Josué
Chapter 12
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Josué 12

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ESTOS son los reyes de la tierra que los hijos de Israel hirieron, y cuya tierra poseyeron de la otra parte del Jordán al nacimiento del sol, desde el arroyo de Arnón hasta el monte Hermón, y toda la llanura oriental:
1Dit zijn de koningen van het land aan de oostzijde van de Jordaan, die de Israëlieten verslagen hebben, en van wier land ze zich hebben meester gemaakt: van de beek Arnon tot het Hermongebergte, met de gehele oostelijke Araba.
2Sehón rey de los Amorrheos, que habitaba en Hesbón, y señoreaba desde Aroer, que está á la ribera del arroyo de Arnón, y desde en medio del arroyo, y la mitad de Galaad, hasta el arroyo Jaboc, el término de los hijos de Ammón;
2Vooreerst Sichon, de koning der Amorieten. Hij woonde in Chesjbon, en heerste over de streek van Aroër af, aan de oever van de beek Arnon, halverwege die beek; over de helft van Gilad, tot de beek Jabbok, de grens van het land der Ammonieten;
3Y desde la campiña hasta la mar de Cinneroth, al oriente; y hasta la mar de la llanura, el mar Salado, al oriente, por el camino de Beth-jesimoth; y desde el mediodía debajo de las vertientes del Pisga.
3verder over de Araba, tot aan de oostkant van het meer van Gennezaret, en tot de oostkant van het meer van de Araba, van de Zoutzee namelijk in de richting van Bet-Hajjesjimot en aan de voet der hellingen van de Pisga ten zuiden.
4Y los términos de Og rey de Basán, que había quedado de los Rapheos, el cual habitaba en Astaroth y en Edrei,
4Vervolgens Og, de koning van Basjan, één der overgeblevenen van de Refaieten. Hij woonde in Asjtarot en Edréi,
5Y señoreaba en el monte de Hermón, y en Salca, y en todo Basán hasta los términos de Gessuri y de Maachâti, y la mitad de Galaad, término de Sehón rey de Hesbón.
5en heerste over het Hermongebergte, en te Salka, over heel Basjan, tot aan het gebied der Gesjoerieten en Maäkatieten, en over half Gilad tot aan het gebied van Sichon, den koning van Chesjbon.
6A estos hirieron Moisés siervo de Jehová y los hijos de Israel; y Moisés siervo de Jehová dió aquella tierra en posesión á los Rubenitas, Gaditas, y á la media tribu de Manasés.
6Moses, de dienaar van Jahweh, en de Israëlieten hadden ze verslagen, waarna Moses, de dienaar van Jahweh, het land in bezit had gegeven aan de Rubenieten, de Gadieten en aan de helft van de stam van Manasse.
7Y estos son los reyes de la tierra que hirió Josué con los hijos de Israel, de esta parte del Jordán al occidente, desde Baal-gad en el llano del Líbano hasta el monte de Halac que sube á Seir; la cual tierra dió Josué en posesión á las tribus de Israel, conforme á sus repartimientos;
7En dit zijn de koningen, die Josuë met de Israëlieten aan de andere kant, westelijk van de Jordaan, heeft verslagen, van Báal-Gad af, in de Libanonvlakte, tot het Chalakgebergte, dat naar Seïr oploopt; en wier land Josuë aan de Israëlieten, over hun stammen verdeeld, ten bezit heeft gegeven
8En montes y en valles, en llanos y en vertientes, al desierto y al mediodía; el Hetheo, y el Amorrheo, y el Cananeo, y el Pherezeo, y el Heveo, y el Jebuseo.
8in het bergland, de Sjefela, de Araba, op de hellingen, in de woestijn en in de Négeb: de koningen van de Chittieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten;
9El rey de Jericó, uno: el rey de Hai, que está al lado de Beth-el, otro:
9de koning van Jericho, de koning van Ai in de buurt van Betel,
10El rey de Jerusalem, otro: el rey de Hebrón, otro:
10de koning van Jerusalem, de koning van Hebron.
11El rey de Jarmuth, otro: el rey de Lachîs, otro:
11de koning van Jarmoet, de koning van Lakisj,
12El rey de Eglón, otro: el rey de Gezer, otro:
12de koning van Eglon, de koning van Gézer,
13El rey de Debir, otro: el rey de Geder, otro:
13de koning van Debir, de koning van Géder,
14El rey de Horma, otro: el rey de Arad, otro:
14de koning van Chorma, de koning van Arad,
15El rey de Libna, otro: el rey de Adullam, otro:
15de koning van Libna, de koning van Adoellam,
16El rey de Maceda, otro: el rey de Beth-el, otro:
16de koning van Makkeda, de koning van Betel,
17El rey de Tappua, otro: el rey de Hepher, otro:
17de koning van Tappóeach, de koning van Chéfer,
18El rey de Aphec, otro: el rey de Lasarón, otro:
18de koning van Afek, de koning van Sjaron,
19El rey de Madón, otro: el rey de Hasor, otro:
19de koning van Madon, de koning van Chasor,
20El rey de Simrom-meron, otro: el rey de Achsaph, otro:
20de koning van Sjimron, de koning van Aksjaf,
21El rey de Taanach, otro: el rey de Megiddo, otro:
21de koning van Taänak, de koning van Megiddo,
22El rey de Chêdes, otro: el rey de Jocneam de Carmel, otro:
22de koning van Kédesj, de koning van Jokneam op de Karmel,
23El rey de Dor, de la provincia de Dor, otro: el rey de Gentes en Gilgal, otro:
23de koning van Dor in het heuvelland van Dor, de koning van het volk van Gilgal,
24El rey de Tirsa, otro: treinta y un reyes en todo.
24de koning van Tirsa; in het geheel een en dertig koningen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.