4 Мойсея 32
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Було ж в синів Рубена і в синів Гада буйної скотини багато, велика тьма; і бачили вони, що Язер земля і Гілеад земля як раз годяться про скотину.
1De zonen van Ruben en Gad bezaten zeer talrijke kudden. En daar de Rubenieten en Gadieten zagen, dat het land Jazer en het land Gilad een zeer geschikte streek voor vee was,
2І прийшли синове Гадові й синове Рубенові, та й промовили до Мойсея і Єлеазара сьвященника й до князїв громадських так:
2gingen ze naar Moses, den priester Elazar en de aanvoerders van de gemeenschap en zeiden:
3Атарот та Дибон та Язер та Нимра та Гесбон та Єлале та Себам та Небо та Бейон,
3Atarot, Dibon, Jazer, Nimra, Chesjbon, Elale, Sibma, Nebo en Báal-Meon,
4Земля, що побив Господь перед громадою Ізрайлевою, се земля про скотину.
4het land, dat Jahweh aan de gemeenschap van Israël heeft onderworpen, is een land van veeteelt, en uw dienaren oefenen veeteelt uit.
5І сказали вони: Коли знайшли ми ласку в очах твоїх, оддай сю землю слугам твоїм у державу, не переводь нас через Йордан.
5En zij vervolgden: Zo wij genade hebben gevonden in uw ogen, laat dan dit land aan uw dienaren als bezitting worden gegeven, en voer ons niet over de Jordaan.
6І каже Мойсей синам Гадовим та синам Рубеновим: Так браттє ваше пійде на війну, а ви ту зостанетесь?
6Maar Moses gaf de zonen van Gad en Ruben ten antwoord: Wilt gij dan hier blijven wonen, terwijl uw broeders ten strijde trekken?
7Чого ж одхиляєте ви серце синів Ізрайлевих, щоб перейти в он тую землю, що надїлив їм Господь?
7Waarom wilt ge de Israëlieten de moed benemen, om naar de overkant te trekken, naar het land, dat Jahweh hun heeft gegeven?
8Так зробили батьки ваші, як я посилав їх у Кадес-Барнеа, розгледїти землю:
8Zo hebben uw vaders gedaan, toen ik hen uitzond van Kadesj-Barnéa, om het land te verkennen.
9Вони добрались до долини Эсколя і розглянули землю; а потім відхилили вони серце синів Ізраїля, щоб вони не йшли в землю, що надїлив їм Господь.
9Zij trokken op tot de Esjkol-vallei, en zij verkenden het land; maar toen ontnamen zij de kinderen Israëls de moed, om het land binnen te trekken, dat Jahweh hun had gegeven.
10І запалав Господь гнївом того часу і поклявся словами:
10Maar toen ook ontbrandde de gramschap van Jahweh, en zwoer Hij:
11Люде ті, що вийшли з Египту, від двайцяти років і старше, не побачять землї, що про неї я клявся Авраамові, та Ізаакові та Яковові, бо не зовсїм слухали вони мене.
11De mannen van twintig jaar oud en daarboven, die uit Egypte zijn opgetrokken, zullen het land niet aanschouwen, dat Ik aan Abraham, Isaäk en Jakob onder ede beloofd heb, omdat zij Mij niet trouw zijn gebleven!
12Окрім Калеба, сина Ефуна Кенизїя та Йозея Нуненка; сї бо завсїди ійшли слїдом за Господом.
12Uitgezonderd werden Kaleb, de Kenizziet, de zoon van Jefoenne, en Josuë, de zoon van Noen; want zij bleven Jahweh getrouw.
13І запалав Господь гнївом проти Ізраїля, і допустив, щоб він блукав по степу сорок років, аж поки не вимерло все кодло, що коїло ледарство перед очима Господа.
13Zo ontstak de toorn van Jahweh tegen Israël en liet Hij ze veertig jaar lang in de woestijn zwerven, tot heel het geslacht, dat kwaad had gedaan in de ogen van Jahweh, was gestorven.
