Sapientiæ Solomonis
Chapter 7

Sapientiæ Solomonis

Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Sapientiæ Solomonis 7

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Sum quidem et ego mortalis homo, similis omnibus, et ex genere terreni illius qui prior factus est: et in ventre matris figuratus sum caro;
1Ook ik ben sterfelijk, zoals alle anderen, Een nazaat van den eerste, en die werd uit aarde gemaakt; In de schoot van een moeder werd ik tot een lichaam gevormd,
2decem mensium tempore coagulatus sum in sanguine: ex semine hominis, et delectamento somni conveniente.
2In de tijd van tien maanden uit geronnen bloed, Uit het zaad van een man En de lust, aan echtelijke omgang verbonden.
3Et ego natus accepi communem aërem, et in similiter factam decidi terram, et primam vocem similem omnibus emisi plorans.
3Ook ik ademde na de geboorte de gemeenschappelijke lucht, En kwam terecht op de aarde, die allen doet lijden; Ik schreide mijn eerste geluid, gelijk alle anderen,
4In involumentis nutritus sum, et curis magnis:
4Werd in windselen grootgebracht onder veel zorgen.
5nemo enim ex regibus aliud habuit nativitatis initium.
5Want geen koning had ooit bij zijn geboorte een ander begin;
6Unus ergo introitus est omnibus ad vitam, et similis exitus.
6Gelijk is voor allen de aanvang en het einde van het leven.
7Propter hoc optavi, et datus est mihi sensus; et invocavi, et venit in me spiritus sapientiæ:
7Daarom heb ik gebeden: toen werd mij inzicht gegeven; Ik smeekte: en de geest van wijsheid kwam in mij.
8et præposui illam regnis et sedibus, et divitias nihil esse duxi in comparatione illius.
8Ik heb haar gesteld boven schepters en tronen; Bij haar vergeleken, telde ik rijkdom voor niets,
9Nec comparavi illi lapidem pretiosum, quoniam omne aurum in comparatione illius arena est exigua, et tamquam lutum æstimabitur argentum in conspectu illius.
9Zelfs de kostbaarste steen stelde ik niet met haar gelijk; Want alle goud is met haar vergeleken wat stof, En zilver geldt naast haar enkel als slijk.
10Super salutem et speciem dilexi illam, et proposui pro luce habere illam, quoniam inextinguibile est lumen illius.
10Meer dan gezondheid en schoonheid had ik haar lief, En gaf haar de voorkeur boven het licht; Want de glans, die zij uitstraalt, dooft nooit.
11Venerunt autem mihi omnia bona pariter cum illa, et innumerabilis honestas per manus illius;
11Tegelijk met haar viel mij groter goed nog ten deel, Want onmetelijke rijkdom ligt in haar handen;
12et lætatus sum in omnibus, quoniam antecedebat me ista sapientia, et ignorabam quoniam horum omnium mater est.
12Ik genoot van dit alles, daar de wijsheid het meebracht, Zonder te weten, dat zij er de moeder van was.
13Quam sine fictione didici, et sine invidia communico, et honestatem illius non abscondo.
13In oprechtheid heb ik haar leren kennen, En zonder afgunst deel ik haar mee,
14Infinitus enim thesaurus est hominibus; quo qui usi sunt, participes facti sunt amicitiæ Dei, propter disciplinæ dona commendati.
14Want zij is voor de mensen een onuitputtelijke schat; Die hem benutten, verwerven Gods vriendschap, Omdat ze welgevallig worden door gaven van deugd.
15Mihi autem dedit Deus dicere ex sententia, et præsumere digna horum quæ mihi dantur: quoniam ipse sapientiæ dux est, et sapientium emendator.
15Moge God mij dan geven, overeenkomstig mijn kennis te spreken, En gedachten te vormen, zijn gaven waardig! Hij toch is de leidsman der wijsheid, Hij toont aan de wijzen de weg;
16In manu enim illius et nos et sermones nostri, et omnis sapientia, et operum scientia, et disciplina.
