Atos 7
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1O sumo sacerdote disse: “Estas coisas são mesmo assim?”
1De hogepriester vroeg, of het waar was.
2Ele disse: “Irmãos e pais, ouçam. O Deus da glória apareceu a nosso pai Abraão quando ele estava na Mesopotâmia, antes de morar em Harã,
2Toen nam hij het woord Mannen, broeders en vaders, luistert. De God van Majesteit verscheen aan onzen vader Abraham, toen hij nog in Mesopotámië woonde, en eer hij zich in Charán vestigde.
3e lhe disse: ‘Saia da sua terra e do meio dos seus parentes, e vá para uma terra que eu lhe mostrarei.’
3En Hij sprak tot hem: Verlaat uw land en uw familie, en ga naar het land, dat Ik u zal tonen.
4Então ele saiu da terra dos caldeus e morou em Harã. Dali, depois que seu pai morreu, Deus o trouxe para esta terra onde vocês agora vivem.
4Toen vertrok hij uit het land der Chaldeën, en vestigde zich te Charán. En van daar deed Hij hem, na de dood van zijn vader, naar dit land verhuizen, dat gij nu bewoont.
5Ele não lhe deu nela herança alguma, nem mesmo o espaço de um pé. Mas prometeu que a daria como propriedade a ele e à sua descendência depois dele, quando ele ainda não tinha filhos.
5Wel gaf Hij hem geen enkel erfdeel, geen voetbreed zelfs; maar Hij beloofde, het in bezit te geven aan hem en aan zijn geslacht na hem, hoewel hij geen kind had.
6Deus falou desta maneira: que a sua descendência viveria como estrangeira em terra alheia, e que eles seriam escravizados e maltratados por quatrocentos anos.
6Nog zeide hem God dat zijn kinderen als ballingen zouden wonen in een vreemd land, en dat men ze tot slaven zou maken en mishandelen, vierhonderd jaar lang.
7‘Eu julgarei a nação à qual eles estarão sujeitos’, disse Deus, ‘e depois disso eles sairão e me servirão neste lugar.’
7Maar het volk, wiens slaven ze zullen zijn, zal Ik oordelen, sprak God. Daarna zullen ze uittrekken, en Mij in deze plaats dienen.
8Ele lhe deu a aliança da circuncisão. Assim Abraão gerou a Isaque, e o circuncidou no oitavo dia. Isaque gerou a Jacó, e Jacó gerou os doze patriarcas.
8Ook gaf Hij hem het Verbond der besnijdenis. Toen kreeg hij Isaäk, en besneed hem op de achtste dag; en Isaäk kreeg Jakob, en Jakob de twaalf aartsvaders.
9“Os patriarcas, movidos de inveja contra José, o venderam para o Egito. Mas Deus estava com ele
9En de aartsvaders waren jaloers op Josef, en verkochten hem naar Egypte. Maar God was met hem,
10e o livrou de todas as suas aflições, e lhe deu favor e sabedoria diante do Faraó, rei do Egito. Este o constituiu governador sobre o Egito e sobre toda a sua casa.
10en verloste hem uit al zijn ellende; Hij schonk hem gunst en wijsheid bij Fárao, den koning van Egypte, en deze stelde hem aan tot bestuurder van Egypte en van heel zijn huis.
11Então veio uma fome sobre toda a terra do Egito e de Canaã, e grande aflição. Nossos pais não encontravam alimento.
11Toen kwam er hongersnood over heel Egypte en Kánaän, en grote ellende; en onze vaders vonden geen voedsel meer.
12Mas quando Jacó ouviu que havia trigo no Egito, enviou nossos pais pela primeira vez.
12Toen Jakob vernam, dat er graan was in Egypte, zond hij onze vaders er heen, een eerste maal.
13Na segunda vez, José se deu a conhecer aos seus irmãos, e a família de José foi revelada ao Faraó.
13En de tweede maal maakte Josef zich aan zijn broers bekend, en ook Fárao leerde Josefs afkomst kennen.
14José mandou chamar a Jacó, seu pai, e a todos os seus parentes, setenta e cinco pessoas.
14Nu liet Josef zijn vader Jakob ontbieden, met heel zijn familie. die uit vijf en zeventig mensen bestond.