14І се постали ви намість батьків ваших, одріддє грішників, щоб іще побільшити лютість гнїва Господнього на Ізраїля.
14En nu neemt gij de plaats van uw vaderen in, zondig gebroed, en roept gij de grimmige toorn van Jahweh over Israël weer af.
15Коли ж ви одвернетесь від його, так держати ме сей нарід ще довше у степу, і погубите ви увесь нарід сей.
15Zo ge u van Hem afwendt, zal Hij het nog langer in de woestijn laten zwerven, en stort gij heel dit volk in het verderf.
16І приступили вони до його та й промовляли: Побудуємо тут кошарі для стад наших і міста про дїтвору нашу;
16Maar zij traden op hem toe, en zeiden: Wij willen hier enkel schaapskooien bouwen voor onze kudden en steden voor onze kinderen;
17А самі чим швидче узброїмось та й рушимо поперед синів Ізрайлевих, аж приведемо їх на займища їх; а дїти наші остануться в утверджених містах задля осадників країни сієї.
17maar wij zelf zullen strijdvaardig aan de spits van de Israëlieten optrekken, totdat wij ze naar hun bestemming hebben gebracht; intussen zullen onze kinderen dan in versterkte steden kunnen blijven, om tegen de bewoners van het land beveiligd te zijn.
18Не вернемось до господи нашої, поки кожен із синів Ізраїлевих не дістане наслїддя свого.
18Wij keren niet naar huis terug, eer ieder van Israëls kinderen zijn aandeel heeft bekomen.
19Бо не хочемо дїлити з ними наслїддя по другім боцї Йорданї, тим що досталось нам наслїддє наше по сїм боцї Йорданї, на схід соньця.
19Ook zullen we geen erfbezit bij hen krijgen aan de overkant van de Jordaan, zo wij ons erfdeel hebben gekregen aan deze zijde, ten oosten van de Jordaan.
20І каже їм Мойсей: Коли так зробите се дїло, коли узброїтесь на війну перед Господом,
20Toen sprak Moses tot hen: Wanneer gij dit woord gestand doet, en u voor Jahweh ten strijde gordt,
21І всї між вами, що узброєні, пійдуть перед Господом за Йордань, покіль він не прожене ворогів своїх перед собою,
21en gij allen welbewapend de Jordaan overtrekt voor het aanschijn van Jahweh, totdat Hij zijn vijanden voor Zich heeft uitgedreven,
22І впокорена буде земля Господеві, а ви тодї вернетесь, то будете безвинні перед Господом і перед Ізраїльом; і буде земля ся власностю вашою перед Господом.
22en eerst terugkeert als het land aan Jahweh is onderworpen, dan gaat ge vrij uit voor Jahweh en Israël, en zal dit land voor het aanschijn van Jahweh uw eigendom zijn.
23А коли так не вчините, то согрішили ви проти Господа; і знайте, що гріх ваш знайде вас.
23Maar doet ge het niet, dan zondigt ge tegen Jahweh, en zult ge de gevolgen van uw zonde ondervinden.
24Будуйте собі міста про малечу вашу і кошарі про дрібну скотину вашу, та справдїте, що вийшло з уст ваших.
24Bouwt dus steden voor uw kinderen en kooien voor uw schapen, maar doet, wat ge beloofd hebt.
25І промовили сини Гадові і сини Рубенові до Мойсея так: Слуги твої вчинять, що добродїй наш повелїв нам.
25Toen zeiden de zonen van Gad en Ruben tot Moses: Uw dienaren zullen doen, zoals mijn heer heeft bevolen.
26Малеча наша, жени наші, стада наші й уся наша скотина будуть там, у городах Гілеада;
26Onze kinderen en vrouwen, ons vee, en al onze runderen zullen in de steden van Gilad blijven,
27Твої ж слуги, усї на війну узброєні, пійдуть перед Господом на війну, як добродїй мій промовив.
27maar uw dienaren zullen allen, welbewapend, naar de overkant trekken, om voor Jahweh te strijden, zoals mijn heer heeft gezegd.
