Atos 5
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Mas um certo homem chamado Ananias, com Safira, sua mulher, vendeu uma propriedade,
1Toch was er ook een zeker man, Ananias genaamd, die in overleg met Safira, zijn vrouw, een landgoed verkocht,
2e reteve parte do valor, com o conhecimento de sua mulher; trouxe apenas uma parte e a colocou aos pés dos apóstolos.
2maar die met medeweten van zijn vrouw iets van de opbrengst achterhield, er enkel een gedeelte van meebracht, en het voor de voeten der apostelen legde.
3Mas Pedro disse: “Ananias, por que Satanás encheu o seu coração para mentir ao Espírito Santo e reter parte do valor da terra?
3Toen sprak Petrus: Ananias, waarom heeft satan beslag gelegd op heel uw hart, dat ge den Heiligen Geest bedriegt en van de opbrengst van het landgoed iets achterhoudt?
4Enquanto a guardava, não continuava sendo sua? E depois de vendida, não estava em seu poder? Como você pôde conceber isso em seu coração? Você não mentiu aos homens, mas a Deus.”
4Was het niet uw eigendom, vóór het verkocht werd; en bleef ook de verkoopprijs niet te uwer beschikking? Hoe komt het, dat ge deze daad in uw hart hebt beraamd? Ge hebt geen mensen belogen, maar God.
5Ananias, ouvindo estas palavras, caiu e morreu. E grande temor tomou conta de todos os que ouviram essas coisas.
5Toen Ananias deze woorden vernam, zakte hij ineen, en gaf de geest. Grote vrees beving allen, die het vernamen.
6Os jovens se levantaram, envolveram o seu corpo, o levaram para fora e o sepultaram.
6En de jongsten kwamen hem afleggen, droegen hem weg, en begroeven hem.
7Cerca de três horas depois, sua mulher, não sabendo o que havia acontecido, entrou.
7Drie uur later ongeveer kwam ook zijn vrouw binnen, die van het gebeurde niets wist.
8Pedro lhe perguntou: “Diga-me se vocês venderam a terra por tanto.” Ela disse: “Sim, por tanto.”
8Petrus zeide tot haar: Zeg mij; hebt gij voor zo en zoveel het landgoed verkocht? Ze zei: Ja, voor zóveel.
9Mas Pedro lhe perguntou: “Como é que vocês concordaram entre si em tentar o Espírito do Senhor? Eis que os pés daqueles que sepultaram o seu marido estão à porta, e eles a levarão para fora.”
9Toen sprak Petrus tot haar: Wat; hebt gij dan samengespannen, den Geest des Heren te tarten Zie, de voeten van hen, die uw man hebben begraven, staan aan de deur, om ook u uit te dragen.
10Imediatamente ela caiu aos pés dele e morreu. Os jovens entraram e a encontraram morta, e a levaram para fora e a sepultaram ao lado de seu marido.
10Onmiddellijk zakte ze voor zijn voeten ineen, en gaf de geest. De jonge mannen vonden haar dood bij hun terugkomst; ze droegen haar weg en begroeven haar bij haar man.
11Grande temor tomou conta de toda a igreja e de todos os que ouviram essas coisas.
11En grote vrees beving heel de gemeente en allen, die het vernamen.
12Por meio dos apóstolos, muitos sinais e maravilhas eram realizados entre o povo. Todos estavam unânimes no Pórtico de Salomão.
12Intussen geschiedden er door de handen der apostelen veel tekenen en wonderen onder het volk. Allen bleven eendrachtig samenkomen in de zuilengang van Sálomon
13Nenhum dos outros ousava juntar-se a eles; no entanto, o povo os honrava.
13en niemand van de anderen durfde hen lastig vallen; integendeel, het volk sprak slechts met lof over hen.
14Mais crentes eram acrescentados ao Senhor, multidões de homens e mulheres.
14Steeds meer sloten er zich bij hen aan, die in den Heer geloofden; hele groepen van mannen en vrouwen.
15Eles até levavam os doentes para as ruas e os colocavam em macas e leitos, para que, ao passar Pedro, ao menos a sua sombra cobrisse alguns deles.