15Jacó desceu ao Egito e morreu, ele e nossos pais;
15Jakob zakte af naar Egypte, en daar stierven hij en onze vaders.
16e eles foram levados de volta para Siquém e colocados no túmulo que Abraão havia comprado por certo preço em prata dos filhos de Hamor, em Siquém.
16Ze werden naar Sikem overgebracht en bijgezet in het graf, dat Abraham voor geld had gekocht van de zonen van Hemor in Sikem.
17“Mas, conforme se aproximava o tempo da promessa que Deus havia jurado a Abraão, o povo cresceu e se multiplicou no Egito,
17Toen de tijd der belofte begon te naderen, die God aan Abraham had gedaan, nam het volk in aantal toe, en werd het talrijk in Egypte,
18até que se levantou um rei diferente, que não conhecia a José.
18totdat er in Egypte een andere koning kwam, die Josef niet had gekend.
19Este rei agiu traiçoeiramente contra o nosso povo e maltratou os nossos pais, forçando-os a abandonar os seus recém-nascidos, para que não sobrevivessem.
19Deze, een arglistig belager van ons geslacht, mishandelde onze vaders, door ze te dwingen, hun kinderen weg te werpen, en uit te sterven.
20Naquele tempo nasceu Moisés, e ele era muito formoso diante de Deus. Ele foi criado por três meses na casa de seu pai.
20In die tijd werd Moses geboren, en hij was welgevallig aan God. Drie maanden lang werd hij in het huis van zijn vader verzorgd.
21Quando foi abandonado, a filha do Faraó o recolheu e o criou como seu próprio filho.
21En toen men hem te vondeling legde, nam de dochter van Fárao hem aan, en voedde hem op als haar eigen zoon.
22Moisés foi instruído em toda a sabedoria dos egípcios. Ele era poderoso em suas palavras e obras.
22Nu werd Moses onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en hij werd machtig in woorden en daden.
23Mas, quando completou quarenta anos, sentiu o desejo de visitar os seus irmãos, os filhos de Israel.
23Toen hij veertig jaar was geworden, kwam het op in zijn hart, zich het lot van zijn broeders, de zonen Israëls, aan te trekken.
24Vendo um deles sofrer injustiça, ele o defendeu e vingou o oprimido, golpeando o egípcio.
24En toen hij zag, dat een van hen werd mishandeld nam hij zijn verdediging op, en wreekte den mishandelde, door den Egyptenaar neer te slaan.
25Ele supunha que seus irmãos entenderiam que Deus, por meio dele, lhes estava dando livramento; mas eles não entenderam.
25Nu meende hij, dat de broeders zouden begrijpen, dat God hun redding bracht door zijn hand; maar ze begrepen het niet.
26“No dia seguinte, ele apareceu a eles enquanto brigavam, e tentou reconciliá-los, dizendo: ‘Senhores, vocês são irmãos. Por que fazem mal uns aos outros?’
26Want de volgende dag kwam hij bij een twist tussenbeide, trachtte de twistenden tot vrede te brengen, en sprak: “Mannen, gij zijt broeders: Waarom doet gij elkander onrecht?”
27Mas aquele que maltratava o seu próximo o empurrou, dizendo: ‘Quem o constituiu governante e juiz sobre nós?
27Maar hij, die den ander onrecht deed, wees hem af, en zeide: “Wie heeft u tot hoofd en rechter over ons gesteld?
28Você quer me matar como matou o egípcio ontem?’
28Wilt ge ook mij doden, zoals ge gisteren den Egyptenaar hebt gedood?”
29Ao ouvir isso, Moisés fugiu e tornou-se estrangeiro na terra de Midiã, onde gerou dois filhos.
29Hierop nam Moses de vlucht, en woonde als balling in het land van Midjan, waar hij twee zonen kreeg.
30“Passados quarenta anos, um anjo do Senhor apareceu a ele no deserto do monte Sinai, numa chama de fogo em uma sarça.
30Veertig jaar later verscheen hem in de woestijn van de berg Sinaï een engel in de vlam van een brandend braambos
31Quando Moisés viu isso, maravilhou-se com a visão. Ao se aproximar para observar, a voz do Senhor veio a ele:
31Bij het zien der verschijning stond Moses verbaasd; en toen hij nader trad, om scherper toe te zien, klonk hem de stem des Heren tegen:
32‘Eu sou o Deus de seus pais: o Deus de Abraão, o Deus de Isaque e o Deus de Jacó.’ Moisés tremeu e não ousava olhar.
