Atos 13
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Agora, na igreja que estava em Antioquia, havia alguns profetas e mestres: Barnabé, Simeão, chamado Níger, Lúcio de Cirene, Manaém, irmão de criação de Herodes, o tetrarca, e Saulo.
1Er waren nu in de Kerk te Antiochië de volgende profeten en leraars: Bárnabas; Simon, bijgenaamd Niger; Lúcius, de Cyreneër; Mánahen, de zoogbroeder van den viervorst Herodes, en Saul.
2Enquanto eles serviam ao Senhor e jejuavam, o Espírito Santo disse: “Separem-me Barnabé e Saulo para a obra a que os tenho chamado.”
2Terwijl ze nu eens de dienst des Heren vierden en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert mij Saul en Bárnabas af voor het werk, waartoe Ik ze geroepen heb.
3Então, depois de jejuarem, orarem e imporem as mãos sobre eles, os enviaram.
3Toen legde men hun, na vasten en bidden, de handen op, en zond hen uit.
4Assim, sendo enviados pelo Espírito Santo, eles desceram a Selêucia. De lá, navegaram para Chipre.
4Nadat zij dus door den Heiligen Geest waren uitgezonden, gingen ze naar Seléucië, en zeilden vandaar naar Cyprus.
5Quando chegaram a Salamina, proclamaram a palavra de Deus nas sinagogas judaicas. Eles também tinham João como seu auxiliar.
5En te Sálamis gekomen, preekten ze het woord Gods in de synagogen der Joden. Ze hadden ook Johannes als medehelper.
6Depois de atravessarem a ilha até Pafos, encontraram um certo feiticeiro, um falso profeta, um judeu cujo nome era Barjesus,
6Toen ze het hele eiland hadden afgereisd tot Pafos toe, troffen ze daar een jood aan, een tovenaar en vals profeet, Bar-Jesus genaamd;
7que estava com o procônsul, Sérgio Paulo, um homem inteligente. Este homem chamou Barnabé e Saulo, e procurou ouvir a palavra de Deus.
7hij hoorde tot het gevolg van den proconsul Sérgius Paulus, een verstandig man. Deze ontbood Bárnabas en Saul, en gaf het verlangen te kennen, het woord Gods te vernemen.
8Mas Elimas, o feiticeiro (pois assim é o seu nome por interpretação), resistia-lhes, procurando desviar o procônsul da fé.
8Maar Élumas de tovenaar, (want zo is de vertaling van zijn naam) werkte hen tegen, en zocht den proconsul van het geloof afkerig te maken.
9Mas Saulo, que também é chamado Paulo, cheio do Espírito Santo, olhou fixamente para ele
9Maar Saul, die ook Paulus heet, vervuld van den Heiligen Geest, keek hem strak in het gezicht,
10e disse: “Ó filho do diabo, cheio de todo engano e de toda astúcia, inimigo de toda a justiça, você não cessará de perverter os retos caminhos do Senhor?
10en sprak: Gij, duivelskind, vol van allerlei list en bedrog, vijand van alle gerechtigheid, zult ge dan nooit ophouden de rechte wegen des Heren krom te maken?
11Agora, eis que a mão do Senhor está sobre você, e você ficará cego, não vendo o sol por algum tempo!” Imediatamente uma névoa e escuridão caíram sobre ele. Ele andava de um lado para outro, procurando alguém que o conduzisse pela mão.
11Zie, thans is de hand des Heren op u; ge zult blind zijn, en een tijd lang de zon niet meer zien. Op hetzelfde ogenblik viel nevel en duisternis op hem neer; en rondtastende zocht hij naar iemand, om hem bij de hand te leiden.
12Então o procônsul, quando viu o que havia acontecido, creu, maravilhado com a ensino do Senhor.
12Bij het zien van dat voorval, en diep getroffen ook door de leer des Heren, werd de proconsul gelovig.
