4 Мойсея
Chapter 14
Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

4 Мойсея 14

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1І піднялась уся громада і зняла галас, і плакали люде всю ту ніч.
1Toen begon al het volk in die nacht te schreeuwen en te jammeren.
2І нарікали на Мойсея та на Арона всї сини Ізрайлеві, і мовляла до них вся громада: Ой, бодай би ми були померли в Египецькій землї, або коли б погибли в тій пустинї.
2Alle Israëlieten morden tegen Moses en Aäron, en heel de gemeenschap zei tot hen: Ach, waren we toch in het land van Egypte gestorven, of omgekomen in deze woestijn!
3І про що веде нас Господь у цю землю? Щоб полягти від меча, та щоб жінки наші і дїти наші зробилися здобичею? Хиба ж не лучче нам, вернути в Египет?
3Waarom brengt Jahweh ons naar dit land, waar wij door het zwaard zullen vallen, en onze vrouwen en kinderen een prooi zullen worden? Is het niet beter, dat we terugkeren naar Egypte?
4І мовляли одно одному: Виберемо собі голову над нами, та й вернемось в Египет?
4En onder elkander spraken zij af: Laten we een aanvoerder kiezen; dan gaan we terug naar Egypte!
5І впали Мойсей та Арон на лиця свої ниць перед усією громадою синів Ізрайлевих.
5Toen wierpen Moses en Aäron zich voor heel de verzamelde gemeenschap van Israëls kinderen neer.
6А Йозуа Нуненко та Калеб Єфуненко, вони із тих, що ходили на розглядини в ту країну, пороздирали на собі одїж,
6En Josuë, de zoon van Noen, en Kaleb, de zoon van Jefoenne, die tot de verkenners van het land hadden behoord, scheurden hun kleren,
7І промовили вони до всієї громади синів Ізрайлевих: Земля, що нею переходили ми, щоб розвідати, земля тая дуже, дуже добра.
7en riepen tot heel de gemeenschap der Israëlieten: Het land, dat wij hebben doorkruist, om het te verkennen, is buitengewoon vruchtbaar.
8Коли до нас милость Господня, так приведе нас він в цю землю, та й дасть нам її, земля ж ся тече молоком та медом.
8Zo Jahweh ons genadig is, brengt Hij ons naar dit land, en geeft Hij ons een land, dat druipt van melk en honing.
9Тільки проти Господа не бунтуйтесь; і не лякайтесь людей в тій українї; бо вони будуть хлїбом про нас. Защити в них не стало, а Господь із нами; не лякайтесь їх!
9Neen, weest niet weerspannig tegen Jahweh! Ge behoeft de bewoners van het land niet te vrezen; want ze zijn onze prooi. Hun schaduw is van hen weggegleden, terwijl Jahweh ons bijstaat, vreest hen dus niet.
10І сказала вся громада, щоб каміннєм побити їх. Тодї обявилась слава Господня в соборному наметї перед усїма синами Ізрайлевими.
10Maar reeds maakte heel de gemeenschap aanstalten om hen te stenigen, toen eensklaps de Glorie van Jahweh boven de openbaringstent aan alle Israëlieten verscheen.
11І рече Господь Мойсейові: А докіль ще буде зневажати мене сей люд, і докіль ще не мати муть вони віри менї на всї знамена що я сотворив їх між ними?
11En Jahweh sprak tot Moses: Hoe lang zal dit volk Mij verguizen; hoe lang zal het weigeren in Mij te geloven, ondanks alle tekenen, die Ik onder hen heb verricht?
12Вдарю на них мором і вигублю їх; і зроблю тебе народом, більшим і потужніщим як вони.
12Ik zal hen slaan met de pest, en hen uitroeien; dan maak Ik u tot een groter en machtiger volk!
13І промовив Мойсей до Господа: Почують се Египтяне; бо потугою твоєю випровадив єси люд сей зміж них;
13Maar Moses zeide tot Jahweh: De Egyptenaren hebben gehoord, dat Gij door uw kracht dit volk uit hun midden hebt weggevoerd.
14І скажуть осадникам сієї країни, вони ж чули, що ти, Господе, посеред люду свого, що тебе, Господе, око в око бачять вони, та що хмара твоя стоїть над ними, і в хмаряному стовпі ти сам ідеш поперед ними за дня, в стовпі поломяному в ночі.
14Ook de bewoners van dit land hebben vernomen, dat Gij, Jahweh, te midden van dit volk vertoeft; dat Gij, Jahweh, voor aller ogen verschijnt, en dat uw wolk boven hen staat, dat Gij in een wolkkolom overdag en des nachts in een vuurkolom voor hen uitgaat.