15Zo kwam het, dat men zelfs de zieken op straat droeg, en op rustbanken en bedden legde: opdat, als Petrus voorbijging, zijn schaduw tenminste op een van hen zou vallen.
16A multidão também se reunia das cidades ao redor de Jerusalém, trazendo pessoas doentes e aqueles que eram atormentados por espíritos imundos; e todos eles eram curados.
16Zelfs uit de steden rondom Jerusalem stroomde het volk bijeen; ze brachten de zieken mee en hen, die door onreine geesten werden gekweld; en allen werden genezen.
17Então o sumo sacerdote e todos os que estavam com ele, isto é, os saduceus, encheram-se de inveja
17Maar nu greep de hogepriester in met heel zijn aanhang, die de sekte der sadduceën vormde; ze waren jaloers, door en door.
18e prenderam os apóstolos, colocando-os na prisão pública.
18Ze sloegen de hand aan de apostelen, en wierpen ze in de openbare gevangenis.
19Mas um anjo do Senhor abriu as portas da prisão de noite, e os levou para fora e disse:
19Maar een engel des Heren opende ‘s nachts de deuren der gevangenis, bracht hen naar buiten, en sprak:
20“Vão, apresentem-se no templo e falem ao povo todas as palavras desta vida.”
20Gaat heen, treedt op in de tempel, en verkondigt aan het volk al de woorden van deze levensleer.
21Quando ouviram isso, entraram no templo ao amanhecer e começaram a ensinar. Mas o sumo sacerdote e os que estavam com ele chegaram e convocaram o conselho, com todo o senado dos filhos de Israel, e mandaram à prisão para que os trouxessem.
21Ze gehoorzaamden, en gingen tegen de morgen naar de tempel, en gaven er onderricht. Intussen had de hogepriester met zijn partijgenoten de Hoge Raad bijeen geroepen met heel de senaat der Israëlieten, en liet men ze uit de kerker halen.
22Mas os guardas que foram não os encontraram na prisão. Eles voltaram e relataram:
22Maar toen de dienaars daar kwamen, vonden ze hen niet in de kerker; ze keerden dus terug, om verslag uit te brengen,
23“Encontramos a prisão bem fechada e trancada, e os guardas em pé diante das portas, mas quando as abrimos, não encontramos ninguém lá dentro!”
23en zeiden: We vonden de kerker met zorg gesloten, en de wachters voor de deur; maar na opening vonden we niemand daarbinnen.
24Ora, quando o sumo sacerdote, o capitão do templo e os principais sacerdotes ouviram estas palavras, ficaram muito perplexos a respeito deles e sobre o que aquilo poderia significar.
24Toen de hoofdman der tempelwacht en de opperpriesters dit hoorden, vroegen ze zich verlegen af, wat dat betekenen moest.
25Alguém chegou e lhes disse: “Os homens que vocês colocaram na prisão estão no templo, em pé e ensinando o povo.”
25Daar kwam iemand hun melden: Zie, de mannen, die gij in de gevangenis hebt geworpen, staan in de tempel, en onderrichten het volk.
26Então o capitão foi com os guardas e os trouxe sem violência, pois tinham medo de que o povo os apedrejasse.
26Nu ging de hoofdman met de dienaars hen halen, maar zonder geweld te gebruiken; want ze waren bang, dat ze door het volk zouden worden gestenigd.
27Quando os trouxeram, eles os apresentaram perante o conselho. O sumo sacerdote os interrogou,
27Ze leidden hen weg, en brachten ze voor de Hoge Raad. De hogepriester ondervroeg hen,
28dizendo: “Não lhes ordenamos estritamente que não ensinassem neste nome? Eis que vocês encheram Jerusalém com o seu ensino, e querem nos responsabilizar pelo sangue deste homem.”
28en sprak: We hebben u ten strengste verboden, in die Naam te onderrichten; en zie, gij hebt heel Jerusalem vervuld met uw leer, en wilt ons het bloed van dien mens ten laste leggen.
