ΕΚΚΛΗΣΙΑΣΤΗΣ 8
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΤΙΣ οἶδε σοφούς; καὶ τίς οἶδε λύσιν ρήματος; σοφία ἀνθρώπου φωτιεῖ πρόσωπον αὐτοῦ, καὶ ἀναιδὴς προσώπῳ αὐτοῦ μισηθήσεται.
1Wie is er aan den wijze gelijk; Wie kent de verklaring der dingen? ‘s Mensen wijsheid doet zijn aangezicht stralen, En verandert de stuursheid van zijn gelaat.
2στόμα βασιλέως φύλαξον καὶ περὶ λόγου ὅρκου Θεοῦ μὴ σπουδάσῃς.
2Neem het bevel van den koning in acht, Om de aan God gezworen eed;
3ἀπὸ προσώπου αὐτοῦ πορεύσῃ, μὴ στῇς ἐν λόγῳ πονηρῷ· ὅτι πᾶν ὃ ἐὰν θελήσῃ, ποιήσει,
3Val niet roekeloos van hem af, En laat u niet in met gevaarlijke zaken. Want de koning doet, wat hij wil; Zijn woord is oppermachtig;
4καθὼς βασιλεὺς ἐξουσιάὑζων, καὶ τίς ἐρεῖ αὐτῷ· τί ποιεῖς;
4Wie kan hem zeggen: wat doet gij?
5ὁ φυλάσσων ἐντολὴν οὐ γνώσεται ρῆμα πονηρόν, καὶ καιρὸν κρίσεως γινώσκει καρδία σοφοῦ·
5Wie de wet onderhoudt, zal geen kwaad ondervinden. Een verstandig mens denkt aan de tijd van het oordeel;
6ὅτι παντὶ πράγματί ἐστι καιρὸς καὶ κρίσις, ὅτι γνῶσις τοῦ ἀνθρώπου πολλὴ ἐπ᾿ αὐτὸν·
6Want de tijd van het oordeel breekt voor iedereen aan. Maar de boosheid legt een benauwende druk op den mens;
7ὅτι οὐκ ἔστι γινώσκων τί τό ἐσόμενον ὅτι καθὼς ἔσται τίς ἀναγγελεῖ αὐτῷ;
7Want hij weet niet, wat hem nog wacht, En niemand kan hem zeggen, wanneer het zal komen.
8οὐκ ἔστιν ἄνθρωπος ἐξουσιάζων ἐν πνεύματι τοῦ κωλῦσαι σὺν τὸ πνεῦμα· καὶ οὐκ ἔστιν ἐξουσία ἐν ἡμέρᾳ θανάτου, καὶ οὐκ ἔστιν ἀποστολὴ ἐν ἡμέρᾳ πολέμου, καὶ οὐ διασώσει ἀσέβεια τὸν παρ᾿ αὐτῆς.
8Geen mens is meester van zijn leven, Niemand heeft de levensgeest in zijn macht; Hij is geen heer over de dag van zijn dood. Niemand wordt vrijgesteld van die strijd, En zeker wordt niemand gered door zijn slechtheid.
9καὶ σὺν πᾶν τοῦτο εἶδον καὶ ἔδωκα τὴν καρδίαν μου εἰς πᾶν τὸ ποίημα, ὃ πεποίηται ὑπὸ τὸν ἥλιον, τὰ ὅσα ἐξουσιάσατο ὁ ἄνθρωπος ἐν ἀνθρώπῳ τοῦ κακῶσαι αὐτόν.
9Dit alles heb ik gezien, Toen ik aandacht schonk aan alles, Wat er onder de zon gebeurt. Soms gebruikt de mens zijn macht tot nadeel van anderen.
10καὶ τότε εἶδον ἀσεβεῖς εἰς τάφους εἰσαχθέντας, καὶ ἐκ τοῦ ἁγίου, καὶ ἐπορεύθησαν καὶ ἐπῃνέθησαν ἐν τῇ πόλει, ὅτι οὕτως ἐποίησαν· καί γε τοῦτο ματαιότης.
10Zo zag ik, dat goddelozen een begrafenis kregen, Terwijl zij, die goed hadden gehandeld, Ver van de heilige plaats moesten wegtrekken, En in de stad werden vergeten. Ook dat is ijdelheid!
11ὅτι οὐκ ἔστι γινομένη ἀντίρρησις ἀπὸ τῶν ποιούντων τὸ πονηρὸν ταχύ· διὰ τοῦτο ἐπληροφορήθη καρδία υἱῶν τοῦ ἀνθρώπου ἐν αὐτοῖς τοῦ ποιῆσαι τὸ πονηρόν.