13Agora Paulo e seus companheiros navegaram de Pafos e chegaram a Perge, na Panfília. João separou-se deles e voltou para Jerusalém.
13Nu voeren Paulus en zijn gezellen van Pafos weg, en kwamen te Perge in Pamfúlië aan. Daar scheidde Johannes zich van hen af, en keerde naar Jerusalem terug
14Mas eles, passando de Perge, chegaram a Antioquia da Pisídia. Eles entraram na sinagoga no dia de sábado e se assentaram.
14Zelf trokken ze van Perge uit verder het land in, en kwamen te Antiochië in Pisidië aan. Op de sabbat gingen ze de synagoge binnen, en namen daar plaats.
15Após a leitura da lei e dos profetas, os líderes da sinagoga mandaram dizer-lhes: “Irmãos, se vocês têm alguma palavra de exortação para o povo, falem.”
15Na de voorlezing van de wet en de profeten lieten de oversten der synagoge hun vragen: Mannen, broeders, zo gij iets te zeggen hebt ter opwekking van het volk, neemt dan het woord.
16Paulo levantou-se e, fazendo um gesto com a mão, disse: “Homens de Israel, e vocês que temem a Deus, ouçam.
16Toen stond Paulus op, wenkte met de hand om stilte, en sprak Mannen van Israël en gij godvrezenden hoort:
17O Deus deste povo escolheu nossos pais, e exaltou o povo enquanto habitavam como estrangeiros na terra do Egito, e com braço poderoso, ele os tirou de lá.
17De God van dit volk van Israël heeft onze vaderen uitverkoren, het volk groot gemaakt tijdens hun ballingschap in het land van Egypte, en hen weggevoerd met machtige arm.
18Por um período de cerca de quarenta anos, ele os suportou no deserto.
18Toen heeft Hij veertig jaar ongeveer in de woestijn hen vertroeteld.
19Quando ele destruiu sete nações na terra de Canaã, ele lhes deu a terra delas como herança por cerca de quatrocentos e cinquenta anos.
19Hij heeft zeven volkeren in het land van Kánaän verdelgd, en hun het land als erfdeel geschonken.
20Depois destas coisas, ele lhes deu juízes até o profeta Samuel.
20Daarna gaf Hij hun ongeveer vierhonderdvijftig jaar lang rechters tot aan Sámuël, den profeet.
21Depois eles pediram um rei, e Deus lhes deu Saul, filho de Quis, um homem da tribo de Benjamim, por quarenta anos.
21Toen vroegen ze een koning, en God gaf hun Saul, den zoon van Kis, een man uit Benjamins stam, veertig jaar lang.
22Quando ele o removeu, levantou-lhes Davi para ser o seu rei, de quem também testemunhou: 'Achei Davi, filho de Jessé, um homem segundo o meu coração, que fará toda a minha vontade.'
22Nadat Hij hem had verworpen, verwekte Hij hun David tot koning, van wien Hij heeft getuigd en gezegd “Ik heb David, den zoon van Jesse, gevonden, een man naar mijn hart, die volbrengen zal al wat Ik wil.”
23Da descendência deste homem, Deus trouxe salvação a Israel, de acordo com a sua promessa,
23Uit zijn zaad heeft God, naar zijn belofte, voor Israël Jesus als Verlosser doen opstaan.
24antes da sua vinda, quando João primeiro pregou o batismo de arrependimento a Israel.
24Reeds vóór Hij optrad, had Johannes aan het ganse volk van Israël een doopsel van boete gepreekt;
25Quando João estava terminando a sua missão, ele dizia: 'Quem vocês pensam que eu sou? Eu não sou ele. Mas eis que vem um depois de mim, de cujos pés não sou digno de desamarrar as sandálias.'
25en toen zijn levenstaak ten einde liep, heeft Johannes gezegd “Hij, voor wien gij mij houdt, ben ik niet; maar zie, na mij komt er Een, wiens schoeisel ik niet waardig ben te ontbinden”.
