1 Johannes 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Ziet, hoe grote liefde de Vader ons heeft bewezen, dat wij kinderen Gods worden genoemd, en het ook zijn. Daarom juist kent de wereld òns niet, omdat ze Hèm niet kent.
1Глядїть, яку любов дав нам Отець, щоб ми дїти Божі звались. Тим то не знає нас сьвіт, що не пізнав Його.
2Geliefden, thans reeds zijn wij kinderen Gods; maar nog is het niet openbaar geworden, wat wij zùllen zijn. Toch weten we, dat wanneer de openbaring gekomen is, wij aan Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien, zoals Hij is.
2Любі, ми тепер дїти Божі; та ще не явилось, що ми будемо; знаємо ж, що, коли явить ся, подібні Йому будемо, бо побачимо Його, яко ж єсть.
3Wie deze hoop op Hem stelt, houdt zich rein, zoals Hij rein is.
3І всякий, що має сю надїю на Нього, очищує себе, яко і Він чистий.
4Wie zonde bedrijft, overtreedt ook de wet; want de zonde is schennis der wet.
4Кожен, хто робить гріх, робить також беззаконнє, і гріх єсть беззаконнє.
5Welnu, gij weet, dat Hij is verschenen, om de zonden weg te nemen; en in Hem is geen zonde.
5Знаєте ж, що Він явив ся, щоб гріхи наші взяти, і що гріха нема у Ньому.
6Wie in Hem blijft, zondigt niet; wie zondigt, heeft Hem gezien, noch gekend.
6Кожен, хто у Ньому пробуває, не грішить; кожен, хто грішить, не бачив Його, нї пізнав Його.
7Kinderkens, laat u door niemand misleiden! Wie de gerechtigheid beoefent, is een gerechtige, zoals Hij Gerechtig is.
7Дїточки, нехай нїхто вас не обманює: хто робить правду, той праведний, яко ж Він праведний,
8Maar wie zonde bedrijft, is uit den duivel, want de duivel zondigt van de aanvang af; en daartoe juist is Gods Zoon verschenen, om de werken van den duivel te vernietigen.
8хто робить гріх, той від диявола, бо від почину диявол грішить. На се явив ся Син Божий, щоб зруйновати дїла диявола.
9Wie uit God is geboren, bedrijft geen zonde, want zijn Zaad is in hem; hij kan zelfs niet zondigen, omdat hij uit God is geboren.
9Кожен, хто родив ся з Бога, гріха не робить, бо насїннє Його в ньому пробуває; і не може грішити, бо він з Бога родив ся.
10Hieraan zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels te kennen: wie de gerechtigheid niet beoefent, is niet uit God. Evenmin hij, die zijn broeder niet liefheeft.
10По сьому явні дїти Божі, і дїти дияволські. Кожен, хто не робить правди, не від Бога, так само й хто не любить брата свого.
11Want dit is de boodschap, die gij van de aanvang af hebt gehoord, dat we elkander moeten beminnen.
11Се бо віщаннє, котре ви чули від почину, щоб ми любили один одного,
12We moeten niet zijn als Kaïn, die uit den Boze was en zijn broeder vermoordde. En waarom vermoordde hij hem? Omdat zijn werken boos waren, maar die van zijn broeder gerecht.
12не яко ж Каїн, що від лихого був, і забив брата свого; та й за що забив його? тому, що дїла його лихі були, а (дїла) брата його праведні.
13Broeders, verwondert u dus niet, zo de wereld u haat.
13Не дивуйтесь, брати мої, коли ненавидить вас сьвіт.
14We weten, dat we uit de dood tot het leven zijn overgegaan, omdat we de broeders beminnen; die niet bemint, blijft in de dood.
14Ми знаєм, що перейшли від смерти у життє, бо любимо братів; хто не любить брата, пробуває в смертї.
15Wie zijn broeder haat, is een moordenaar; en gij weet, dat geen moordenaar het eeuwig leven behoudt.
15Кожен, хто ненавидить брата свого, той чоловікогубець; а ви знаєте, що жоден чоловікогубець не має життя вічнього, в ньому пробуваючого.
16Hieraan erkennen we de liefde: Hij heeft zijn leven gegeven voor ons; ook wij moeten ons leven geven voor onze broeders.
16У сьому пізнали ми любов, що Він за нас душу свою положив; і ми повинні за братів душі класти.
17Wie dan de goederen der wereld bezit, en zijn broeder in nood ziet, maar zijn hart voor hem sluit, hoe blijft dan in hem de liefde tot God?
17Хто ж має прожиток у сьвітї, і видить брата свого, що в потребі, та й зачинить серце своє перед ним, то як любов Божа пробуває у ньому?
18Kinderkens, laat ons niet liefhebben met woord of met tong, maar met daad en in waarheid.
18Дїточки мої, не любім словом, анї язиком, а дїлом і правдою.
19Hieraan zullen we erkennen, dat we uit de waarheid zijn: We zullen ons hart geruststellen voor Hem,
19І по сьому пізнаємо, що ми від правди, і перед Ним втихомирюєм серця наші;
20ook als het hart ons aanklaagt; want God is groter dan ons hart, en Hij weet alles.
20бо коли винує нас серце, (то о скільки більше Бог); бо більший Бог, нїж серце наше, і знає все.
21Geliefden, als ons hart ons niet aanklaagt, dan hebben we vertrouwen op God,
21Любі, коли серце наше не винує нас, одвагу маєм перед Богом,
22en verkrijgen van Hem al wat we vragen. -Want we onderhouden zijn geboden en doen wat Hem behaagt.
22і, коли що просимо, приймаємо від Нього, бо хоронимо заповідї Його, і угодне перед Ним робимо.
23Dit immers is zijn gebod: dat we geloven in de naam van zijn Zoon Jesus Christus, en dat we elkander beminnen, zoals Hij het ons bevolen heeft.
23А се заповідь Його, щоб вірували в імя Сина Його Ісуса Христа, й любили один одного, яко ж і дав заповідь нам.
24Wie zijn geboden onderhoudt, blijft in Hem en Hij in hem; en hieraan erkennen we, dat Hij in ons blijft: aan de geest, die Hij ons schonk.
24І, хто хоронить заповідї Його, у тому Він пробуває, а той в Ньому. І по сьому пізнаємо, що пробуває в нас, — по Духові, котрого дав нам.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.