Дїяння
Chapter 7
Kulish and Puluj Bible (…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Petrus Canisius Bi…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Old Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionVietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Дїяння 7

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Каже тодї архиєрей: Чи справдї се так?
1De hogepriester vroeg, of het waar was.
2Він же рече: Мужі брати й батьки, слухайте: Бог слави явивсь отцеві нашому Авраамові, як був у Мезопотамії, перш нїж оселив ся він у Харані,
2Toen nam hij het woord Mannen, broeders en vaders, luistert. De God van Majesteit verscheen aan onzen vader Abraham, toen hij nog in Mesopotámië woonde, en eer hij zich in Charán vestigde.
3і рече до него: вийди з землї твоєї, і з родини твоєї, та йди в землю, що я тобі покажу.
3En Hij sprak tot hem: Verlaat uw land en uw familie, en ga naar het land, dat Ik u zal tonen.
4Тодї вийшовши з землї Халдейської, оселив ся він у Харанї, а звідтіля, як умер батько його, переселив його (Бог) у сю землю, де ви тепер живете.
4Toen vertrok hij uit het land der Chaldeën, en vestigde zich te Charán. En van daar deed Hij hem, na de dood van zijn vader, naar dit land verhuizen, dat gij nu bewoont.
5І не дав йому наслїддя в нїй нї на ступінь ноги, а обіцяв дати йому її в державу і насїнню його після него, як не було в него дитини.
5Wel gaf Hij hem geen enkel erfdeel, geen voetbreed zelfs; maar Hij beloofde, het in bezit te geven aan hem en aan zijn geslacht na hem, hoewel hij geen kind had.
6Глаголав же Бог так, що буде насїннє його захожим у землї чужій, і підневолять його, і мучити муть чотириста років.
6Nog zeide hem God dat zijn kinderen als ballingen zouden wonen in een vreemd land, en dat men ze tot slaven zou maken en mishandelen, vierhonderd jaar lang.
7А народ, котрому служити муть, буду я судити, рече Бог; і після того вийдуть вони, та служити муть менї у місцї сьому.
7Maar het volk, wiens slaven ze zullen zijn, zal Ik oordelen, sprak God. Daarna zullen ze uittrekken, en Mij in deze plaats dienen.
8І дав йому завіт обрізання; і так породив Ісаака, та й обрізав його восьмого дня; а Ісаак породив Якова, а Яков дванайцять патриярхів.
8Ook gaf Hij hem het Verbond der besnijdenis. Toen kreeg hij Isaäk, en besneed hem op de achtste dag; en Isaäk kreeg Jakob, en Jakob de twaalf aartsvaders.
9А патриярхи через зависть продали Йосифа в Єгипет; і був з ним Бог,
9En de aartsvaders waren jaloers op Josef, en verkochten hem naar Egypte. Maar God was met hem,
10і визволив його з усякого горя його, і дав йому ласку та премудрість перед Фараоном, царем Єгипецьким; і настановив його той правителем над Єгиптом і над усією господою своєю.
10en verloste hem uit al zijn ellende; Hij schonk hem gunst en wijsheid bij Fárao, den koning van Egypte, en deze stelde hem aan tot bestuurder van Egypte en van heel zijn huis.
11Прийшла ж голоднеча на всю землю Єгипецьку та Канаанську, та горе велике; і не знайшли поживи отцї наші.
11Toen kwam er hongersnood over heel Egypte en Kánaän, en grote ellende; en onze vaders vonden geen voedsel meer.
12Почувши ж Яков, що є пшениця в Єгиптї, післав отцїв наших найперш.
12Toen Jakob vernam, dat er graan was in Egypte, zond hij onze vaders er heen, een eerste maal.
13А другого разу був пізнаний Йосиф од братів своїх; і став ся знаним Фараонові рід Йосифів.
13En de tweede maal maakte Josef zich aan zijn broers bekend, en ook Fárao leerde Josefs afkomst kennen.
14Піславши ж Йосиф, прикликав батька свого Якова і всю родину свою, сїмдесять і пять душ.
14Nu liet Josef zijn vader Jakob ontbieden, met heel zijn familie. die uit vijf en zeventig mensen bestond.