29Mas Pedro e os apóstolos responderam: “Devemos obedecer a Deus antes que aos homens.
29Maar Petrus en de apostelen gaven ten antwoord: Men moet meer gehoorzaam zijn aan God, dan aan mensen.
30O Deus de nossos pais ressuscitou a Jesus, a quem vocês mataram, pendurando-o num madeiro.
30De God onzer vaderen heeft Jesus opgewekt, dien gij aan het kruis hebt geslagen, en gedood.
31Deus o exaltou com a sua destra para ser Príncipe e Salvador, para dar o arrependimento a Israel, e a remissão de pecados.
31Hem heeft God verheven aan zijn rechterhand als Leidsman en Verlosser, om aan Israël bekering te schenken en vergiffenis van zonden.
32Nós somos suas testemunhas destas coisas; e assim também é o Espírito Santo, que Deus deu àqueles que lhe obedecem.”
32En van deze dingen zijn wij de getuigen, maar ook de Heilige Geest, dien God heeft gegeven aan allen, die Hem gehoorzamen.
33Mas eles, quando ouviram isso, ficaram furiosos, e estavam determinados a matá-los.
33Toen ze dit hoorden, werden ze woedend, en wilden hen doden.
34Mas levantou-se no conselho um fariseu chamado Gamaliel, mestre da lei, honrado por todo o povo, e mandou que os apóstolos fossem retirados por um pouco de tempo.
34Maar nu stond er in de vergadering een farizeër op, Gamáliël genaamd, een leraar der Wet, die door het hele volk werd vereerd; hij beval, de mannen even naar buiten te brengen.
35Ele lhes disse: “Homens de Israel, tenham cuidado com o que estão prestes a fazer a estes homens.
35Toen sprak hij tot hen: Mannen van Israël, bedenkt goed, wat gij met deze mensen gaat doen.
36Pois antes destes dias levantou-se Teudas, afirmando ser alguém importante; a quem se juntou um número de homens, cerca de quatrocentos. Ele foi morto; e todos, quantos lhe obedeciam, foram dispersos e reduzidos a nada.
36Enige tijd geleden stond Teudas op, en gaf zich voor heel iets bijzonders uit; en ongeveer vierhonderd mannen sloten zich bij hem aan. Hij werd gedood, en al zijn aanhangers werden verstrooid en verdwenen.
37Depois deste homem, levantou-se Judas, o galileu, nos dias do recenseamento, e levou algumas pessoas a segui-lo. Ele também pereceu, e todos, quantos lhe obedeciam, foram espalhados.
37Na hem, in de dagen der volkstelling stond Judas de Galileër op, en sleepte een grote menigte mee; ook hij vond de dood, en al zijn aanhangers werden verstrooid.
38Agora eu lhes digo: afastem-se destes homens e deixem-nos em paz. Pois se este conselho ou esta obra é de homens, será desfeita.
38En daarom zeg ik u thans: Bemoeit u niet met deze lieden, en laat hen begaan. Want als dit plan of dit werk van mensen stamt, zal het mislukken.
39Mas se é de Deus, vocês não poderão desfazê-la, e acabarão até lutando contra Deus!”
39Maar komt het van God, dan kunt gij het niet tegenhouden, of gij komt in verzet tegen God.
40Eles concordaram com ele. Chamando os apóstolos, eles os açoitaram e lhes ordenaram que não falassem no nome de Jesus, e os deixaram ir.
40Men stemde hem toe. Ze riepen de apostelen binnen, lieten hen geselen, en verboden hun, in de naam van Jesus te spreken; toen liet men ze gaan.
41Eles, portanto, saíram do Sinédrio, regozijando-se por terem sido considerados dignos de sofrer desonra pelo nome de Jesus.
41Ze gingen heen uit de Hoge Raad, verheugd, dat ze waardig waren bevonden, versmading te lijden voor de Naam.
42Todos os dias, no templo e em casa, eles não paravam de ensinar e pregar a Jesus, o Cristo.
42En ze hielden niet op, iedere dag opnieuw in de tempel en in de huizen te leren, en de blijde boodschap te preken, dat Jesus de Christus is.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.