4 Мойсея 11
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1І сталось що люде нарікали так, що опротивіло Господеві; і як почув Господь наріканнє, запалав гнїв його, і спихнув огонь між ними, і став пожирати конець табору.
1Eens begon het volk tegen Jahweh te klagen, dat het hun slecht ging. Toen Jahweh dat hoorde, ontstak Hij in gramschap; en het vuur van Jahweh laaide onder hen op, en vernielde een hoek van de legerplaats.
2І заголосили люде до Мойсея, і благав Мойсей Господа, та й потахла пожежа.
2Nu riep het volk tot Moses om hulp; Moses bad tot Jahweh, en het vuur doofde uit.
3І назвали те врочище Табера, бо палало між ними поломя Господнє.
3Hij noemde die plaats Tabera, omdat het vuur van Jahweh onder hen was ontbrand.
4І почав мішаний народ, що був між ними, придумувати забаганки, та й сини Ізрайля плакали: Хто знов, мовляли, годувати ме нас мясивом?
4Een andere keer liet het uitvaagsel, dat zich onder hen ophield, zich door zijn begeerlijkheid meeslepen, zodat ook de Israëlieten weer begonnen te klagen, en zeiden: Gaf men ons maar eens vlees te eten!
5Памятаємо рибу, що за дармо їли в Египтї, огірки й динї, пір і цибулю й чесник;
5Wij denken nog terug aan de vis, die we in Egypte voor niets konden eten, en aan de augurken, meloenen, prei, uien en knoflook;
6А тепер прагне душа наша; нема нїчогісїнько, сама тільки манна перед очима нашими.
6nu drogen we uit, en krijgen we niets dan dat manna te zien.
7А манна була наче насїння корияндрове, а барва її як бделїон.
7Het manna leek op korianderzaad, en zag er uit als geurige hars.
8Блукали люде та й збирали її й мололи в жорнах, або товкли в ступах; і варили її в горшках, та й пекли з неї балабушки; а смаком була вона, як смак у макуха.
8Het volk trok er op uit, om het bijeen te rapen, maalde het met de molen of stampte het fijn in de vijzel, kookte het in een pot, en maakte er koeken van; en het had de smaak van oliegebak.
9І як падала роса на табір у ночі, то падала на його й манна.
9En wanneer des nachts de dauw op de legerplaats viel, daalde ook het manna erop neer.
10І як почув Мойсей людей, що плачуть по семях своїх, кожне коло входу до свого шатра, і вельми запалав гнїв Господень, то стало тяжко Мойсейові.
10Toen Moses het volk hoorde klagen, het ene gezin na het andere, iedereen bij de ingang van zijn tent, ontstak Jahweh in heftige toorn. Maar ook Moses werd boos,
11І промовив Мойсей до Господа: Про що зробив єси горе слузї твому? І чом не знайшов я ласки перед лицем твоїм, що ваготу всього народу сего навалив єси на мене?
11en hij sprak tot Jahweh: Waarom doet Gij uw dienaar dit leed aan, en vind ik zo weinig genade in uw ogen, dat Gij mij de last van heel dit volk maar laat torsen?
12Хиба ж я почав увесь народ той, або породив його, що ти промовив до мене: Неси його на лонї твому, як нянька носить дитя; неси його в землю, що клятьбою обіцяв її батькам їх?
12Heb ik al dat volk soms ontvangen of gebaard, dat Gij tegen mij zegt: Draag het in uw schoot, zoals een verpleegster een zuigeling draagt, naar het land, dat Gij aan hun vaderen onder ede beloofd hebt.
13Звідки взяти менї мясива, щоб нагодувати ввесь оцей люд? бо з плачем приступають вони до мене, говорючи: Дай нам мясива їсти!
13Waar haal ik het vlees vandaan, om aan al dat volk te geven; want het jammert tegen mij: Geef ons toch vlees te eten!
14Не в моготу менї одному нести люд сей; бо за важко на мене.
14Ik kan al dat volk niet alleen dragen: het is mij te zwaar.
15І коли так чиниш зо мною, так уже, коли знайшов я ласку перед лицем твоїм, лучче погуби мене, і нехай не бачу горя більше.
15Wanneer Gij mij zo blijft behandelen, dood mij dan liever, indien ik genade gevonden heb in uw ogen, opdat ik mijn ellende niet langer hoef aan te zien.
16І рече Господь Мойсейові: Склич менї сїмдесять чоловіка із старшини в Ізраїля, про котрих знаєш, що вони старші між народом і проводорі його, і приведи їх до соборного намету, щоб вони стояли там з тобою.
16Toen sprak Jahweh tot Moses: Kies Mij zeventig mannen uit onder de oudsten van Israël, van wie ge weet, dat ze de oudsten van het volk en zijn leiders zijn; breng ze bij de openbaringstent en dat zij zich daar met u opstellen.
17І зійду я і поговоримо там з тобою, і возьму від духа, що на тобі, та й возложу на них, щоб несли з тобою тягар народу, та щоб не одному тобі нести його.
17Dan zal Ik afdalen, en daar met u spreken; Ik zal een deel van de geest nemen, die op u rust, en die over hen uitstorten, zodat zij te zamen met u de last van het volk kunnen dragen, en gij die niet alleen hoeft te torsen.
18А людям скажи: Осьвятїтесь назавтра, так і їсти мете мясиво; плакали бо ви в слухи Господеві, говорючи: Хто дасть нам їсти мясиво? Та ж нам добре було в Египтї; і дасть вам Господь мясива, і їсти мете.
