Josué
Chapter 13
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Josué 13

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Josué était vieux, avancé en âge. L’Éternel lui dit alors: Tu es devenu vieux, tu es avancé en âge, et le pays qui te reste à soumettre est très grand.
1Toen Josuë een hoge ouderdom had bereikt, sprak Jahweh tot hem: Ge zijt reeds hoogbejaard, en er valt nog een zeer groot deel van het land in bezit te nemen.
2Voici le pays qui reste: tous les districts des Philistins et tout le territoire des Gueschuriens,
2Dit nog overgebleven land omvat: alle gebieden der Filistijnen, met heel het land der Gesjoerieten
3depuis le Schichor qui coule devant l’Égypte jusqu’à la frontière d’Ékron au nord, contrée qui doit être tenue pour cananéenne, et qui est occupée par les cinq princes des Philistins, celui de Gaza, celui d’Asdod, celui d’Askalon, celui de Gath et celui d’Ékron, et par les Avviens;
3van de beek af ten oosten van Egypte tot de noordgrens van Ekron, die tot Kanaän moeten gerekend worden; het land der vijf filistijnse vorsten van Gaza, Asjdod, Asjkelon, Gat en Ekron, met dat der Awwieten
4à partir du midi, tout le pays des Cananéens, et Meara qui est aux Sidoniens, jusqu’à Aphek, jusqu’à la frontière des Amoréens;
4in het zuiden; het hele land der Kanaänieten, van de grot af, die aan de Sidoniërs behoort, tot Afeka en het gebied der Amorieten toe;
5le pays des Guibliens, et tout le Liban vers le soleil levant, depuis Baal-Gad au pied de la montagne d’Hermon jusqu’à l’entrée de Hamath;
5het land der Giblieten met de gehele Libanon in het oosten van Báal-Gad, aan de voet van het Hermongebergte, tot Chamat;
6tous les habitants de la montagne, depuis le Liban jusqu’à Misrephoth-Maïm, tous les Sidoniens. Je les chasserai devant les enfants d’Israël. Donne seulement ce pays en héritage par le sort à Israël, comme je te l’ai prescrit;
6heel het land der bergbewoners van de Libanon tot Misrefot in het westen, met dat der Sidoniërs. Ik zal ze wel voor de Israëlieten uitdrijven. Wijs dit land Israël maar vast als erfdeel aan, zoals Ik u bevolen heb,
7et divise maintenant ce pays par portions entre les neuf tribus et la demi-tribu de Manassé.
7en verdeel het tot erfelijk bezit onder de negen stammen en de halve stam van Manasse.
8Les Rubénites et les Gadites, avec l’autre moitié de la tribu de Manassé, ont reçu leur héritage, que Moïse leur a donné de l’autre côté du Jourdain, à l’orient, comme le leur a donné Moïse, serviteur de l’Éternel:
8De andere halve stam van Manasse ontving met de Rubenieten en Gadieten hun erfdeel, dat Moses hun oostelijk van de Jordaan had geschonken. Zo had Moses, de dienaar van Jahweh, het hun gegeven:
9depuis Aroër sur les bords du torrent de l’Arnon, et depuis la ville qui est au milieu de la vallée, toute la plaine de Médeba, jusqu’à Dibon;
9de streek van Aroër af, aan de oever van de beek Arnon, met de stad halverwege die beek, en de hele vlakte van Medeba tot Dibon;
10toutes les villes de Sihon, roi des Amoréens, qui régnait à Hesbon, jusqu’à la frontière des enfants d’Ammon;
10dan alle steden van Sichon, den Amorietenkoning, die in Chesjbon regeerde, tot aan het gebied der Ammonieten;
11Galaad, le territoire des Gueschuriens et des Maacathiens, toute la montagne d’Hermon, et tout Basan, jusqu’à Salca;
11vervolgens Gilad, en het land der Gesjoerieten. en Maäkatieten met het gehele Hermongebergte en heel Basjan, tot Salka toe;
12tout le royaume d’Og en Basan, qui régnait à Aschtaroth et à Édréï, et qui était le seul reste des Rephaïm. Moïse battit ces rois, et les chassa.
12eveneens het hele koninkrijk van Og in Basjan, die te Asjtarot en Edréi regeerde en een der overgeblevenen van de Refaieten was, welke Moses verslagen en verdreven had.
13Mais les enfants d’Israël ne chassèrent point les Gueschuriens et les Maacathiens, qui ont habité au milieu d’Israël jusqu’à ce jour.
13De Israëlieten hebben echter de Gesjoerieten en Maäkatieten niet kunnen verdrijven, zodat Gesjoer en Maäkat midden in Israël zijn blijven wonen tot op de huidige dag.
14La tribu de Lévi fut la seule à laquelle Moïse ne donna point d’héritage; les sacrifices consumés par le feu devant l’Éternel, le Dieu d’Israël, tel fut son héritage, comme il le lui avait dit.
14Alleen aan de stam Levi heeft hij geen erfdeel gegeven; Jahweh, Israëls God, moest zijn erfdeel zijn, zoals Jahweh het hem had bevolen.
15Moïse avait donné à la tribu des fils de Ruben une part selon leurs familles.
15Aan de families van de stam der Rubenieten had Moses haar deel toegewezen.