32“Ik ben de God uwer vaderen, de God van Abraham, van Isaäk en Jakob.” Sidderend van angst, durfde Moses niet langer toe te zien.
33O Senhor lhe disse: ‘Tire as sandálias dos pés, pois o lugar onde você está é terra santa.
33En de Heer sprak tot hem: “Doe de schoenen van uw voeten; want de plaats, waar ge staat, is heilige grond.
34Eu certamente vi a aflição do meu povo que está no Egito, e ouvi o seu gemido. Eu desci para livrá-los. Agora venha, eu o enviarei ao Egito.’
34Ik heb de mishandeling van mijn volk in Egypte gezien, en zijn zuchten gehoord; en Ik ben neergedaald, om hen te verlossen. Ik zend dus u naar Egypte.”
35“A este Moisés, a quem eles rejeitaram, dizendo: ‘Quem o constituiu governante e juiz?’ — a este Deus enviou como governante e libertador, por meio do anjo que lhe apareceu na sarça.
35Dezen Moses, dien zij verloochenden, toen ze zeiden: “Wie heeft u tot heer en rechter gesteld”, hem heeft Gòd als hoofd en verlosser gezonden door middel van een engel, die hem in het braambos verscheen.
36Este homem os tirou de lá, realizando maravilhas e sinais no Egito, no mar Vermelho e no deserto por quarenta anos.
36En hij heeft ze doen uittrekken, en wonderen en tekenen verricht in het land van Egypte, aan de Rode Zee en in de woestijn, veertig jaar lang.
37Este é aquele Moisés que disse aos filhos de Israel: ‘O Senhor, nosso Deus, levantará para vocês um profeta dentre os seus irmãos, semelhante a mim.’
37Deze Moses is het, die tot de kinderen Israëls gezegd heeft “God zal voor u uit uw broeders een Profeet doen opstaan, aan mij gelijk; luistert naar hem.”
38Este é o que esteve na congregação no deserto, com o anjo que lhe falava no monte Sinai, e com os nossos pais; e recebeu revelações vivas para nos transmitir.
38Deze is het, die bij de gemeente in de woestijn de middelaar was tussen onze vaderen en den engel, die op de berg Sinaï tot hem sprak; hij is het, die de woorden des levens ontving, om ze u over te brengen.
39A ele nossos pais não quiseram obedecer; pelo contrário, o rejeitaram e, em seus corações, voltaram para o Egito,
39Maar onze vaderen wilden hem niet gehoorzamen, doch ze wezen hem af, keerden hun hart naar Egypte,
40dizendo a Arão: ‘Faça-nos deuses que vão adiante de nós; pois, quanto a este Moisés que nos tirou da terra do Egito, não sabemos o que aconteceu com ele.’
40en zeiden tot Aäron “Maak ons goden, die voor ons uit zullen gaan; want die Moses, die ons uit het land van Egypte deed trekken: we weten niet, wat er met hem is gebeurd”.
41Naqueles dias, eles fizeram um bezerro, ofereceram sacrifício ao ídolo e se alegraram com as obras de suas mãos.
41En ze maakten een kalf in die dagen, brachten het afgodsbeeld een offer, en verlustigden zich in hun eigen maaksel.
42Mas Deus se afastou e os entregou para servirem ao exército do céu, como está escrito no livro dos profetas: ‘Por acaso vocês me ofereceram animais mortos e sacrifícios durante quarenta anos no deserto, ó casa de Israel?
42Maar God keerde Zich van hen af, en gaf ze aan de eredienst prijs van het leger des hemels zoals geschreven staat in het boek der profeten “Hebt gij Mij soms slacht- en brandoffers gebracht In de woestijn, huis van Israël, veertig jaar lang?
43Vocês levantaram o tabernáculo de Moloque, e a estrela do seu deus Renfã, as imagens que vocês fizeram para adorar; por isso eu os transportarei além da Babilônia.’
43Of hebt gij de tent van Molok gedragen, En het sterrebeeld van Romfa: De beelden, die gij gemaakt hebt, Om u daarvoor neer te werpen? Ik voer u weg verder nog dan Bábylon.”
