Екклезіаста
Chapter 8

Екклезіаста

Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Екклезіаста 8

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Хто рівен премудрому — а все ж таки хто розуміє значіннє річей? — Мудрість у чоловіка розяснює лице його й перемінює насуплений вид його.
1Wie is er aan den wijze gelijk; Wie kent de verklaring der dingen? ‘s Mensen wijsheid doet zijn aangezicht stralen, En verandert de stuursheid van zijn gelaat.
2Я кажу: Чини волю царську, а се — задля присяги перед Богом.
2Neem het bevel van den koning in acht, Om de aan God gezworen eed;
3Не квап оддалятись од його; не будь упрямим в ледачому дїлї; бо він, що схоче, все може зробити.
3Val niet roekeloos van hem af, En laat u niet in met gevaarlijke zaken. Want de koning doet, wat hij wil; Zijn woord is oppermachtig;
4Слово царське потужне; хто зважиться сказати йому: Що ти робиш?
4Wie kan hem zeggen: wat doet gij?
5Хто певнить накази, той не дознає лиха; серце в мудрого знає й час і спосіб;
5Wie de wet onderhoudt, zal geen kwaad ondervinden. Een verstandig mens denkt aan de tijd van het oordeel;
6Про всяку бо річ є час і спосіб, тільки чоловікові лихо з тим,
6Want de tijd van het oordeel breekt voor iedereen aan. Maar de boosheid legt een benauwende druk op den mens;
7Що він не знає, що станеться, а хто ж скаже йому, як воно станеться?
7Want hij weet niet, wat hem nog wacht, En niemand kan hem zeggen, wanneer het zal komen.
8Нїхто не властен над духом, щоб здержати дух, і нема в його сили проти дня смертї, нема й пільги в службі віськовій, і провина не вирятує винуватого.
8Geen mens is meester van zijn leven, Niemand heeft de levensgeest in zijn macht; Hij is geen heer over de dag van zijn dood. Niemand wordt vrijgesteld van die strijd, En zeker wordt niemand gered door zijn slechtheid.
9Все це я вбачав, звертаючи ввагу на те, що дїється під сонцем. Буває часом, що один чоловік панує над другим чоловіком на шкоду йому.
9Dit alles heb ik gezien, Toen ik aandacht schonk aan alles, Wat er onder de zon gebeurt. Soms gebruikt de mens zijn macht tot nadeel van anderen.
10Так бачив я, що ховали чесно безбожників, приходили й відходили з сьвятого місця, й забувано їх у містї, де вони так поводились. Та й се марнота.
10Zo zag ik, dat goddelozen een begrafenis kregen, Terwijl zij, die goed hadden gehandeld, Ver van de heilige plaats moesten wegtrekken, En in de stad werden vergeten. Ook dat is ijdelheid!
11Суд над лихими вчинками не хутко судиться; через те й не лякаєсь серце людське, чинити зло.
11Omdat de straf niet onmiddellijk op de zonde volgt, Daarom zint het hart van den mens op kwaad.
12Та хоч грішник сто раз коїть лихе й тріває в йому, то я знаю, що тільки богобоязливим буде добре, хто почуває почесть перед лицем його;
12Maar al blijft soms de zondaar lange tijd leven, Ofschoon hij honderdmaal kwaad doet: Toch weet ik zeker, dat het hùn goed gaat, Die Gods aanschijn vrezen.
13А безбожному не буде щастя й, немов би тїнь, не довго пробуде такий, хто не боїться Бога.
13Maar den zondaar gaat het niet goed; Zijn dagen worden vluchtig als een schaduw, Omdat hij Gods aanschijn niet vreest.
14Ще ж, буває й ось така марнота на землї: Праведних постигає те, що заслуговали б учинки безбожних, а з безбожними дїється таке, що заслуговали б учинки праведних. І сказав я: та й се — марнота!
14Toch doet zich op aarde deze ijdelheid voor: Soms gaat het de braven naar de werken der bozen, En de zondaars soms naar de werken der braven. En ik dacht: ook dat is ijdelheid.
15От і вхвалив я веселощі; бо нема нїчого лучшого чоловікові під сонцем, як їсти, пити й веселим серцем уживати; се ж супроводить його в працї в днях життя його, що дав йому Бог під сонцем.
15Daarom prees ik de vreugde; Want er is voor den mens geen ander geluk onder de zon, Dan te eten en te drinken en zich te verheugen. Moge dit bij zijn zwoegen hem steeds vergezellen Alle levensdagen, die God hem geeft onder de zon.
16Як звернув я серце моє на те, щоб зрозуміти мудрість і розгледїти все, що дїється на землї, де то чоловік нї в день нї в ночі не має сну, —
16Toen ik mij beijverde, wijsheid te verwerven, En de moeite bezag, die de mens zich op aarde getroost, En hoe dag en nacht zijn ogen geen slaap zien:
17Тодї спізнав я по всїх дїлах Божих, що людина не второпає того, що дїється під сонцем. Скільки б нї силкувався чоловік дослїдити, він все таки не здолїє виглибити того; і коли б який мудрець сказав, що він знає, то таки він не може того дослїдити.
17Toen begreep ik, dat het enkel Gods werk is, En dat de mens geen verklaring kan vinden Van wat er plaats grijpt onder de zon. Daarom tobt de mens zich af met zoeken, Maar hij zal het niet vinden; En al meent de wijze het ook te verstaan, Hij kan het niet vatten.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.