ΙΗΣΟΥΣ ΝΑΥΗ
Chapter 12
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

ΙΗΣΟΥΣ ΝΑΥΗ 12

Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ οὗτοι οἱ βασιλεῖς τῆς γῆς, οὓς ἀνεῖλον οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ καὶ κατεκληρονόμησαν τὴν γῆν αὐτῶν πέραν τοῦ Ἰορδάνου ἀφ' ἡλίου ἀνατολῶν ἀπὸ φάραγγος Ἀρνῶν ἕως τοῦ ὄρους Ἀερμὼν καὶ πᾶσαν τὴν γῆν Ἄραβα ἀπ' ἀνατολῶν·
1Dit zijn de koningen van het land aan de oostzijde van de Jordaan, die de Israëlieten verslagen hebben, en van wier land ze zich hebben meester gemaakt: van de beek Arnon tot het Hermongebergte, met de gehele oostelijke Araba.
2Σηὼν τὸν βασιλέα τῶν Ἀμορραίων, ὃς κατῴκει ἐν Ἐσεβὼν κυριεύων ἀπὸ Ἀροήρ, ἣ ἐστιν ἐν τῇ φάραγγι, κατὰ μέρος τῆς φάραγγος, καὶ τὸ ἥμισυ τῆς Γαλαὰδ ἕως Ἰαβόκ, ὅρια υἱῶν Ἀμμών,
2Vooreerst Sichon, de koning der Amorieten. Hij woonde in Chesjbon, en heerste over de streek van Aroër af, aan de oever van de beek Arnon, halverwege die beek; over de helft van Gilad, tot de beek Jabbok, de grens van het land der Ammonieten;
3καὶ Ἄραβα ἕως τῆς θαλάσσης Χενερὲθ κατ' ἀνατολὰς καὶ ἕως τῆς θαλάσσης Ἄραβα, θάλασσαν τῶν ἁλῶν ἀπὸ ἀνατολῶν, ὁδὸν τὴν κατὰ Ἀσειμώθ, ἀπὸ Θαιμὰν τὴν ὑπὸ Ἀσηδὼθ Φασγά·
3verder over de Araba, tot aan de oostkant van het meer van Gennezaret, en tot de oostkant van het meer van de Araba, van de Zoutzee namelijk in de richting van Bet-Hajjesjimot en aan de voet der hellingen van de Pisga ten zuiden.
4καὶ Ὢγ βασιλεὺς Βασὰν ὑπελείφθη ἐκ τῶν γιγάντων ὁ κατοικῶν ἐν Ἀσταρὼθ καὶ ἐν Ἐδραΐν,
4Vervolgens Og, de koning van Basjan, één der overgeblevenen van de Refaieten. Hij woonde in Asjtarot en Edréi,
5ἄρχων ἀπὸ ὄρους Ἀερμὼν καὶ ἀπὸ Σελχοὶ καὶ πᾶσαν τὴν γῆν Βασὰν ἕως ὁρίων Γεσουρὶ καὶ τὴν Μαχὶ καὶ τὸ ἡμισυ Γαλαὰδ ὁρίων Σηὼν βασιλέως Ἐσεβών.
5en heerste over het Hermongebergte, en te Salka, over heel Basjan, tot aan het gebied der Gesjoerieten en Maäkatieten, en over half Gilad tot aan het gebied van Sichon, den koning van Chesjbon.
6Μωυσῆς ὁ παῖς Κυρίου καὶ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἐπάταξαν αὐτούς, καὶ ἔδωκεν αὐτὴν Μωυσῆς ἐν κληρονομίᾳ Ρουβὴν καὶ Γὰδ καὶ τῷ ἡμίσει φυλῆς Μανασσῇ.
6Moses, de dienaar van Jahweh, en de Israëlieten hadden ze verslagen, waarna Moses, de dienaar van Jahweh, het land in bezit had gegeven aan de Rubenieten, de Gadieten en aan de helft van de stam van Manasse.