28І повелїв про них Мойсей Єлеазарові, сьвященникові, та Йозейові Нуненкові, та головам батькових поколїнь Ізраїля;
28Nu gaf Moses den priester Elazar en Josuë, den zoon van Noen, met de familiehoofden van Israëls stammen zijn bevelen betreffende hen.
29І каже до них Мойсей: Коли всї узброєні сини Гадові і сини Рубенові перейдуть з вами перед Господом через Йордань, і впокорена буде земля ся перед вами, так оддасьте їм у державу Гілеад землю;
29Moses zeide: Wanneer de zonen van Gad en van Ruben, allen welbewapend, met u de Jordaan overtrekken, om voor Jahweh te strijden, en het land aan u onderworpen is, dan moet ge hun het land Gilad in eigendom geven;
30Коли ж не узброєні перейдуть вони з вами, тодї нехай оселяться між вами в Канаан землї.
30maar zo ze niet welbewapend met u naar de overkant trekken, dan moeten zij worden gedwongen zich onder u in het land Kanaän te vestigen.
31І відповіли синове Гадові та синове Рубенові кажучи: Як казав Господь слугам твоїм, так зробимо.
31De zonen van Gad en Ruben verzekerden: Wat Jahweh uw dienaars bevolen heeft, zullen ze doen.
32Перейдемо узброєні перед Господом у Канаан землю, а наша наслїдня держава нехай по сїм боцї Йорданї буде.
32Voor Jahweh’s aanschijn zullen wij welbewapend naar het land Kanaän trekken, en eerst dan zullen we aan deze zijde van de Jordaan vaste bezittingen verkrijgen.
33І надїлив їм Мойсей, синам Гадовим та синам Рубеновим та половинї поколїння Манассії, сина Йосифового, царство Сигона, царя Аморіїв, та царство Ога, царя Базанського, землю з городами її, у всїх границях її, міста по всїй країнї.
33Zo gaf Moses aan de zonen van Gad en Ruben en aan de helft van de stam van Manasse, den zoon van Josef, het rijk van Sichon, den koning der Amorieten, en het rijk van Og, den koning van Basjan, zowel de steden van het land als het grondgebied rondom de steden.
34І побудували сини Гадові: Дибон да Атарот та Ароер,
34De zonen van Gad herbouwden de vestingsteden Dibon, Atarot en Aroër,
35Та Атарот-Шофан, та Язер, та Йогбега,
35Atrot-Sjofan, Jazer en Jogbeha,
36Бет-Нимра і Бет-Гаран, утверджені міста і кошарі для дрібної скотини.
36Bet-Nimra, Bet-Haran met haar schaapskooien.
37А сини Рубенові побудували: Гезбон та Єлале та Кирятаїм,
37De zonen van Ruben herbouwden Chesjbon, Elale en Kirjatáim,
38Та Небо та Бааль-Меон, перемінивши їх імена, та Сибму; і подавали нові прізвища містам, що побудували.
38Nebo, Báal-Meon (onder een andere naam) en Sibma, en gaven aan de steden, die ze bouwden, andere namen.
39Сини ж Макіра Манассеєнка двинули на Гілеад і заняли його; і прогнали Аморіїв, що жили там.
39De zonen van Makir, den zoon van Manasse, trokken naar Gilad, veroverden het en verdreven de Amorieten, die daar woonden.
40І надїлив Мойсей Макірові Манассеєнкові Гілеад; і він осївся там.
40Moses gaf Gilad aan Makir, den zoon van Manasse, die zich daar vestigde.
41Яір же Манассієнко пійшов і заняв села їх та й назвав їх Яїровими селами.
41Ook Jaïr, de zoon van Manasse, trok op, veroverde hun kampementen en noemde ze kampementen van Jaïr.
42А Нобах двинув і заняв Кенат і займища його та й назвав його своїм імям Нобах.
42Ook Nóbach trok op, veroverde Kenat met zijn onderhorige plaatsen, en noemde het Nóbach naar zijn eigen naam.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.