Jozue 12
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Tito pak jsou králové té země, kteréž pobili synové Izraelští, a opanovali zemi jejich, za Jordánem k východu slunce, od potoku Arnon až k hoře Hermon i všecky roviny k východu:
1Dit zijn de koningen van het land aan de oostzijde van de Jordaan, die de Israëlieten verslagen hebben, en van wier land ze zich hebben meester gemaakt: van de beek Arnon tot het Hermongebergte, met de gehele oostelijke Araba.
2Seon, král Amorejský, kterýž bydlil v Ezebon, a panoval od Aroer, kteréž leží při břehu potoka Arnon, a u prostřed potoka toho, a polovici Galád, až do potoka Jabok, kterýž jest na pomezí synů Ammon,
2Vooreerst Sichon, de koning der Amorieten. Hij woonde in Chesjbon, en heerste over de streek van Aroër af, aan de oever van de beek Arnon, halverwege die beek; over de helft van Gilad, tot de beek Jabbok, de grens van het land der Ammonieten;
3A od rovin až k moři Ceneret k východu, a až k moři pouště, jenž jest moře slané k východu, kudyž se jde k Betsimot, a od polední strany ležící pod horou Fazga.
3verder over de Araba, tot aan de oostkant van het meer van Gennezaret, en tot de oostkant van het meer van de Araba, van de Zoutzee namelijk in de richting van Bet-Hajjesjimot en aan de voet der hellingen van de Pisga ten zuiden.
4Pomezí také Oga, krále Bázan, z ostatků Refaimských, kterýž bydlil v Astarot a v Edrei,
4Vervolgens Og, de koning van Basjan, één der overgeblevenen van de Refaieten. Hij woonde in Asjtarot en Edréi,
5A kterýž panoval na hoře Hermon a v Sálecha, i ve vší krajině Bázan až ku pomezí Gessuri a Machati, a nad polovicí Galád, ku pomezí Seona, krále Ezebon.
5en heerste over het Hermongebergte, en te Salka, over heel Basjan, tot aan het gebied der Gesjoerieten en Maäkatieten, en over half Gilad tot aan het gebied van Sichon, den koning van Chesjbon.
6Mojžíš, služebník Hospodinův, a synové Izraelští pobili je; a dal ji Mojžíš služebník Hospodinův k vládařství pokolení Rubenovu, Gádovu a polovici pokolení Manassesova.
6Moses, de dienaar van Jahweh, en de Israëlieten hadden ze verslagen, waarna Moses, de dienaar van Jahweh, het land in bezit had gegeven aan de Rubenieten, de Gadieten en aan de helft van de stam van Manasse.
7Tito pak jsou králové země té, kteréž pobil Jozue a synové Izraelští za Jordánem k západu, od Balgad, kteréž jest na poli Libánském, až k hoře lysé, kteráž se táhne až do Seir, a dal ji Jozue pokolením Izraelským k vládařství po dílích jejich,
7En dit zijn de koningen, die Josuë met de Israëlieten aan de andere kant, westelijk van de Jordaan, heeft verslagen, van Báal-Gad af, in de Libanonvlakte, tot het Chalakgebergte, dat naar Seïr oploopt; en wier land Josuë aan de Israëlieten, over hun stammen verdeeld, ten bezit heeft gegeven
8Na horách i na rovinách, i po polích, i v údolích, i na poušti a na poledne, zemi Hetejského, Amorejského, Kananejského, Ferezejského, Hevejského a Jebuzejského:
8in het bergland, de Sjefela, de Araba, op de hellingen, in de woestijn en in de Négeb: de koningen van de Chittieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten;
9Král Jericha jeden, král Hai, kteréž bylo na straně Bethel, jeden;
9de koning van Jericho, de koning van Ai in de buurt van Betel,
10Král Jeruzalémský jeden, král Hebron jeden;
10de koning van Jerusalem, de koning van Hebron.
11Král Jarmut jeden, král Lachis jeden;
11de koning van Jarmoet, de koning van Lakisj,
12Král Eglon jeden, král Gázer jeden;
12de koning van Eglon, de koning van Gézer,
13Král Dabir jeden, král Gader jeden;
13de koning van Debir, de koning van Géder,
14Král Horma jeden, král Arad jeden;
14de koning van Chorma, de koning van Arad,
15Král Lebna jeden, král Adulam jeden;
15de koning van Libna, de koning van Adoellam,
16Král Maceda jeden, král Bethel jeden;
16de koning van Makkeda, de koning van Betel,
17Král Tafua jeden, král Chefer jeden;
17de koning van Tappóeach, de koning van Chéfer,
18Král Afek jeden, král Sáron jeden;
18de koning van Afek, de koning van Sjaron,
19Král Mádon jeden, král Azor jeden;
19de koning van Madon, de koning van Chasor,
20Král Simron Meron jeden, král Achzaf jeden;
20de koning van Sjimron, de koning van Aksjaf,
21Král Tanach jeden, král Mageddo jeden;
21de koning van Taänak, de koning van Megiddo,
22Král Kedes jeden, král Jekonam z Karmelu jeden;
22de koning van Kédesj, de koning van Jokneam op de Karmel,
23Král Dor z krajiny Dor jeden, král z Goim v Galgal jeden;
23de koning van Dor in het heuvelland van Dor, de koning van het volk van Gilgal,
24Král Tersa jeden. Všech králů třidceti a jeden.
24de koning van Tirsa; in het geheel een en dertig koningen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.