44“Nossos pais tinham o tabernáculo do testemunho no deserto, assim como aquele que falou a Moisés lhe ordenou que o fizesse, segundo o modelo que ele tinha visto.
44Onze vaderen hadden in de woestijn de openbaringstent naar het voorschrift van Hem, die tot Moses gezegd had, ze naar het model te maken, dat hij gezien had.
45O qual também nossos pais, por sua vez, trouxeram com Josué quando tomaram posse das nações que Deus expulsou diante de nossos pais, até os dias de Davi.
45Onze vaderen namen haar mee, en brachten haar onder Jósuë’s geleide in het erfdeel der heidenen, die God voor het aanschijn onzer vaderen verdreef, tot aan de dagen van David.
46Este encontrou favor diante de Deus e pediu para providenciar uma habitação para o Deus de Jacó.
46Deze vond genade in het oog van God, en bad, om een woonplaats te vinden voor Jakobs God.
47Mas foi Salomão quem lhe construiu uma casa.
47En Sálomon bouwde Hem een woning
48No entanto, o Altíssimo não habita em templos feitos por mãos humanas, como diz o profeta:
48Maar de Allerhoogste woont niet in wat met handen gemaakt is, zoals de profeet heeft gezegd
49‘o céu é o meu trono, e a terra é o estrado para os meus pés. Que tipo de casa vocês me edificarão?’ diz o Senhor. ‘Ou qual é o lugar do meu repouso?
49“De hemel is mijn troon, En de aarde mijn voetbank! Wat wilt gij dan een huis voor Mij bouwen, zegt de Heer, En waar is de plaats van mijn rust?
50Não foi a minha mão que fez todas estas coisas?’
50Heeft niet mijn eigen hand dat alles gemaakt?”
51“Homens de dura cerviz, e incircuncisos de coração e de ouvidos, vocês sempre resistem ao Espírito Santo! Assim como fizeram os seus pais, vocês também fazem.
51Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en van oren: altijd weerstaat gij den Heiligen Geest; gij, juist als uw vaderen.
52Qual dos profetas os seus pais não perseguiram? Eles mataram aqueles que anunciaram antecipadamente a vinda do Justo, de quem vocês agora se tornaram traidores e assassinos.
52Wien der profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? Zij hebben de boden gedood van de komst van den Rechtvaardige, maar gij, gij zijt zijn verraders en moordenaars geworden;
53Vocês receberam a lei como foi ordenada por anjos, e não a guardaram!”
53gij, die de Wet door beschikking van engelen ontvingt, maar ze niet onderhoudt.
54Ao ouvirem estas coisas, ficaram furiosos e rangeram os dentes contra ele.
54Toen ze dit hoorden, barstten ze in woede los, en knarsetandden tegen hem.
55Mas ele, estando cheio do Espírito Santo, olhou fixamente para o céu e viu a glória de Deus, e Jesus em pé à direita de Deus,
55Maar hij, vervuld van den Heiligen Geest, blikte op naar de hemel, en zag de heerlijkheid Gods en Jesus staande aan de rechterhand Gods.
56e disse: “Eis que vejo os céus abertos e o Filho do Homem em pé à direita de Deus!”
56En hij sprak: Zie, ik zie de hemelen open, en den Mensenzoon staan aan de rechterhand Gods.
57Mas eles gritaram em alta voz, taparam os ouvidos e avançaram todos juntos contra ele.
57Maar ze schreeuwden het uit, stopten hun oren, en stormden als één man op hem los.
58Eles o lançaram fora da cidade e o apedrejaram. As testemunhas colocaram as suas vestes aos pés de um jovem chamado Saulo.
58Ze wierpen hem buiten de stad, en stenigden hem. En de getuigen legden hun mantels neer voor de voeten van een jongen man, Saul geheten.
59Eles apedrejavam Estêvão enquanto ele clamava, dizendo: “Senhor Jesus, recebe o meu espírito!”
59En terwijl men Stéfanus stenigde, bad hij, en sprak: Heer Jesus, ontvang mijn geest.
60Ele se ajoelhou e clamou em alta voz: “Senhor, não lhes imputes este pecado!” Depois de dizer isso, ele adormeceu.
60Dan zonk hij op zijn knieën neer, en riep met luider stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe. Na deze woorden ontsliep hij. Ook Saul stemde in met die moord.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.