15Прийшов же Яков у Єгипет, і вмер, він і отцї наші,
15Jakob zakte af naar Egypte, en daar stierven hij en onze vaders.
16і перенесено їх у Сихем, і положено в гробі, що купив Авраам цїною срібла в синів Ємора Сихемевого.
16Ze werden naar Sikem overgebracht en bijgezet in het graf, dat Abraham voor geld had gekocht van de zonen van Hemor in Sikem.
17Як же наближував ся час обітування, котрим кляв ся Бог Авраамові, ріс народ і намножувавсь у Єгиптї,
17Toen de tijd der belofte begon te naderen, die God aan Abraham had gedaan, nam het volk in aantal toe, en werd het talrijk in Egypte,
18аж поки настав инший цар, що не знав уже Йосифа.
18totdat er in Egypte een andere koning kwam, die Josef niet had gekend.
19Сей, хитрий проти роду нашого, мучив отцїв наших, щоб викидали дїток своїх, щоб не бути їм живими.
19Deze, een arglistig belager van ons geslacht, mishandelde onze vaders, door ze te dwingen, hun kinderen weg te werpen, en uit te sterven.
20Того часу родивсь Мойсей, і був угоден Богу; годовано його три місяцї в хатї батька його.
20In die tijd werd Moses geboren, en hij was welgevallig aan God. Drie maanden lang werd hij in het huis van zijn vader verzorgd.
21Як же викинуто його, взяла його дочка Фараонова, й вигодувала його собі за сина.
21En toen men hem te vondeling legde, nam de dochter van Fárao hem aan, en voedde hem op als haar eigen zoon.
22І навчивсь Мойсей усієї Єгипецької мудрости, був же потужний у словах і в дїлах.
22Nu werd Moses onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en hij werd machtig in woorden en daden.
23Як же сповнивсь йому сороколїтний час, забажало серце його одвідати братів своїх, синів Ізраїлевих.
23Toen hij veertig jaar was geworden, kwam het op in zijn hart, zich het lot van zijn broeders, de zonen Israëls, aan te trekken.
24І, побачивши одного обиженого, уступив ся за него, тай помстив ся за обиженого, вбивши Єгиптянина.
24En toen hij zag, dat een van hen werd mishandeld nam hij zijn verdediging op, en wreekte den mishandelde, door den Egyptenaar neer te slaan.
25Думав же, що зрозуміють брати його, що Бог його рукою дає їм спасеннє; вони ж не зрозуміли.
25Nu meende hij, dat de broeders zouden begrijpen, dat God hun redding bracht door zijn hand; maar ze begrepen het niet.
26Другого ж дня явив ся їм, як бились, і приводив їх до поєднання, говорячи: Мужі, ви брати; за що ви обижаєте один одного?
26Want de volgende dag kwam hij bij een twist tussenbeide, trachtte de twistenden tot vrede te brengen, en sprak: “Mannen, gij zijt broeders: Waarom doet gij elkander onrecht?”
27Той же, що обижав ближнього, відопхнув його, кажучи: Хто тебе настановив князем і суддею над нами?
27Maar hij, die den ander onrecht deed, wees hem af, en zeide: “Wie heeft u tot hoofd en rechter over ons gesteld?
28Чи й мене хочеш убити, як убив єси вчора Єгиптянина?
28Wilt ge ook mij doden, zoals ge gisteren den Egyptenaar hebt gedood?”
29Утїк же Мойсей за словом сим, і зайшов у землю Мадиямську, де зродив двох синів.
29Hierop nam Moses de vlucht, en woonde als balling in het land van Midjan, waar hij twee zonen kreeg.
30А як уплило сорок років, явивсь йому в пустинї під горою Синаєм ангел Господень у поломї огняного куща.
30Veertig jaar later verscheen hem in de woestijn van de berg Sinaï een engel in de vlam van een brandend braambos
31Мойсей же побачивши дивувавсь видїннєм; як же приступив він, щоб придивитись, роздав ся голос Господень до него:
31Bij het zien der verschijning stond Moses verbaasd; en toen hij nader trad, om scherper toe te zien, klonk hem de stem des Heren tegen:
32Я Бог отцїв твоїх, і Бог Авраамів, і Бог Ісааків, і Бог Яковів. Затрусившись же Мойсей, не одважив ся придивлятись.