7Καὶ οὗτοι οἱ βασιλεῖς τῶν Ἀμορραίων, οὓς ἀνεῖλεν Ἰησοῦς καὶ υἱοὶ Ἰσραὴλ ἐν τῷ πέραν τοῦ Ἰορδάνου παρὰ θάλασσαν Βααλγὰδ ἐν τῷ πεδίῳ τοῦ Λιβάνου καὶ ἕως ὄρους τοῦ Χελχὰ ἀναβαινόντων εἰς Σηείρ, καὶ ἔδωκεν αὐτὴν Ἰησοῦς ταῖς φυλαῖς Ἰσραὴλ κληρονομεῖν κατὰ κλῆρον αὐτῶν,
7En dit zijn de koningen, die Josuë met de Israëlieten aan de andere kant, westelijk van de Jordaan, heeft verslagen, van Báal-Gad af, in de Libanonvlakte, tot het Chalakgebergte, dat naar Seïr oploopt; en wier land Josuë aan de Israëlieten, over hun stammen verdeeld, ten bezit heeft gegeven
8ἐν τῷ ὄρει καὶ ἐν τῷ πεδίῳ καὶ ἐν Ἄραβα καὶ ἐν Ἀσηδὼθ καὶ ἐν τῇ ἐρήμῳ καὶ Ναγέβ, τὸν Χετταῖον καὶ τὸν Ἀμορραῖον καὶ τὸν Χαναναῖον καὶ τὸν Φερεζαῖον καὶ τὸν Εὐαῖον καὶ τὸν Ἰεβουσαῖον·
8in het bergland, de Sjefela, de Araba, op de hellingen, in de woestijn en in de Négeb: de koningen van de Chittieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten;
9τὸν βασιλέα Ἱεριχὼ καὶ τὸν βασιλέα τῆς Γαί, ἥ ἐστι πλησίον Βαιθήλ,
9de koning van Jericho, de koning van Ai in de buurt van Betel,
10βασιλέα Ἱερουσαλήμ, βασιλέα Χεβρών,
10de koning van Jerusalem, de koning van Hebron.
11βασιλέα Ἱεριμούθ, βασιλέα Λαχίς,
11de koning van Jarmoet, de koning van Lakisj,
12βασιλέα Αἰλάμ, βασιλέα Γαζέρ,
12de koning van Eglon, de koning van Gézer,
13βασιλέα Δαβίρ, βασιλέα Γαδέρ,
13de koning van Debir, de koning van Géder,
14βασιλέα Ἑρμάθ, βασιλέα Ἀράθ,
14de koning van Chorma, de koning van Arad,
15βασιλέα Λεβνά, βασιλέα Ὀδολλάμ,
15de koning van Libna, de koning van Adoellam,
16βασιλέα Ἠλάθ,
16de koning van Makkeda, de koning van Betel,
17βασιλέα Ταφούγ, βασιλέα Ὀφέρ,
17de koning van Tappóeach, de koning van Chéfer,
18βασιλέα Ἀφὲκ τῆς Σαρών, βασιλέα Ἀσώρ, βασιλέα Συμοών, βασιλέα Μαρών, βασιλέα Ἀζίφ, βασιλέα Κάδης, βασιλέα Τανάχ, βασιλέα Μαγεδών, βασιλέα Ἰεκονὰμ τοῦ Χερμέλ,
18de koning van Afek, de koning van Sjaron,
no verse 19 in this text
19de koning van Madon, de koning van Chasor,
no verse 20 in this text
20de koning van Sjimron, de koning van Aksjaf,
no verse 21 in this text
21de koning van Taänak, de koning van Megiddo,
no verse 22 in this text
22de koning van Kédesj, de koning van Jokneam op de Karmel,
23βασιλέα Δὼρ τοῦ Ναφεδδώρ, βασιλέα Γωΐμ τῆς Γαλιλαίας,
23de koning van Dor in het heuvelland van Dor, de koning van het volk van Gilgal,
24βασιλέα Θαρσά· πάντες οὗτοι βασιλεῖς εἴκοσιν ἐννέα.
24de koning van Tirsa; in het geheel een en dertig koningen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.