Giosuè
Chapter 12
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Giosuè 12

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1OR questi sono i re del paese, i quali i figliuoli d'Israele percossero, e il cui paese possedettero di là dal Giordano, dal sol levante, dal torrente di Arnon fino al monte di Hermon, e tutta la campagna verso Oriente.
1Dit zijn de koningen van het land aan de oostzijde van de Jordaan, die de Israëlieten verslagen hebben, en van wier land ze zich hebben meester gemaakt: van de beek Arnon tot het Hermongebergte, met de gehele oostelijke Araba.
2Cioè: Sihon, re degli Amorrei, che abitava in Hesbon, il qual signoreggiava da Aroer, che è in su la riva del torrente di Arnon, e nella città che è in mezzo del torrente, e nella metà di Galaad, fino al torrente di Iabboc, che è il confine de' figliuoli di Ammon;
2Vooreerst Sichon, de koning der Amorieten. Hij woonde in Chesjbon, en heerste over de streek van Aroër af, aan de oever van de beek Arnon, halverwege die beek; over de helft van Gilad, tot de beek Jabbok, de grens van het land der Ammonieten;
3e nella campagna, fino al mare di Chinneret, verso Oriente; e infino al mar della campagna, che è il mar salso, altresì verso Oriente, traendo verso Bet-iesimot; e dal lato meridionale, fin sotto le pendici di Pisga;
3verder over de Araba, tot aan de oostkant van het meer van Gennezaret, en tot de oostkant van het meer van de Araba, van de Zoutzee namelijk in de richting van Bet-Hajjesjimot en aan de voet der hellingen van de Pisga ten zuiden.
4E il paese d'Og, re di Basan, che era del rimanente de' Rafei, il quale abitava in Astarot, e in Edrei,
4Vervolgens Og, de koning van Basjan, één der overgeblevenen van de Refaieten. Hij woonde in Asjtarot en Edréi,
5e signoreggiava nel monte di Hermon, e in Salca, e in tutto Basan, fino a' confini de' Ghesuriti, e de' Maacatiti, e nella metà di Galaad, che era il confine di Sihon, re di Hesbon.
5en heerste over het Hermongebergte, en te Salka, over heel Basjan, tot aan het gebied der Gesjoerieten en Maäkatieten, en over half Gilad tot aan het gebied van Sichon, den koning van Chesjbon.
6Mosè, servitor del Signore, e i figliuoli d'Israele, percossero questi re ; e Mosè, servitor del Signore, diede il paese loro a possedere a' Rubeniti, ed a' Gaditi, e alla metà della tribù di Manasse.
6Moses, de dienaar van Jahweh, en de Israëlieten hadden ze verslagen, waarna Moses, de dienaar van Jahweh, het land in bezit had gegeven aan de Rubenieten, de Gadieten en aan de helft van de stam van Manasse.
7E questi sono i re del paese, i quali Giosuè, e i figliuoli d'Israele percossero di qua dal Giordano, verso Occidente, da Baal-gad, nella valle del Libano, infino al monte Halac, che sale verso Seir; il qual paese Giosuè diede a possedere alle tribù d'Israele, secondo i loro spartimenti;
7En dit zijn de koningen, die Josuë met de Israëlieten aan de andere kant, westelijk van de Jordaan, heeft verslagen, van Báal-Gad af, in de Libanonvlakte, tot het Chalakgebergte, dat naar Seïr oploopt; en wier land Josuë aan de Israëlieten, over hun stammen verdeeld, ten bezit heeft gegeven
8cioè, il paese del monte, e della pianura, e della campagna, e delle pendici de' monti, e del deserto, e della parte meridionale; il paese degli Hittei, degli Amorrei, de' Cananei, de' Ferizzei, degli Hivvei, e de' Gebusei.
8in het bergland, de Sjefela, de Araba, op de hellingen, in de woestijn en in de Négeb: de koningen van de Chittieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten;
9Un re di Gerico; un re d'Ai, la quale è allato di Betel;
9de koning van Jericho, de koning van Ai in de buurt van Betel,
10un re di Gerusalemme; un re di Hebron;
10de koning van Jerusalem, de koning van Hebron.
11un re di Iarmut; un re di Lachis;
11de koning van Jarmoet, de koning van Lakisj,
12un re d'Eglon; un re di Ghezer;
12de koning van Eglon, de koning van Gézer,
13un re di Debir; un re di Gheder;
13de koning van Debir, de koning van Géder,
14un re di Horma; un re di Arad;
14de koning van Chorma, de koning van Arad,
15un re di Libna; un re di Adullam;
15de koning van Libna, de koning van Adoellam,
16un re di Maccheda; un re di Betel;
16de koning van Makkeda, de koning van Betel,
17un re di Tappua; un re di Hefer;
17de koning van Tappóeach, de koning van Chéfer,
18un re di Afec; un re di Lassaron;
18de koning van Afek, de koning van Sjaron,
19un re di Madon; un re di Hasor;
19de koning van Madon, de koning van Chasor,
20un re di Simron-meron; un re di Acsaf;
20de koning van Sjimron, de koning van Aksjaf,
21un re di Taanac; un re di Meghiddo;
21de koning van Taänak, de koning van Megiddo,
22un re di Chedes; un re di Iocneam, presso di Carmel;
22de koning van Kédesj, de koning van Jokneam op de Karmel,
23un re di Dor, nella contrada di Dor; un re di Goim, presso di Ghilgal;
23de koning van Dor in het heuvelland van Dor, de koning van het volk van Gilgal,
24un re di Tirsa. In tutto trentun re.
24de koning van Tirsa; in het geheel een en dertig koningen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.