32“Ik ben de God uwer vaderen, de God van Abraham, van Isaäk en Jakob.” Sidderend van angst, durfde Moses niet langer toe te zien.
33Рече ж йому Господь: Роззуй обувє ніг твоїх, бо місце, на котрому стоїш, — земля сьвята.
33En de Heer sprak tot hem: “Doe de schoenen van uw voeten; want de plaats, waar ge staat, is heilige grond.
34Дивившись видїв я муку народу мого в Єгиптї, і стогнаннє його чув я, і зійшов визволити його. І тепер іди, пішлю тебе в Єгипет.
34Ik heb de mishandeling van mijn volk in Egypte gezien, en zijn zuchten gehoord; en Ik ben neergedaald, om hen te verlossen. Ik zend dus u naar Egypte.”
35Сього Мойсея, котрого відцурались вони, кажучи: хто тебе настановив князем та суддею над нами? сього Бог князем і збавителем післав рукою ангела, що явивсь йому в кущі (корчі).
35Dezen Moses, dien zij verloochenden, toen ze zeiden: “Wie heeft u tot heer en rechter gesteld”, hem heeft Gòd als hoofd en verlosser gezonden door middel van een engel, die hem in het braambos verscheen.
36Сей вивів їх, робивши чудеса та ознаки в Єгиптї, й на Червоному морі, і в пустинї сорок років.
36En hij heeft ze doen uittrekken, en wonderen en tekenen verricht in het land van Egypte, aan de Rode Zee en in de woestijn, veertig jaar lang.
37Се той Мойсей, що сказав синам Ізраїлевим: Поставить вам Господь Бог ваш пророка з братів ваших, як мене; Його слухайте.
37Deze Moses is het, die tot de kinderen Israëls gezegd heeft “God zal voor u uit uw broeders een Profeet doen opstaan, aan mij gelijk; luistert naar hem.”
38Се той, що був у зборі в пустинї з ангелом, котрий промовляв до него на горі Синаї, та з отцями нашими, що прийняв живі слова, щоб дати нам.
38Deze is het, die bij de gemeente in de woestijn de middelaar was tussen onze vaderen en den engel, die op de berg Sinaï tot hem sprak; hij is het, die de woorden des levens ontving, om ze u over te brengen.
39Котрому не хотїли слухняними бути отцї наші, а відопхнули його, і обернулись серцем у Єгипет,
39Maar onze vaderen wilden hem niet gehoorzamen, doch ze wezen hem af, keerden hun hart naar Egypte,
40говорячи Ааронові: Зроби нам богів, котрі б ійшли перед нами; бо Мойсей той, що вивів нас із Єгипту, не знаємо, що стало ся з ним.
40en zeiden tot Aäron “Maak ons goden, die voor ons uit zullen gaan; want die Moses, die ons uit het land van Egypte deed trekken: we weten niet, wat er met hem is gebeurd”.
41І зробили телця в днї ті, і приносили посьвяти ідолу, і втїшались дїлами рук своїх.
41En ze maakten een kalf in die dagen, brachten het afgodsbeeld een offer, en verlustigden zich in hun eigen maaksel.
42Одвернув ся ж Бог і попустив їх кланятись воїнству небесному, як написано в книзї пророків: Хиба заколене та посьвяти приносили ви менї сорок років у пустинї, доме Ізраїлїв?
42Maar God keerde Zich van hen af, en gaf ze aan de eredienst prijs van het leger des hemels zoals geschreven staat in het boek der profeten “Hebt gij Mij soms slacht- en brandoffers gebracht In de woestijn, huis van Israël, veertig jaar lang?
43Нї, ви підняли намет Молохів і зорю бога вашого Ремфана, боввани, що поробили на поклоненнє їм; і переселю я вас дальш Вавилона.
43Of hebt gij de tent van Molok gedragen, En het sterrebeeld van Romfa: De beelden, die gij gemaakt hebt, Om u daarvoor neer te werpen? Ik voer u weg verder nog dan Bábylon.”