16Want in zijn hand zijn wij, evenals onze woorden, Alle inzicht, bekwaamheid en kunnen.
17Ipse enim dedit mihi horum quæ sunt scientiam veram, ut sciam dispositionem orbis terrarum, et virtutes elementorum,
17Ja, Hijzelf schonk mij betrouwbare kennis der dingen, Om de bouw van het heelal en de kracht der elementen te kennen:
18initium, et consummationem, et medietatem temporum, vicissitudinum permutationes, et commutationes temporum,
18Het begin, het einde en het midden der tijden, Het wenden van de zonnestand, en de wisseling van de jaargetijden,
19anni cursus, et stellarum dispositiones,
19De kringloop der jaren en de stand van de sterren.
20naturas animalium, et iras bestiarum, vim ventorum, et cogitationes hominum, differentias virgultorum, et virtutes radicum.
20De natuur van de dieren en de aard der wilde beesten, De macht van de geesten en de gedachten der mensen, De soorten van planten en de krachten der wortels:
21Et quæcumque sunt absconsa et improvisa didici: omnium enim artifex docuit me sapientia.]
21Verborgen of zichtbaar, ik heb alles leren kennen, Want de wijsheid, die alles maakte, leerde het mij.
22[Est enim in illa spiritus intelligentiæ, sanctus, unicus, multiplex, subtilis, disertus, mobilis, incoinquinatus, certus, suavis, amans bonum, acutus, quem nihil vetat, benefaciens,
22Want in haar is een geest, verstandig en heilig, Enig, veelzijdig, onstoffelijk, Vaardig, doordringend en smetteloos, Helder, onkwetsbaar, bedacht op het goede, scherp, Onweerstaanbaar, weldadig, menslievend.
23humanus, benignus, stabilis, certus, securus, omnem habens virtutem, omnia prospiciens, et qui capiat omnes spiritus, intelligibilis, mundus, subtilis.
23Standvastig, betrouwbaar, zonder zorgen, Alles vermogend en alles besturend, Al de andere geesten doordringend, Hoe verstandig, rein en scherpzinnig zij ook zijn.
24Omnibus enim mobilibus mobilior est sapientia: attingit autem ubique propter suam munditiam.
24Want de wijsheid is sneller dan al wat beweegt, Zij doordringt en doortrekt alles door de kracht van haar reinheid.
25Vapor est enim virtutis Dei, et emanatio quædam est claritatis omnipotentis Dei sincera, et ideo nihil inquinatum in eam incurrit:
25Want zij is een ademtocht van de Majesteit Gods, Een reine uitstraling van de glorie van den Almachtige; Daarom kan niets, wat besmet is, haar raken.
26candor est enim lucis æternæ, et speculum sine macula Dei majestatis, et imago bonitatis illius.
26Zij is de weerglans van het eeuwige licht, Een vlekkeloze spiegel van Gods kracht, Het beeld van zijn volmaaktheid.
27Et cum sit una, omnia potest; et in se permanens omnia innovat: et per nationes in animas sanctas se transfert; amicos Dei et prophetas constituit.
27Zij is slechts één, maar kan alles, Blijft zelf steeds dezelfde, terwijl ze alles vernieuwt; Van geslacht tot geslacht treedt zij binnen in heilige zielen, En vormt ze tot vrienden Gods en profeten.
28Neminem enim diligit Deus, nisi eum qui cum sapientia inhabitat.
28Want God heeft hen alleen lief, Die met de wijsheid vertrouwd zijn.
29Est enim hæc speciosior sole, et super omnem dispositionem stellarum: luci comparata, invenitur prior.
29Zij is schoner dan de zon en heel het leger der sterren, Met het licht vergeleken, is de voorrang aan haar; Want op het licht volgt de nacht, Maar de wijsheid wordt nooit door de boosheid verwonnen.
30Illi enim succedit nox; sapientiam autem non vincit malitia.]
no verse 30 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.