Екклезіаста
Chapter 4

Екклезіаста

Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Екклезіаста 4

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1І обернувсь я, й побачив всяку пригнобу, що дїється під сонцем, і бачив сльози пригноблених, що нема їм утїшителя; а тут у руках гнобителїв — сила, за тих же нїхто не заступиться.
1Dan weer beschouwde ik alle verdrukkingen, Die er onder de zon voorkomen: Ik zag de tranen der verdrukten, en niemand gaf troost; De onderdrukkers pleegden geweld, en niemand bood hulp.
2І вважав я тих, що померли, щаслившими над живих, — тих, що вже нема на сьвіті, над тих, що живі ще;
2Daarom prees ik de doden gelukkig, reeds lang ontslapen, Boven hen, die nog in leven zijn;
3А над сих і тих щаслившими — ще ненароджених на сьвіт, що не бачили того зла, яке дїється під сонцем.
3En gelukkiger nog dan hen beiden Degenen, die nog niet hebben bestaan. Want zij zagen nog niet het boze gedoe, Dat er plaats heeft onder de zon.
4Бачив я таки, що всяка праця й всяка користь з роботи викликує зависть між людьми. Та й се — марнота й мука духові.
4Verder zag ik van alle moeite en inspanning, Dat ze worden aangewend uit naijver jegens elkander; Ook dat is ijdelheid en jagen naar wind.
5Дурень той, хто седить, склавши руки, й гризе власне тїло, приговорюючи:
5Wel is het een dwaas, die de hand in de schoot legt En zijn eigen vlees verteert;
6Лучше жменя в спокою над пригорщі, повні працї й марного силкування.
6Maar toch is een handvol rust meer waard, Dan beide handen vol tobben en jagen naar wind.
7І знов я обернувся, та й побачив марноту під сонцем:
7Nog zag ik een andere dwaasheid onder de zon:
8Людина собі одинока, нї сина, нї брата, а не перестає працювати, очі його ненаситні на багацтво. Та кому ж се я дбаю, й позбавляю душу мою всякого добра? Та й се — марнота й недобра робота!
8Al staat iemand geheel alleen, En heeft hij geen kinderen of verwanten. Toch komt er aan zijn zwoegen geen einde, En zijn oog heeft nooit rijkdom genoeg. Voor wien dan sloof ik mij uit, En ontzeg ik mij alle genot? Ook dit is dwaas en een ellendig bestaan.
9Двом лучше, нїж одному, вони бо мають більшу користь із своєї працї;
9Met tweeën is beter dan alleen; Dat geeft beiden een groot voordeel bij het werk.
10Бо як один упаде, другий підніме свого товариша. Горе ж одинокому, як упаде, а нема другого, що підняв би його.
10Want als de één komt te vallen, Helpt de ander hem op. Maar wee den eenling, als hij valt; Want hij heeft geen makker, die hem opbeurt.
11Так само, як лежать удвох, — їм тепло; а хто самітен, як йому нагрітись?
11Zo ook, slapen er twee bij elkander. Dan hebben beiden het warm. Maar hoe krijgt de eenling het warm?
12І коли хто подужає одного, то удвох встоять проти його. Троіста нитка не так хутко рветься.
12En wanneer men den één overvalt, Bieden zij samen weerstand: Een drievoudig snoer breekt niet licht.
13Лучший убогий та розумний молодик, нїж старий, а дурний царь, що не вміє приймати поради;
13Beter een verstandige jongeman, al is hij ook arm. Dan een oude en onverstandige koning, Die niet meer naar raad weet te luisteren:
14Бо той, вийшовши з темницї, стане царем, дарма що в свойму царстві родився убогим.
14Al komt de eerste uit de gevangenis op de troon, En is hij arm geboren in zijn eigen rijk.
15Бачив я між усїма, що ходять під сонцем, із тим другим молодиком, що займе опісля місце тамтого.
15Ik zag, hoe alle levenden, Die er rondliepen onder de zon, De zijde kozen van den eerste, den jonge, Die de plaats wilde innemen van den ander;
16Безлїч було народу перед ним, а пізнїйші не будуть радуватись ним. І се марнота та мука духові.
16Ontelbaar was de menigte, Die zich bij hem aansloot. Toch zal het nageslacht geen vreugd aan hem beleven; Ook dat is ijdel en jagen naar wind.
17Уважай на ногу твою, йдучи в дом Божий, і будь готовий, скорше слухати, нїж приносити жертви робом дурнїв, що навіть не знають, як вони не гаразд чинять.
no verse 17 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.