Giosuè
Chapter 13
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Giosuè 13

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ORA, quando Giosuè fu diventato vecchio ed attempato, il Signore disse: Tu sei diventato vecchio ed attempato, e vi resta ancora molto gran paese a conquistare.
1Toen Josuë een hoge ouderdom had bereikt, sprak Jahweh tot hem: Ge zijt reeds hoogbejaard, en er valt nog een zeer groot deel van het land in bezit te nemen.
2Quest' è il paese che resta: tutte le contrade de' Filistei, e tutto il paese de' Ghesuriti;
2Dit nog overgebleven land omvat: alle gebieden der Filistijnen, met heel het land der Gesjoerieten
3da Sihor, che è a fronte all'Egitto, fino a' confini di Ecron, verso Settentrione, il paese è riputato de' Cananei; cioè: i cinque principati de' Filistei, quel di Gaza, quel di Asdod, quel di Ascalon, quel di Gat, e quel di Ecron, e gli Avvei;
3van de beek af ten oosten van Egypte tot de noordgrens van Ekron, die tot Kanaän moeten gerekend worden; het land der vijf filistijnse vorsten van Gaza, Asjdod, Asjkelon, Gat en Ekron, met dat der Awwieten
4dal Mezzodì, tutto il paese de' Cananei, e Meara, che è de' Sidonii, fino ad Afec, fino a' confini degli Amorrei;
4in het zuiden; het hele land der Kanaänieten, van de grot af, die aan de Sidoniërs behoort, tot Afeka en het gebied der Amorieten toe;
5e il paese de' Ghiblei, e tutto il Libano, dal Sol levante, da Baal-gad, che è sotto il monte di Hermon, fino all'entrata di Hamat;
5het land der Giblieten met de gehele Libanon in het oosten van Báal-Gad, aan de voet van het Hermongebergte, tot Chamat;
6tutti gli abitanti del monte, dal Libano fino alle Acque calde; e tutti i Sidonii. Io li caccerò dal cospetto dei figliuoli d'Israele; spartisci pur questo paese a sorte ad Israele per eredità, come io t'ho comandato.
6heel het land der bergbewoners van de Libanon tot Misrefot in het westen, met dat der Sidoniërs. Ik zal ze wel voor de Israëlieten uitdrijven. Wijs dit land Israël maar vast als erfdeel aan, zoals Ik u bevolen heb,
7Ora dunque spartisci questo paese a nove tribù, e alla metà della tribù di Manasse, in eredità.
7en verdeel het tot erfelijk bezit onder de negen stammen en de halve stam van Manasse.
8I Rubeniti, e i Gaditi, con l'altra metà del la tribù di Manasse , hanno ricevuta la loro eredità, la quale Mosè ha data loro, di là dal Giordano, verso Oriente; secondo che Mosè, servitor del Signore, l'ha data loro;
8De andere halve stam van Manasse ontving met de Rubenieten en Gadieten hun erfdeel, dat Moses hun oostelijk van de Jordaan had geschonken. Zo had Moses, de dienaar van Jahweh, het hun gegeven:
9da Aroer, che è in sulla riva del torrente di Arnon, e la città che è in mezzo del torrente, e tutta la pianura di Medeba, fino a Dibon;
9de streek van Aroër af, aan de oever van de beek Arnon, met de stad halverwege die beek, en de hele vlakte van Medeba tot Dibon;
10e tutte le città di Sihon, re degli Amorrei, il qual regnò in Hesbon, fino a' confini dei figliuoli di Ammon;
10dan alle steden van Sichon, den Amorietenkoning, die in Chesjbon regeerde, tot aan het gebied der Ammonieten;
11e Galaad, e le contrade de' Ghesuriti, e de' Maacatiti, e tutto il monte di Hermon, e tutto Basan, fino a Salca;
11vervolgens Gilad, en het land der Gesjoerieten. en Maäkatieten met het gehele Hermongebergte en heel Basjan, tot Salka toe;
12tutto il regno d'Og in Basan, il qual regnò in Astarot, e in Edrei, ed era restato del rimanente dei Rafei; Mosè percosse questi re , e li scacciò.
12eveneens het hele koninkrijk van Og in Basjan, die te Asjtarot en Edréi regeerde en een der overgeblevenen van de Refaieten was, welke Moses verslagen en verdreven had.
13(Or i figliuoli d'Israele non cacciarono i Ghesuriti, nè i Maacatiti; anzi i Ghesuriti ed i Maacatiti son dimorati per mezzo Israele fino al dì d'oggi.)
13De Israëlieten hebben echter de Gesjoerieten en Maäkatieten niet kunnen verdrijven, zodat Gesjoer en Maäkat midden in Israël zijn blijven wonen tot op de huidige dag.
14Solo alla tribù di Levi Mosè non diede alcuna eredità; i sacrificii da ardere del Signore Iddio d'Israele son la sua eredità, come egli ne ha parlato.
14Alleen aan de stam Levi heeft hij geen erfdeel gegeven; Jahweh, Israëls God, moest zijn erfdeel zijn, zoals Jahweh het hem had bevolen.
15Mosè adunque diede eredità alla tribù de' figliuoli di Ruben, secondo le lor nazioni.
15Aan de families van de stam der Rubenieten had Moses haar deel toegewezen.
