Hosea
Chapter 7
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1De schuld van Efraïm is aan het licht getreden, De boosheid van Samaria openbaar: Ze plegen bedrog; de dief dringt binnen de huizen, De rover plundert op straat.
1Коли я почав лїчити-оздоровляти Ізраїля, виявилась неправедність Ефраїмова й лиходїйство Самариї; і ось, влазить злодїй, а розбишака рабує по улицях.
2En ze bedenken niet bij zichzelf, Dat Ik Mij al hun boosheid herinner; Dat hun werken hen steeds vergezellen, En voor mijn aangezicht staan!
2Вони й не здогадуються в серцях своїх, що я про їх ледарство знаю; і так тепер намножились і обгорнули їх ледарства їх, а всї вони перед лицем у мене.
3In hun boosheid maken zij den koning lustig, In hun leugens de vorsten:
3Лиходїйством своїм звеселяють вони царя, оманами своїми — князїв.
4Ze verhitten hen allen als een oven, Door den bakker gestookt. Als het deeg is gekneed, houdt hij op met stoken, Totdat het gegist is;
4Всї вони палають перелюбством, як піч, розпалена пекарем, що не підкладує дров, як замісить тїсто й воно вкисне.
5Maar zij maken onzen koning onpasselijk, De vorsten bevangen door wijn. Ze blijven aan de lustigen schenken,
5День царський у нас! князї розгорячились до впаду вином, а царь простягає руку свою до висьмівників.
6Listig hun hart als een oven verhitten: Heel de nacht sluimert hun woede, Maar ‘s morgens slaat ze in vlammen uit.
6Зрада запалює їх серце, як піч; пекарь їх спить всю ніч, а вранцї горить вона палаючим огнем.
7Toen allen waren verhit als een oven, Hebben zij hun meesters verteerd: Al hun koningen zijn gevallen, Zonder dat iemand van hen tot Mij riep!
7Всї вони, мов ті розпалені печі, палають; та й своїх суддїв глитають; падає царь за царем, не озвавшись до мене.
8Efraïm is onder de volken Een afgeleefde geworden; Efraïm werd als een koek, Die niet is omgekeerd.
8Ефраїм перемішався з народами чужими; Ефраїм, мов паляниця, не обертана (на жару), спалився.
9Vreemden verteren zijn schatten: Hij merkt het niet; Zijn haar begint al te grijzen: Hij bespeurt het niet.
9Поїдають його силу чужоземцї, а йому про те й байдуже, вже посивіло й волоссє, він же й не бачить.
10De trots ligt Israël op het gelaat: Ze bekeren zich niet tot Jahweh, hun God; Ze zoeken Hem niet, Wat ook gebeurt!
10Гордощі Ізраїля понизені в їх таки очах, а таки вони не обернулись до Господа, Бога свого й не шукали його.
11Efraïm is als een duif Onnozel en dom; Ze roepen Egypte om hulp, En trekken naar Assjoer.
11Ефраїм — немов той голуб безглуздий; кличе Египтян, ійде в Ассирию.
12Maar zodra ze vertrekken, Werp Ik mijn net over hen uit, Haal ze omlaag als een vogel uit de lucht, Sluit ze op om de faam van hun boosheid!
12Та коли вони туди пійдуть, закину я на них сїть мою; мов те птаство піднебесне, я їх половлю-повалю, та й скараю, як се чула їх громада.
13Wee hun, omdat ze van Mij zijn weggevlucht, Verderf over hen, omdat ze tegen Mij hebben gezondigd; Ik bracht hun verlossing, Maar zij verloochenden Mij.
13Горе їм, що вони відхилились зпід руки моєї; загибок їм, що так зрадливо відцурались від мене! Я рятував їх, вони ж неправду говорили проти мене.
14Ze roepen Mij niet van harte aan, Maar huilen op hun legerstede; Ze kerven zich om brood en wijn, Maar van Mij lopen ze weg.
14Не обертались усїм серцем своїм до мене, коли голосили на постелях своїх; горнуться до хлїба й вина, а від мене далеко відходять.
15Ik heb hun arm onderricht en gesterkt, Maar zij zinnen op kwaad tegen Mij;
15Я навчав їх, скріпляв у них руки, а вони придумували ворохобню проти мене.
16Ze springen terug op wat hen niet helpt, Als een weerspannige boog. Hun vorsten vallen door het zwaard, Om het gezwets van hun tong; Dan worden ze nog uitgelachen In het land van Egypte!
16Вони обертались, та не до Всевишнього, поробились — як той лук несправний; поляжуть від меча князї їх за язик свій гордий; се буде насьміхом над ними в землї Египецькій.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.