Sabedoria 7
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Eu mesmo também sou mortal como todos os outros e descendente daquele que primeiro foi formado da terra.
1Ook ik ben sterfelijk, zoals alle anderen, Een nazaat van den eerste, en die werd uit aarde gemaakt; In de schoot van een moeder werd ik tot een lichaam gevormd,
2No ventre de minha mãe, durante dez meses, fui moldado em carne, formado no sangue a partir da semente de um homem e do prazer do casamento.
2In de tijd van tien maanden uit geronnen bloed, Uit het zaad van een man En de lust, aan echtelijke omgang verbonden.
3Quando nasci, também respirei o ar comum e caí sobre a terra, que é a mesma para todos, soltando, como todos, o mesmo primeiro choro.
3Ook ik ademde na de geboorte de gemeenschappelijke lucht, En kwam terecht op de aarde, die allen doet lijden; Ik schreide mijn eerste geluid, gelijk alle anderen,
4Fui criado com cuidado, envolto em faixas.
4Werd in windselen grootgebracht onder veel zorgen.
5Pois nenhum rei teve outro começo,
5Want geen koning had ooit bij zijn geboorte een ander begin;
6mas todos os seres humanos têm uma só entrada na vida e uma saída comum.
6Gelijk is voor allen de aanvang en het einde van het leven.
7Por isso orei, e o entendimento me foi dado. Supliquei, e veio a mim um espírito de sabedoria.
7Daarom heb ik gebeden: toen werd mij inzicht gegeven; Ik smeekte: en de geest van wijsheid kwam in mij.
8Preferi-a a cetros e tronos e considerei a riqueza como nada em comparação com ela.
8Ik heb haar gesteld boven schepters en tronen; Bij haar vergeleken, telde ik rijkdom voor niets,
9Não comparei a ela nenhuma pedra preciosa, porque todo o ouro diante dela é apenas um pouco de areia, e a prata será considerada barro diante dela.
9Zelfs de kostbaarste steen stelde ik niet met haar gelijk; Want alle goud is met haar vergeleken wat stof, En zilver geldt naast haar enkel als slijk.
10Amei-a mais do que a saúde e a beleza e preferi possuí-la à própria luz, porque seu brilho jamais se apaga.
10Meer dan gezondheid en schoonheid had ik haar lief, En gaf haar de voorkeur boven het licht; Want de glans, die zij uitstraalt, dooft nooit.
11Junto com ela vieram a mim todas as coisas boas, e em suas mãos há riquezas incontáveis.
11Tegelijk met haar viel mij groter goed nog ten deel, Want onmetelijke rijkdom ligt in haar handen;
12Alegrei-me com todas elas porque a sabedoria as conduz, embora eu não soubesse que ela era a mãe delas.
12Ik genoot van dit alles, daar de wijsheid het meebracht, Zonder te weten, dat zij er de moeder van was.
13Aprendi sem malícia e reparto sem inveja. Não escondo suas riquezas.
13In oprechtheid heb ik haar leren kennen, En zonder afgunst deel ik haar mee,
14Pois ela é para os homens um tesouro que não se esgota, e os que dele se servem obtêm amizade com Deus, recomendados pelos dons que apresentam por meio da disciplina.
14Want zij is voor de mensen een onuitputtelijke schat; Die hem benutten, verwerven Gods vriendschap, Omdat ze welgevallig worden door gaven van deugd.
15Que Deus me conceda falar segundo seu juízo e conceber pensamentos dignos daquilo que me foi dado, porque ele mesmo guia a sabedoria e dirige os sábios.
15Moge God mij dan geven, overeenkomstig mijn kennis te spreken, En gedachten te vormen, zijn gaven waardig! Hij toch is de leidsman der wijsheid, Hij toont aan de wijzen de weg;
16Pois nós e nossas palavras estamos em suas mãos, juntamente com todo entendimento e habilidade em diferentes ofícios.
16Want in zijn hand zijn wij, evenals onze woorden, Alle inzicht, bekwaamheid en kunnen.
