῆκαν ἐῤῥιμμένον ὑπὸ τὴν ῥίζαν τοῦ ὄρους, καὶ ἀπῴχοντο πρὸς τὸν κύριον αὐτῶν.
14Toen Achior dit alles verteld had, viel het gehele volk voor God in aanbidding neer, en stortte onder algemeen klagen en wenen eenparig zijn gebeden uit voor den Heer.
14Καταβάντες δὲ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἐκ τῆς πόλεως αὐτῶν ἐπέστησαν αὐτῷ, καὶ λύσαντες αὐτὸν ἀπήγαγον εἰς τὴν Βετυλούα, καὶ κατέστησαν αὐτὸν ἐπὶ τοὺς ἄρχοντας τῆς πόλεως αὐτῶν,
15Men sprak: Heer, God van hemel en aarde, ziet hoe overmoedig ze zijn, en aanschouw onze vernedering. Zie genadig neer op uw heilig volk, en toon, dat Gij hèn niet verlaat, die op u hopen, maar hèn vernedert, die op zichzelf vertrouwen en groot gaan op hun eigen kracht.
15οἳ ἦσαν ἐν ταῖς ἡμέραις ἐκείναις, Ὀζίας ὁ τοῦ Μιχὰ ἐκ τῆς φυλῆς Συμεὼν, καὶ Ἀβρὶς ὁ τοῦ Γοθονιὴλ, καὶ Χαρμὶς υἱὸς Μελχιήλ.
16Toen het wenen bedaard was en het volk de gehele dag in gebed had doorgebracht, troostten zij Achior.
16Καὶ συνεκάλεσαν πάντας τοὺς πρεσβυτέρους τῆς πόλεως· καὶ συνέδραμον πᾶς νεανίσκος αὐτῶν καὶ αἱ γυναῖκες εἰς τὴν ἐκκλησίαν· καὶ ἔστησαν τὸν Ἀχιὼρ ἐν μέσῳ παντὸς τοῦ λαοῦ αὐτῶν· καὶ ἐπηρώτησεν αὐτὸν Ὀζίας τὸ συμβεβηκός.
17Ze zeiden: De God van onze vaderen, wiens macht gij hebt verkondigd, zal alles voor u ten beste keren, zodat gij getuige zult zijn van hun val.
17Καὶ ἀποκριθεὶς ἀπήγγειλεν αὐτοῖς τὰ ῥήματα τῆς συνεδρίας Ὀλοφέρνου, καὶ πάντα τὰ ῥήματα ὅσα ἐλάλησεν ἐν μέσῳ τῶν ἀρχόντων υἱῶν Ἀσσούρ, καὶ ὅσα ἐμεγαλοῤῥημόνησεν Ὀλοφέρνης εἰς τὸν οἶκον Ἰσραήλ.
18En wanneer de Heer onze God zijn dienaars zal hebben bevrijd, dan moge God, die onder ons woont, ook met u zijn, en kunt ge, zo ge wilt, met al de uwen bij ons wonen.
18Καὶ πεσόντες ὁ λαὸς προσεκύνησαν τῷ Θεῷ, καὶ ἐβόησαν λέγοντες,
19Na dit onderhoud nam Oezzi-ja hem mee naar zijn huis, en richtte voor hem een groot feestmaal aan.
19κύριε ὁ Θεὸς τοῦ οὐρανοῦ, κάτιδε ἐπὶ τὰς ὑπερηφανείας αὐτῶν, καὶ ἐλέησον τὴν ταπείνωσιν τοῦ γένους ἡμῶν, καὶ ἐπίβλεψον ἐπὶ τὸ πρόσωπον τῶν ἡγιασμένων σοι ἐν τῇ ἡμέρᾳ ταύτῃ.
20Hij nodigde alle oudsten daarbij uit, en omdat de vasten juist was geeindigd, aten zij gezamelijk.
20Καὶ παρεκάλεσαν τὸν Ἀχιὼρ, καὶ ἐπῄνεσαν αὐτὸν σφόδρα.
21Daarna werd het volk weer bijeengeroepen; zij bleven de gehele nacht bijeen in gebed, en smeekten den God van Israël om hulp.
21Καὶ παρέλαβεν αὐτὸν Ὀζίας ἐκ τῆς ἐκκλησίας εἰς οἶκον αὐτοῦ, καὶ ἐποίησε πότον τοῖς πρεσβυτέροις· καὶ ἐπεκαλέσαντο τὸν Θεὸν Ἰσραὴλ εἰς βοήθειαν ὅλην τὴν νύκτα ἐκείνην.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.