16E i lor confini furono da Aroer, che è in su la riva del torrente di Arnon, e la città che è in mezzo del torrente, e tutta la pianura fino a Medeba;
16Zij kregen het gebied van Aroër af, aan de oever van de Arnon, met de stad halverwege die beek, en de gehele vlakte tot Chesjbon,
17Hesbon, e tutte le sue città che son nella pianura; Dibon, e Bamot-baal, e Bet-baal-meon;
17met al zijn steden op die vlakte: Dibon, Bamot-Báal, en Bet-Báal-Meon,
18e Iasa, e Chedemot, e Mefaat;
18Jáhas, Kedemot en Mefáat,
19e Chiriataim, e Sibma, e Seret-sahar, nel monte della valle;
19Kirjatáim, Sibma en Séret-Hassjáchar op het gebergte der vallei,
20e Bet-peor, e Asdot-pisga, e Bet-iesimot;
20Bet-Peor met de hellingen van de Pisga en Bet-Hajjesjimot;
21e tutte le città della pianura, e tutto il regno di Sihon, re degli Amorrei, che avea regnato in Hesbon, il qual Mosè percosse, insieme co' principi di Madian, Evi, e Rechem, e Sur, e Hur, e Reba, ch'erano principi vassalli di Sihon, e abitavano nel paese.
21vervolgens alle steden der vlakte met het hele rijk van den Amorietenkoning Sichon, die in Chesjbon regeerde, en dien Moses verslagen had met de midjanietische vorsten: Ewi, Rékem, Soer, Choer en Réba, welke als Sichons vazallen dit land bewoonden,
22I figliuoli d'Israele uccisero ancora con la spada Balaam, figliuolo di Beor, indovino, insieme con gli altri uccisi d'infra i Madianiti.
22en tegelijk met den waarzegger Balaäm, den zoon van Beor, door de Israëlieten met het zwaard waren gedood.
23E i confini de' figliuoli di Ruben furono il Giordano e i confini. Questa fu l'eredità de' figliuoli di Ruben, secondo le lor nazioni, cioè: quelle città e le lor villate.
23De grens van Ruben was de Jordaanstreek. Dit is het erfdeel van de families der Rubenieten: de steden met de bijbehorende dorpen.
24Mosè diede ancora eredità alla tribù di Gad, a' figliuoli di Gad, secondo le lor nazioni.
24Ook aan de families van de stam der Gadieten had Moses haar deel toegewezen.
25E la lor contrada fu Iaser, e tutte le città di Galaad, e la metà del paese de' figliuoli di Ammon, fino ad Aroer, che è a fronte a Rabba;
25Zij kregen het gebied van Jazer, met alle steden van Gilad, en het halve land der Ammonieten tot aan Aroër tegenover Rabba;
26e da Hesbon fino a Ramatmispe, e Betonim; e da Mahanaim fino a' confini di Debir;
26vervolgens het gebied van Chesjbon tot Ramat-Hammispe en Betonim, en dat van Machanáim tot aan het gebied van Debir;
27e nella valle, Bet-haram, e Bet-nimra, e Succot, e Safon, il rimanente del regno di Sihon, re di Hesbon; lungo il Giordano e i confini, infino all'estremità del mare di Chinneret, di là dal Giordano, verso Oriente.
27verder in de vlakte: Bet-Haram en Bet-Nimra, Soekkot en Safon met de rest van het rijk van Sichon, den koning van Chesjbon, en de Jordaanstreek, ten oosten van de Jordaan tot waar het meer van Gennezaret eindigt.
28Questa fu l'eredità dei figliuoli di Gad, secondo le lor nazioni, cioè: quelle città e le lor villate.
28Dit is het erfdeel van de families der Gadieten: de steden met haar dorpen.
29Mosè diede ancora eredità alla metà della tribù di Manasse: quella fu per la metà della tribù de' figliuoli di Manasse, secondo le lor nazioni.
29Aan de families van de halve stam van Manasse had Moses eveneens haar deel toegewezen.
30La lor contrada fu da Mahanaim, tutto Basan, tutto il regno d'Og, re di Basan, e tutte le villate di Iair, che sono in Basan, che sono sessanta terre;
30Zij kregen heel het gebied van Basjan, van Machanáim af, en het hele rijk van Og, den koning van Basjan; vervolgens alle kampementen van Jaïr in Basjan, zestig steden;
31e la metà di Galaad, e Astarot, ed Edrei, città del regno d'Og, in Basan. Tutto ciò fu dato a' figliuoli di Machir, figliuolo di Manasse, cioè: alla metà de' figliuoli di Machir, secondo le lor nazioni.
31half Gilad met Asjtarot en Edréi, steden van het rijk van Og in Basjan, was voor de families der zonen van Makir, den zoon van Manasse, of liever gezegd van de helft der zonen van Makir.
32Queste son le contrade che Mosè diede per eredità, nelle campagne di Moab, di là dal Giordano di Gerico, verso Oriente.
32Dit zijn de erfdelen, die Moses had toegewezen in de vlakte van Moab, aan de overzijde van de Jordaan, ten oosten van Jericho.
33Ma egli non diede alcuna eredità ai figliuoli di Levi; il Signore Iddio d'Israele è la loro eredità, come egli ne ha lor parlato.
33Maar aan de stam Levi heeft Moses geen erfdeel gegeven; Jahweh, Israëls God, moest hun erfdeel zijn, zoals hij hun had gezegd.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.