15А вбєш ти люд сей, як одного чоловіка, тодї й говорити муть народи, що чували про славу твою, кажучи:
15Wanneer Gij nu dit volk tot den laatsten man doodt, zullen de volken, die uw faam hebben gehoord, zeggen:
16Тому повбивав Господь їх у степу, що не здолїв привести люд сей в ту землю, що про неї клявся їм.
16Omdat Jahweh niet machtig genoeg was, dit volk naar het land te brengen, dat Hij hun onder ede beloofd had, heeft Hij ze maar in de woestijn vermoord.
17Нехай же оце возвеличиться сила твоя, Господе, як обітував єси словами:
17Toon nu, Heer, de grootheid van uw kracht, zoals Gij zelf hebt gezegd:
18Господь повільний до гнїву і великий милостю, прощає провину й переступи, хоч не вважає безвинним винуватого, карає провину батьківську на синах у третьому й четвертому колїнї.
18Jahweh is lankmoedig en rijk aan genade. Hij vergeeft de zonden en misdaden wel maar laat ze niet ongestraft; Hij wreekt de misdaad van de vaderen op de zonen tot in het derde en vierde geslacht.
19Прости ж провину люду сього по великому милосердю твому, так як простив єси людові сьому від Египту аж досї!
19Ach, vergeef dan de zonde van dit volk volgens uw grote ontferming, zoals Gij dit volk vergeven hebt van Egypte tot hier toe.
20І рече Господь: Прощаю по слову твому.
20Toen sprak Jahweh: Op uw bede schenk Ik vergiffenis.
21Но все таки, так існо, як я живий, сповниться вся земля славою Господньою;
21Maar, zo waarachtig Ik leef, en heel de aarde van de glorie van Jahweh vervuld is,
22Всї ж люде ті, що вбачали славу мою і знамення мої, що я сотворив їх у Египтї і в степу, і спокушували мене десять раз і не слухали голосу мого,
22geen van de mannen, die mijn Glorie hebben aanschouwd, en mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn heb gewrocht, maar Mij nu voor de tiende maal tarten en niet naar mijn stem willen luisteren:
23Вони не побачять землї, що про неї клявсь я батькам їх, всї, що зневажили мене, не бачити муть її.
23geen van hen zal het land aanschouwen, dat Ik hun vaderen onder ede beloofd heb. Niemand, die Mij heeft verguisd, zal het aanschouwen,
24Но слугу мого Калеба, в котрого дух инший, і котрий пійшов за мною, приведу в землю, до якої сам він ходив, і внаслїдує її насїннє його.
24maar mijn dienaar Kaleb, die van een andere geest is bezield en Mij dan ook trouw is gebleven, zal Ik als beloning in het land brengen, waar hij is binnengetreden, en zijn nakomelingschap zal het bezitten.
25Амаликії ж та Канаанїї живуть у долинї; завтра обернїтесь і рушайте в степ по дорозї до Червоного моря.
25(b) Trekt morgen weer de woestijn in, de richting uit van de Rode Zee.
26І рече Господь Мойсейові й Аронові:
26En Jahweh vervolgde tot Moses en Aäron:
27Як довго терпіти менї сю ледачу громаду, що нарікає на мене? Чув я наріканнє синів Ізраїля, котрим дорікають менї.
27Hoe lang zal deze boze gemeenschap nog tegen Mij morren? Het gemor, dat de Israëlieten tegen Mij hebben aangeheven, heb Ik vernomen.
28Скажи їм: Як жив я, мовить Господь: як мовляли ви в слухи менї, так і зроблю з вами.
28Zeg hun: Zo waar Ik leef, is de godsspraak van Jahweh! Zoals zij te mijnen aanhoren hebben gesproken, zo zal Ik met u doen.
29В пустинї сїй поляжуть ваші трупи, всї перелїчені ваші по всїй вашій лїчбі, од двайцяти років і старше, що нарікали на мене.
29In deze woestijn zullen uw lijken vallen: allen, die van u gemonsterd zijn, allen zonder uitzondering, van twintig jaar af: omdat gij tegen Mij hebt gemord.
30Опріч Калеба Єфуненка та Йозуи Нуненка не увійдете ви в землю, котру оддати вам на оселю я, піднявши руку мою, клявся: приведу вас у неї.
30Neen, gij komt het land niet binnen, dat Ik u met opgestoken hand als woonplaats beloofd heb, behalve Kaleb, de zoon van Jefoenne en Josuë, de zoon van Noen.