16Ils eurent pour territoire, à partir d’Aroër sur les bords du torrent d’Arnon, et de la ville qui est au milieu de la vallée, toute la plaine près de Médeba,
16Zij kregen het gebied van Aroër af, aan de oever van de Arnon, met de stad halverwege die beek, en de gehele vlakte tot Chesjbon,
17Hesbon et toutes ses villes dans la plaine, Dibon, Bamoth-Baal, Beth-Baal-Meon,
17met al zijn steden op die vlakte: Dibon, Bamot-Báal, en Bet-Báal-Meon,
18Jahats, Kedémoth, Méphaath,
18Jáhas, Kedemot en Mefáat,
19Kirjathaïm, Sibma, Tséreth-Haschachar sur la montagne de la vallée,
19Kirjatáim, Sibma en Séret-Hassjáchar op het gebergte der vallei,
20Beth-Peor, les coteaux du Pisga, Beth-Jeschimoth,
20Bet-Peor met de hellingen van de Pisga en Bet-Hajjesjimot;
21toutes les villes de la plaine, et tout le royaume de Sihon, roi des Amoréens, qui régnait à Hesbon: Moïse l’avait battu, lui et les princes de Madian, Évi, Rékem, Tsur, Hur et Réba, princes qui relevaient de Sihon et qui habitaient dans le pays.
21vervolgens alle steden der vlakte met het hele rijk van den Amorietenkoning Sichon, die in Chesjbon regeerde, en dien Moses verslagen had met de midjanietische vorsten: Ewi, Rékem, Soer, Choer en Réba, welke als Sichons vazallen dit land bewoonden,
22Parmi ceux que tuèrent les enfants d’Israël, ils avaient aussi fait périr avec l’épée le devin Balaam, fils de Beor.
22en tegelijk met den waarzegger Balaäm, den zoon van Beor, door de Israëlieten met het zwaard waren gedood.
23Le Jourdain servait de limite au territoire des fils de Ruben. Voilà l’héritage des fils de Ruben selon leurs familles; les villes et leurs villages.
23De grens van Ruben was de Jordaanstreek. Dit is het erfdeel van de families der Rubenieten: de steden met de bijbehorende dorpen.
24Moïse avait donné à la tribu de Gad, aux fils de Gad, une part selon leurs familles.
24Ook aan de families van de stam der Gadieten had Moses haar deel toegewezen.
25Ils eurent pour territoire Jaezer, toutes les villes de Galaad, la moitié du pays des enfants d’Ammon jusqu’à Aroër vis-à-vis de Rabba,
25Zij kregen het gebied van Jazer, met alle steden van Gilad, en het halve land der Ammonieten tot aan Aroër tegenover Rabba;
26depuis Hesbon jusqu’à Ramath-Mitspé et Bethonim, depuis Mahanaïm jusqu’à la frontière de Debir,
26vervolgens het gebied van Chesjbon tot Ramat-Hammispe en Betonim, en dat van Machanáim tot aan het gebied van Debir;
27et, dans la vallée, Beth-Haram, Beth-Nimra, Succoth et Tsaphon, reste du royaume de Sihon, roi de Hesbon, ayant le Jourdain pour limite jusqu’à l’extrémité de la mer de Kinnéreth de l’autre côté du Jourdain, à l’orient.
27verder in de vlakte: Bet-Haram en Bet-Nimra, Soekkot en Safon met de rest van het rijk van Sichon, den koning van Chesjbon, en de Jordaanstreek, ten oosten van de Jordaan tot waar het meer van Gennezaret eindigt.
28Voilà l’héritage des fils de Gad selon leurs familles; les villes et leurs villages.
28Dit is het erfdeel van de families der Gadieten: de steden met haar dorpen.
29Moïse avait donné à la demi-tribu de Manassé, aux fils de Manassé, une part selon leurs familles.
29Aan de families van de halve stam van Manasse had Moses eveneens haar deel toegewezen.
30Ils eurent pour territoire, à partir de Mahanaïm, tout Basan, tout le royaume d’Og, roi de Basan, et tous les bourgs de Jaïr en Basan, soixante villes.
30Zij kregen heel het gebied van Basjan, van Machanáim af, en het hele rijk van Og, den koning van Basjan; vervolgens alle kampementen van Jaïr in Basjan, zestig steden;
31La moitié de Galaad, Aschtaroth et Édréï, villes du royaume d’Og en Basan, échurent aux fils de Makir, fils de Manassé, à la moitié des fils de Makir, selon leurs familles.
31half Gilad met Asjtarot en Edréi, steden van het rijk van Og in Basjan, was voor de families der zonen van Makir, den zoon van Manasse, of liever gezegd van de helft der zonen van Makir.
32Telles sont les parts que fit Moïse, lorsqu’il était dans les plaines de Moab, de l’autre côté du Jourdain, vis-à-vis de Jéricho, à l’orient.
32Dit zijn de erfdelen, die Moses had toegewezen in de vlakte van Moab, aan de overzijde van de Jordaan, ten oosten van Jericho.
33Moïse ne donna point d’héritage à la tribu de Lévi; l’Éternel, le Dieu d’Israël, tel fut son héritage, comme il le lui avait dit.
33Maar aan de stam Levi heeft Moses geen erfdeel gegeven; Jahweh, Israëls God, moest hun erfdeel zijn, zoals hij hun had gezegd.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.