26“Irmãos, descendentes de Abraão, e aqueles entre vocês que temem a Deus, a palavra desta salvação é enviada a vocês.
26Mannen broeders, zonen uit Abrahams geslacht en de godvrezenden onder u: tot ons is dit woord van verlossing gezonden.
27Pois aqueles que habitam em Jerusalém, e os seus governantes, por não o conhecerem, nem as vozes dos profetas que são lidas todos os sábados, as cumpriram ao condená-lo.
27Zeker, de bewoners van Jerusalem en hun hoofden hebben Hem miskend; en door hun vonnis hebben ze in vervulling doen gaan, wat de profeten hebben voorspeld, en wat iedere sabbat wordt voorgelezen.
28Embora não achassem nele nenhuma causa para morte, ainda assim pediram a Pilatos que ele fosse morto.
28Ofschoon ze niets hadden gevonden wat de doodstraf verdiende, hebben ze toch Pilatus gevraagd, Hem te doden;
29Quando cumpriram todas as coisas que estavam escritas a respeito dele, eles o tiraram do madeiro e o colocaram em um túmulo.
29en toen ze alles hadden voltrokken, wat over Hem geschreven staat, heeft men Hem van het kruis genomen en neergelegd in een graf.
30Mas Deus o ressuscitou dentre os mortos,
30Maar God heeft Hem opgewekt uit de doden. En dagen lang is Hij verschenen aan hen,
31e ele foi visto por muitos dias por aqueles que subiram com ele da Galileia para Jerusalém, os quais são suas testemunhas para o povo.
31die met Hem van Galilea naar Jerusalem waren gegaan, en die nu zijn getuigen zijn bij het volk.
32Nós lhes anunciamos esta boa notícia: a promessa feita aos pais,
32En wij. wij verkondigen u de Belofte. aan onze vaderen gedaan.
33que Deus a cumpriu para nós, seus filhos, ao ressuscitar a Jesus. Como também está escrito no salmo segundo: 'Tu és meu Filho. Hoje eu te gerei.'
33Want God heeft ze voor ons, hun kinderen vervuld door Jesus te verwekken. zoals dat ook in de tweede Psalm staat geschreven “Gij zijt mijn Zoon; Ik heb U heden verwekt.”
34“Quanto ao fato de tê-lo ressuscitado dentre os mortos, para nunca mais retornar à corrupção, ele falou assim: 'Eu lhes darei as santas e fiéis bênçãos de Davi.'
34En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, en Hij niet meer tot bederf terugkeren zou, heeft Hij aldus verklaard “Ik zal u de heilige gunsten schenken, aan David verzekerd.”
35Por isso ele também diz em outro salmo: 'Não permitirás que o teu Santo veja a corrupção.'
35Daarom juist zegt Hij ook op een andere plaats “Gij laat uw Heilige het bederf niet aanschouwen.”
36Pois Davi, depois de ter servido ao propósito de Deus em sua própria geração, adormeceu, foi sepultado com seus pais, e viu a corrupção.
36Welnu, David is ontslapen, na bij zijn leven Gods wil te hebben volbracht; hij is bij zijn vaderen verzameld, en heeft het bederf gezien.
37Mas aquele a quem Deus ressuscitou não viu a corrupção.
37Maar Hij, dien God deed verrijzen. heeft geen bederf gezien.
38Saibam, portanto, irmãos, que por meio deste homem é proclamada a vocês a remissão de pecados;
38Weet dus, mannen broeders, dat door Hem u vergiffenis van zonden wordt aangekondigd; en dat van alles, waarvan gij door de Wet van Moses niet gerechtvaardigd kondt worden,
39e por meio dele todo aquele que crê é justificado de todas as coisas, de tudo aquilo de que vocês não puderam ser justificados pela lei de Moisés.