31Дїточок же ваших, про котрих ви мовляли, що здобичею вони будуть, їх приведу туди, нехай пізнають землю, котрою ви гордували.
31Maar uw kinderen, die gij al tot een prooi hebt verklaard, zal Ik er binnenleiden, en zij zullen het land waarderen, dat gij hebt versmaad.
32Ви ж поляжете трупом в сьому степу;
32Uw lijken zullen in deze woestijn blijven liggen,
33А дїти ваші будуть попасати в пустинї сорок років і носити блудування ваші, покіль не поляжете всї трупом у степу.
33en uw zonen zullen veertig jaar lang in de woestijn blijven zwerven en uw tuchteloos gedrag moeten boeten, totdat uw lijken in de woestijn zijn vergaan.
34По лїчбі сорока днїв, що ходили ви в землю на розвідини, ви понесете кару за гріхи ваші сорок років, один рік за один день, щоб ви зрозуміли, що се значить, як я одвернусь від вас.
34Zoals gij veertig dagen het land hebt verkend, zo zullen zij veertig jaren uw misdaden boeten, een jaar voor iedere dag. Zo zult ge beseffen wat mijn afkeer betekent,
35Сам я, Господь, говорю і зроблю так з ледачою сією громадою, що встала проти мене! У степу сьому вони погибнуть і помруть.
35Ik, Jahweh, heb het gezegd! Zo zal Ik doen met heel deze boze gemeenschap, die tegen Mij heeft samengespannen; in deze woestijn zullen zij omkomen, daar zullen zij sterven.
36І чоловіки, що посилав їх Мойсей на розвідини в ту землю, і що вернувшись, рознесли погану поголоску про сю землю, і довели цїлу громаду до нарікання на мене.
36De mannen nu, die Moses had uitgezonden, om het land te verkennen, en die bij hun terugkeer heel de gemeenschap tegen Hem hadden doen morren, door praatjes over dat land te vertellen,
37Ті мужі, що рознесли погану поголоску про землю, померли від пошестї перед Господом.
37de mannen, die dergelijke lasterpraat hadden verspreid, stierven voor het aanschijn van Jahweh een plotselinge dood.
38Но Йозуа Нуненко та Калеб Єфуненко зостались живими із тих чоловіків, що ходили на провідки землї.
38Van al de mannen, die het land waren gaan verkennen, bleven alleen Josuë, de zoon van Noen, en Kaleb, de zoon van Jefoenne, in leven.
39І як промовив Мойсей слова ті до всїх синів Ізрайлевих, то сумували люде вельми.
39Toen Moses dit alles aan de Israëlieten had overgebracht, werd het volk diep bedroefd.
40І вставши вранцї, щоб зійти на верховини гір, казали: Ось ми ту і рушимо до того місця, про яке казав Господь; бо ми провинили.
40Vroeg in de volgende morgen wilden zij de top van de berg beklimmen, en riepen: Zie, we trekken al op naar de plaats, waarvan Jahweh gesproken heeft; want we hebben gezondigd!
41І каже Мойсей: Чого ви хочете переступити слово Господнє? Не вдасться бо вам!
41Maar Moses sprak: Waarom overtreedt ge Jahweh’s bevel? Het zal u niet lukken.
42Не рушайте в гори, бо нема Господа між вами; а то побють вас вороги ваші;
42Trekt niet op; want Jahweh is niet in uw midden. Ge zult zeker door uw vijanden worden verslagen;
43Бо там Амелекії та Канаанїї перед вами, і поляжете від меча їх. Ви одвернулись від Господа; тому не буде Господь з вами.
43want de Amalekieten en Kanaänieten staan daar tegenover u. Door het zwaard zult ge vallen; want gij hebt u van Jahweh afgekeerd, en Jahweh staat u niet bij.
44Та зʼосьмілились вони піднятись на гірські верховини; тільки скриня завіту Господнього і Мойсей не рушили із табору. І зійшли з гори Амалекії та Канаанїї, що жили на тих горах, та й побили їх, і загнали аж до Горми.
44Maar ze waren vermetel genoeg, om toch de top van de berg te bestijgen, ofschoon de ark van Jahweh’s Verbond en Moses de legerplaats niet verlieten.
no verse 45 in this text
45Doch de Amalekieten en Kanaänieten, die op de berg woonden, kwamen naar beneden, versloegen ze, en dreven ze terug tot Chorma toe. En de Amalekieten en Kanaänieten hielden het laagland bezet.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.