Josué 12
Louis Segond 1910Translation
Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Voici les rois que les enfants d’Israël battirent, et dont ils possédèrent le pays de l’autre côté du Jourdain, vers le soleil levant, depuis le torrent de l’Arnon jusqu’à la montagne de l’Hermon, avec toute la plaine à l’orient.
1Dit zijn de koningen van het land aan de oostzijde van de Jordaan, die de Israëlieten verslagen hebben, en van wier land ze zich hebben meester gemaakt: van de beek Arnon tot het Hermongebergte, met de gehele oostelijke Araba.
2Sihon, roi des Amoréens, qui habitait à Hesbon. Sa domination s’étendait depuis Aroër, qui est au bord du torrent de l’Arnon, et, depuis le milieu du torrent, sur la moitié de Galaad, jusqu’au torrent de Jabbok, frontière des enfants d’Ammon;
2Vooreerst Sichon, de koning der Amorieten. Hij woonde in Chesjbon, en heerste over de streek van Aroër af, aan de oever van de beek Arnon, halverwege die beek; over de helft van Gilad, tot de beek Jabbok, de grens van het land der Ammonieten;
3sur la plaine, jusqu’à la mer de Kinnéreth à l’orient, et jusqu’à la mer de la plaine, la mer Salée, à l’orient vers Beth-Jeschimoth; et du côté du midi, sur le pied du Pisga.
3verder over de Araba, tot aan de oostkant van het meer van Gennezaret, en tot de oostkant van het meer van de Araba, van de Zoutzee namelijk in de richting van Bet-Hajjesjimot en aan de voet der hellingen van de Pisga ten zuiden.
4Og, roi de Basan, seul reste des Rephaïm, qui habitait à Aschtaroth et à Édréï.
4Vervolgens Og, de koning van Basjan, één der overgeblevenen van de Refaieten. Hij woonde in Asjtarot en Edréi,
5Sa domination s’étendait sur la montagne de l’Hermon, sur Salca, sur tout Basan jusqu’à la frontière des Gueschuriens et des Maacathiens, et sur la moitié de Galaad, frontière de Sihon, roi de Hesbon.
5en heerste over het Hermongebergte, en te Salka, over heel Basjan, tot aan het gebied der Gesjoerieten en Maäkatieten, en over half Gilad tot aan het gebied van Sichon, den koning van Chesjbon.
6Moïse, serviteur de l’Éternel, et les enfants d’Israël, les battirent; et Moïse, serviteur de l’Éternel, donna leur pays en possession aux Rubénites, aux Gadites, et à la moitié de la tribu de Manassé.
6Moses, de dienaar van Jahweh, en de Israëlieten hadden ze verslagen, waarna Moses, de dienaar van Jahweh, het land in bezit had gegeven aan de Rubenieten, de Gadieten en aan de helft van de stam van Manasse.
7Voici les rois que Josué et les enfants d’Israël battirent de ce côté-ci du Jourdain, à l’occident, depuis Baal-Gad dans la vallée du Liban jusqu’à la montagne nue qui s’élève vers Séir. Josué donna leur pays en possession aux tribus d’Israël, à chacune sa portion,
7En dit zijn de koningen, die Josuë met de Israëlieten aan de andere kant, westelijk van de Jordaan, heeft verslagen, van Báal-Gad af, in de Libanonvlakte, tot het Chalakgebergte, dat naar Seïr oploopt; en wier land Josuë aan de Israëlieten, over hun stammen verdeeld, ten bezit heeft gegeven
8dans la montagne, dans la vallée, dans la plaine, sur les coteaux, dans le désert, et dans le midi; pays des Héthiens, des Amoréens, des Cananéens, des Phéréziens, des Héviens et des Jébusiens.
8in het bergland, de Sjefela, de Araba, op de hellingen, in de woestijn en in de Négeb: de koningen van de Chittieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten;
9Le roi de Jéricho, un; le roi d’Aï, près de Béthel, un;
9de koning van Jericho, de koning van Ai in de buurt van Betel,
10le roi de Jérusalem, un; le roi d’Hébron, un;
10de koning van Jerusalem, de koning van Hebron.
11le roi de Jarmuth, un; le roi de Lakis, un;
11de koning van Jarmoet, de koning van Lakisj,
12le roi d’Églon, un; le roi de Guézer, un;
12de koning van Eglon, de koning van Gézer,
13le roi de Debir, un; le roi de Guéder, un;
13de koning van Debir, de koning van Géder,
14le roi de Horma, un; le roi d’Arad, un;
14de koning van Chorma, de koning van Arad,
15le roi de Libna, un; le roi d’Adullam, un;
15de koning van Libna, de koning van Adoellam,
16le roi de Makkéda, un; le roi de Béthel, un;
16de koning van Makkeda, de koning van Betel,
17le roi de Tappuach, un; le roi de Hépher, un;
17de koning van Tappóeach, de koning van Chéfer,
18le roi d’Aphek, un; le roi de Lascharon, un;
18de koning van Afek, de koning van Sjaron,
19le roi de Madon, un; le roi de Hatsor, un;
19de koning van Madon, de koning van Chasor,
20le roi de Schimron-Meron, un; le roi d’Acschaph, un;
20de koning van Sjimron, de koning van Aksjaf,
21le roi de Taanac, un; le roi de Meguiddo, un;
21de koning van Taänak, de koning van Megiddo,
22le roi de Kédesch, un; le roi de Jokneam, au Carmel, un;
22de koning van Kédesj, de koning van Jokneam op de Karmel,
23le roi de Dor, sur les hauteurs de Dor, un; le roi de Gojim, près de Guilgal, un;
23de koning van Dor in het heuvelland van Dor, de koning van het volk van Gilgal,
24le roi de Thirtsa, un. Total des rois: trente et un.
24de koning van Tirsa; in het geheel een en dertig koningen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.