18En tot het volk moet gij zeggen: Heiligt u voor morgen; dan zult gij vlees eten. Want Jahweh heeft u horen klagen: “Gaf men ons maar eens vlees te eten; wat hadden we het in Egypte toch goed!” Ja, Jahweh zal u vlees te eten geven!
19Не один день їсти мете, і не два днї, і не пять день, і не десять день, і не двайцять день.
19En ge zult het eten, niet enkel één dag, niet twee, vijf, tien of twintig dagen,
20А цїлий місяць, аж покіль вертати меться і опротивіє вам; ви бо гордували Господом, що посеред вас, і плакали перед ним, нарікаючи: Чого се вийшли ми з Египту?
20maar een hele maand lang, totdat het uw neus uitkomt en gij ervan walgt; want gij hebt Jahweh veracht, die in uw midden woont, en tegen Hem durven klagen: “Waarom zijn wij uit Egypte getrokken?”
21І сказав Мойсей: Народу, що між ним обертаюсь, шістьдесять тисяч піхоти, а ти промовив: Дам їм мясива, щоб їли цїлий місяць.
21En Moses zei: Het volk waaronder ik toef, is zeshonderd duizend man sterk, en Gij zegt: “Ik zal het een maand lang vlees laten eten!”
22Хиба дрібну й буйну скотину повбивати, щоб стало для них? Або хиба забрати всю рибу, щоб стала для них?
22Kunnen er voor hen genoeg schapen en runderen worden geslacht; of als men alle vissen uit de zee voor hen ving, zou dat genoeg voor hen zijn?
23І рече Господь Мойсейові: Хиба ж за мала рука в Господа? Оце ж побачиш, чи справдиться слово моє, чи нї.
23Jahweh gaf Moses ten antwoord: Is Jahweh’s hand soms te kort? Nu zult ge zien, of mijn woord uitkomt, of niet!
24І вийшов Мойсей, і промовив до люду слова Господнї, і зібрав сїмдесять чоловіка із старших народу і поставив їх навкруги намету.
24Toen trad Moses naar buiten, en deelde het volk mee, wat Jahweh gezegd had. Hij koos zeventig mannen uit onder de oudsten van het volk, en stelde ze op rond de Tent.
25І зійшов Господь у хмарі, і промовив до його, і взяв від духа, що був на йому, і положив на сїмдесять чоловіків старших. І сталось, як дух спустився на них, так стали вони пророкували; та опісля перестали.
25Nu daalde Jahweh neer in de wolk, en sprak tot hem; en Hij nam een deel van de geest, die op Moses rustte, en stortte die over de zeventig oudsten uit. Zodra de geest op hen rustte, profeteerden zij en hielden niet op.
26Два ж чоловіки остались в таборі: один на імя Ельдад, а другий на імя Медад. І спустивсь на них дух, були вони записані, та не виходили до намету, і стали вони пророкувати в таборі.
26Nu waren er twee van die mannen in de legerplaats achtergebleven; de een heette Eldad, de ander Medad. Daar ze waren opgetekend, rustte de geest ook op hen. En ofschoon ze niet naar de Tent waren gegaan, profeteerden ze toch in de legerplaats.
27І прибіг якийсь молодик, та й розказав Мойсейові кажучи: Ельдад і Медад пророкують у таборі.
27Een knaap ging het ijlings aan Moses berichten, en zeide: Eldad en Medad zijn in de legerplaats aan het profeteren.
28І відказав Йозуа Нуненко, що вслуговував Мойсейові з малку, і каже до Мойсея: Добродїю мій, заборони їм.
28En Josuë, de zoon van Noen, die Moses van zijn jeugd af gediend had, drong aan: Moses, mijn meester, belet het hun.
29І каже йому Мойсей: Чого ти ревнуєш за мене? Нехай би ввесь люд Господень зробивсь пророками, і щоб Господь послав на них духа свого.
29Maar Moses gaf hem ten antwoord: Zijt gij afgunstig om mijnentwille? O, mocht heel het volk van Jahweh profeet zijn, omdat Jahweh zijn geest op hen had gelegd!
30І вернувся Мойсей до табору, він і старші мужі Ізрайлеві.
30Daarna trok Moses zich met de oudsten van Israël in het legerkamp terug.
31І повіяло вітром від Господа, і нанесло перепелиць від моря, і накидало їх у табір, на день ходи в один бік і на день ходи в другий, навкруги табору до двох локтів поверх землї.
31Daarop zond Jahweh een wind, die uit de zee kwartels aanvoerde, en ze twee ellen boven de grond over de legerplaats joeg, en rondom de legerplaats een dagreis ver naar alle kanten.
32І вийшли люди, і збирали перепилицї увесь той день і всю ніч, і ввесь день другий; хто мало назбирав, у того було десять гомерів; і розложили їх собі про запас округи табору.
32En het volk bleef heel die dag en die nacht, en nog heel de volgende dag in de weer, om de kwartels te vangen; die het minst ving had nog tien chómer. Zij spreidden ze wijd rond de legerplaats uit.
33Ще ж було мясиво між зубами їх, ще не зʼїли його, а гнїв Господень запалав на людей, і вдарив Господь їх тяжким помором.
33Maar nog was het vlees onverteerd tussen hun tanden of daar barstte Jahweh’s gramschap los tegen het volk, en richtte Jahweh een grote slachting onder hen aan.
34І назвали врочище те Киброт-Гаттаава; бо там поховано людей, що були ласі.
34Daarom noemde men die plaats Kibrot-Hattaäwa; want men begroef daar het volk, dat gulzig was geweest.
35Од Киброт-Гаттаави рушив люд до Газероту; і зупинились вони в Газеротї.
35Van Kibrot-Hattaäwa trok het volk naar Chaserot op, en het bleef te Chaserot.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.