39een ieder, die gelooft, gerechtvaardigd wordt door Hem.
40Tenham cuidado, portanto, para que não venha sobre vocês o que foi dito nos profetas:
40Zorgt er dus voor, dat u niet overkomt, wat geschreven staat bij de profeten
41'Vejam, seus escarnecedores! Maravilhem-se e pereçam, pois eu realizo uma obra em seus dias, uma obra na qual vocês de modo algum crerão, se alguém a declarar a vocês.'”
41“Hooghartigen, ziet toe, staat verbaasd en verdwijnt; Want Ik ga een werk in uw dagen verrichten: Een werk, dat gij niet zoudt geloven, Wanneer men het u vertelt.”
42Então, quando os judeus saíram da sinagoga, os gentios imploraram que estas palavras lhes fossem pregadas no sábado seguinte.
42Toen ze weggingen, verzocht men hun, om de volgende sabbat hetzelfde onderwerp met hen te behandelen.
43Quando a congregação se desfez, muitos dos judeus e dos prosélitos devotos seguiram Paulo e Barnabé; os quais, falando-lhes, os exortavam a continuar na graça de Deus.
43En bij het uitgaan van de synagoge gingen vele Joden en godvrezende proselieten met Paulus en Bárnabas mee. Dezen onderhielden zich met hen, en vermaanden ze, om in de genade Gods te volharden.
44No sábado seguinte, quase toda a cidade se reuniu para ouvir a palavra de Deus.
44De volgende sabbat kwam bijna de hele stad te zamen, om het woord Gods te horen.
45Mas quando os judeus viram as multidões, encheram-se de inveja, e contradiziam o que Paulo dizia, e blasfemavam.
45Maar toen de Joden die scharen zagen, werden ze van afgunst vervuld, en bestreden de woorden van Paulus met schelden.
46Paulo e Barnabé falaram ousadamente, e disseram: “Era necessário que a palavra de Deus fosse falada primeiro a vocês. Visto que vocês a rejeitam, e se julgam indignos da vida eterna, eis que nos voltamos para os gentios.
46Toen verklaarden Paulus en Bárnabas met grote beslistheid: Aan u moest het eerst Gods woord worden verkondigd; maar nu ge het verwerpt, en uzelf het eeuwige leven niet waardig oordeelt, zie. nu wenden we ons tot de heidenen.
47Pois assim o Senhor nos ordenou, dizendo: 'Eu te coloquei como luz para os gentios, para que leves a salvação até os confins da terra.'”
47Want zó heeft de Heer ons bevolen “Ik heb u gesteld tot een licht voor de heidenen, Opdat gij tot heil wordt tot aan de grenzen der aarde.”
48Quando os gentios ouviram isso, alegraram-se e glorificaram a palavra de Deus. E creram todos quantos estavam ordenados para a vida eterna.
48Toen de heidenen dit hoorden, verheugden ze zich, en prezen het woord des Heren; en allen die voorbeschikt waren ten eeuwigen leven, werden gelovig.
49A palavra do Senhor se espalhava por toda a região.
49En het woord des Heren verbreidde zich door heel die streek.
50Mas os judeus instigaram as mulheres devotas e de alta posição e os principais homens da cidade, e provocaram uma perseguição contra Paulo e Barnabé, e os expulsaram de seus territórios.
50Maar de Joden ruiden de aanzienlijke vrouwen der godvrezenden en de voornaamste burgers der stad op; ze verwekten een vervolging tegen Paulus en Bárnabas, en verdreven ze uit hun gebied.
51Mas eles sacudiram o pó dos seus pés contra eles, e foram para Icônio.
51Dezen schudden het stof van hun voeten tegen hen af, en gingen naar Ikónium.
52Os discípulos estavam cheios de alegria e do Espírito Santo.
52De leerlingen echter bleven vervuld van blijdschap en van den Heiligen Geest.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.