44Намет сьвідчення був у отцїв наших у пустинї, як звелїв Той, хто глаголав Мойсейові зробити його по взорцеві, який бачив.
44Onze vaderen hadden in de woestijn de openbaringstent naar het voorschrift van Hem, die tot Moses gezegd had, ze naar het model te maken, dat hij gezien had.
45Котрий також узявши отцї наші винесли з Ісусом у державу поган, що прогнав Бог од лиця отцїв наших, аж до днїв Давидових.
45Onze vaderen namen haar mee, en brachten haar onder Jósuë’s geleide in het erfdeel der heidenen, die God voor het aanschijn onzer vaderen verdreef, tot aan de dagen van David.
46Котрий знайшов ласку перед Богом, і просив, щоб знайти намет для Бога Якового.
46Deze vond genade in het oog van God, en bad, om een woonplaats te vinden voor Jakobs God.
47Соломон же збудував йому храм.
47En Sálomon bouwde Hem een woning
48Тільки ж Вишнїй не в рукотворних церквах домує, як глаголе пророк:
48Maar de Allerhoogste woont niet in wat met handen gemaakt is, zoals de profeet heeft gezegd
49Небо менї престол, а земля підніжок ніг моїх; який храм збудуєте менї? рече Господь, або яке місце відпочинку мого?
49“De hemel is mijn troon, En de aarde mijn voetbank! Wat wilt gij dan een huis voor Mij bouwen, zegt de Heer, En waar is de plaats van mijn rust?
50Хиба не моя рука зробила се все?
50Heeft niet mijn eigen hand dat alles gemaakt?”
51Люде тугошиі і необрізані серцем і ушима, ви завсїди Духові сьвятому противитесь; як батьки ваші, так і ви.
51Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en van oren: altijd weerstaat gij den Heiligen Geest; gij, juist als uw vaderen.
52Кого з пророків не гонили батьки ваші? і повбивали тих, що наперед звіщали про прихід Праведного, котрого ви тепер зрадниками й убийцями стались.
52Wien der profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? Zij hebben de boden gedood van de komst van den Rechtvaardige, maar gij, gij zijt zijn verraders en moordenaars geworden;
53Ви прийняли закон через розпорядки ангелів, та й не хоронили його.
53gij, die de Wet door beschikking van engelen ontvingt, maar ze niet onderhoudt.
54Почувши ж се, запалали серцем своїм, і скреготали зубами на него.
54Toen ze dit hoorden, barstten ze in woede los, en knarsetandden tegen hem.
55Він же, будучи повний сьвятого Духа, споглянувши на небо, побачив славу Божу, й Ісуса, стоячого по правицї у Бога,
55Maar hij, vervuld van den Heiligen Geest, blikte op naar de hemel, en zag de heerlijkheid Gods en Jesus staande aan de rechterhand Gods.
56і рече: Ось, виджу небеса відчинені, і Сина чоловічого, стоячого по правицї в Бога.
56En hij sprak: Zie, ik zie de hemelen open, en den Mensenzoon staan aan de rechterhand Gods.
57Вони ж закричали голосом великим, позатуляли уші свої, та й кинулись однодушно на него,
57Maar ze schreeuwden het uit, stopten hun oren, en stormden als één man op hem los.
58і, випровадивши за город, укаменували його; а сьвідки поклали одежу свою у ногах у молодця, званого Савлом,
58Ze wierpen hem buiten de stad, en stenigden hem. En de getuigen legden hun mantels neer voor de voeten van een jongen man, Saul geheten.
59і каменували Стефана, молячогось і глаголючого: Господи Ісусе, прийми дух мій.
59En terwijl men Stéfanus stenigde, bad hij, en sprak: Heer Jesus, ontvang mijn geest.
60Приклонивши ж колїна, покликнув голосом великим: Господи, не постав їм сього за гріх. І, се промовивши, уснув.
60Dan zonk hij op zijn knieën neer, en riep met luider stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe. Na deze woorden ontsliep hij. Ook Saul stemde in met die moord.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.