17Foi ele quem me deu conhecimento infalível das coisas que existem, para conhecer a estrutura do universo e o funcionamento dos elementos;
17Ja, Hijzelf schonk mij betrouwbare kennis der dingen, Om de bouw van het heelal en de kracht der elementen te kennen:
18o princípio, o fim e o meio dos tempos; as alternâncias dos solstícios e as mudanças das estações;
18Het begin, het einde en het midden der tijden, Het wenden van de zonnestand, en de wisseling van de jaargetijden,
19os ciclos dos anos e as posições das estrelas;
19De kringloop der jaren en de stand van de sterren.
20a natureza dos seres vivos e a ferocidade dos animais selvagens; a força dos ventos e os pensamentos dos homens; a variedade das plantas e as propriedades das raízes.
20De natuur van de dieren en de aard der wilde beesten, De macht van de geesten en de gedachten der mensen, De soorten van planten en de krachten der wortels:
21Aprendi todas as coisas, tanto as ocultas como as manifestas,
21Verborgen of zichtbaar, ik heb alles leren kennen, Want de wijsheid, die alles maakte, leerde het mij.
22pois a sabedoria, artífice de todas as coisas, me ensinou. Pois nela há um espírito inteligente, santo, único, múltiplo, sutil, de livre movimento, claro em sua expressão, incontaminado, distinto, invulnerável, amante do bem, perspicaz, irresistível,
22Want in haar is een geest, verstandig en heilig, Enig, veelzijdig, onstoffelijk, Vaardig, doordringend en smetteloos, Helder, onkwetsbaar, bedacht op het goede, scherp, Onweerstaanbaar, weldadig, menslievend.
23benéfico, amigo da humanidade, firme, seguro, livre de preocupação, todo-poderoso, que tudo observa, e que penetra todos os espíritos inteligentes, puros e extremamente sutis.
23Standvastig, betrouwbaar, zonder zorgen, Alles vermogend en alles besturend, Al de andere geesten doordringend, Hoe verstandig, rein en scherpzinnig zij ook zijn.
24Pois a sabedoria é mais ágil que qualquer movimento. Por sua pureza, atravessa e penetra todas as coisas.
24Want de wijsheid is sneller dan al wat beweegt, Zij doordringt en doortrekt alles door de kracht van haar reinheid.
25Ela é um sopro do poder de Deus e uma emanação pura da glória do Todo-Poderoso. Por isso nada contaminado pode entrar nela.
25Want zij is een ademtocht van de Majesteit Gods, Een reine uitstraling van de glorie van den Almachtige; Daarom kan niets, wat besmet is, haar raken.
26Ela é reflexo da luz eterna, espelho sem mancha da atividade de Deus e imagem de sua bondade.
26Zij is de weerglans van het eeuwige licht, Een vlekkeloze spiegel van Gods kracht, Het beeld van zijn volmaaktheid.
27Embora seja uma só, pode fazer todas as coisas. Permanecendo em si mesma, renova todas as coisas. Passando de geração em geração para almas santas, faz delas amigas de Deus e profetas.
27Zij is slechts één, maar kan alles, Blijft zelf steeds dezelfde, terwijl ze alles vernieuwt; Van geslacht tot geslacht treedt zij binnen in heilige zielen, En vormt ze tot vrienden Gods en profeten.
28Pois Deus nada ama tanto como aquele que vive com a sabedoria.
28Want God heeft hen alleen lief, Die met de wijsheid vertrouwd zijn.
29Ela é mais bela que o sol e superior a todas as constelações das estrelas. Comparada à luz, mostra-se superior,
29Zij is schoner dan de zon en heel het leger der sterren, Met het licht vergeleken, is de voorrang aan haar; Want op het licht volgt de nacht, Maar de wijsheid wordt nooit door de boosheid verwonnen.
30pois a luz do dia cede lugar à noite, mas o mal não prevalece contra a sabedoria.
no verse 30 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.