11Omdat de straf niet onmiddellijk op de zonde volgt, Daarom zint het hart van den mens op kwaad.
12ὃς ἥμαρτεν, ἐποίησε τὸ πονηρὸν ἀπὸ τότε καὶ ἀπὸ μακρότητος αὐτῶν· ὅτι καί γε γινώσκω ἐγὼ ὅτι ἐστὶν ἀγαθὸν τοῖς φοβουμένοις τὸν Θεόν, ὅπως φοβῶνται ἀπὸ προσώπου αὐτοῦ.
12Maar al blijft soms de zondaar lange tijd leven, Ofschoon hij honderdmaal kwaad doet: Toch weet ik zeker, dat het hùn goed gaat, Die Gods aanschijn vrezen.
13καὶ ἀγαθὸν οὐκ ἔσται τῷ ἀσεβεῖ, καὶ οὐ μακρυνεῖ ἡμέρας ἐν σκιᾷ ὃς οὐκ ἔστι φοβούμενος ἀπὸ προσώπου τοῦ Θεοῦ.
13Maar den zondaar gaat het niet goed; Zijn dagen worden vluchtig als een schaduw, Omdat hij Gods aanschijn niet vreest.
14ἔστι ματαιότης, ἣ πεποίηται ἐπὶ τῆς γῆς, ὅτι εἰσί δίκαιοι ὅτι φθάνει ἐπ᾿ αὐτοὺς ὡς ποίημα τῶν ἀσεβῶν, καὶ εἰσὶν ἀσεβεῖς ὅτι φθάνει πρὸς αὐτοὺς ὡς ποίημα τῶν δικαίων· εἶπα ὅτι καί γε τοῦτο ματαιότης.
14Toch doet zich op aarde deze ijdelheid voor: Soms gaat het de braven naar de werken der bozen, En de zondaars soms naar de werken der braven. En ik dacht: ook dat is ijdelheid.
15καὶ ἐπῃ£νεσα ἐγὼ σὺν τὴν εὐφροσύνην, ὅτι οὐκ ἔστιν ἀγαθὸν τῷ ἀνθρώπῳ ὑπὸ τὸν ἥλιον, ὅτι εἰ μὴ φαγεῖν καὶ τοῦ πιεῖν καὶ τοῦ εὐφρανθῆναι, καὶ αὐτὸ συμπροσέσται αὐτῷ ἐν μόχθῳ αὐτοῦ ἡμέρας ζωῆς αὐτοῦ, ὅσας ἔδωκεν αὐτῷ ὁ Θεὸς ὑπὸ τὸν ἥλιον.
15Daarom prees ik de vreugde; Want er is voor den mens geen ander geluk onder de zon, Dan te eten en te drinken en zich te verheugen. Moge dit bij zijn zwoegen hem steeds vergezellen Alle levensdagen, die God hem geeft onder de zon.
16Ἐν οἷς ἔδωκα τὴν καρδίαν μου τοῦ γνῶναι τὴν σοφίαν καὶ τοῦ ἰδεῖν τὸν περισπασμὸν τὸν πεποιημένον ἐπὶ τῆς γῆς, ὅτι καὶ ἐν ἡμέρᾳ καὶ ἐν νυκτὶ ὕπνον ὀφθαλμοῖς αὐτοῦ οὐκ ἔστι βλέπων.
16Toen ik mij beijverde, wijsheid te verwerven, En de moeite bezag, die de mens zich op aarde getroost, En hoe dag en nacht zijn ogen geen slaap zien:
17καὶ εἶδον σὺν πάντα τὰ ποιήματα τοῦ Θεοῦ, ὅτι οὐ δυνήσεται ἄνθρωπος τοῦ εὑρεῖν σὺν τὸ ποίημα τὸ πεποιημένον ὑπὸ τὸν ἥλιον. ὅσα ἂν μοχθήσῃ ἄνθρωπος τοῦ ζητῆσαι, καὶ οὐχ εὑρήσει· καί γε ὅσα ἂν εἴπῃ σοφὸς τοῦ γνῶναι, οὐ δυνήσεται τοῦ εὑρεῖν.
17Toen begreep ik, dat het enkel Gods werk is, En dat de mens geen verklaring kan vinden Van wat er plaats grijpt onder de zon. Daarom tobt de mens zich af met zoeken, Maar hij zal het niet vinden; En al meent de wijze het ook te verstaan, Hij kan het niet vatten.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.