Sapientiæ Solomonis 2
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Dixerunt enim cogitantes apud se non recte: Exiguum et cum tædio est tempus vitæ nostræ, et non est refrigerium in fine hominis, et non est qui agnitus sit reversus ab inferis.
1Want ze zeggen tot elkander in valse waan: Ons leven is maar kort en vol verdriet; Geen redmiddel, als het einde van den mens is gekomen; Nooit heeft men van iemand gehoord, die uit het dodenrijk redt.
2Quia ex nihilo nati sumus, et post hoc erimus tamquam non fuerimus. Quoniam fumus flatus est in naribus nostris, et sermo scintilla ad commovendum cor nostrum:
2Ja, bij toeval is het, dat wij ontstonden, En later zal het zijn, als hadden wij nooit bestaan; Want rook is de adem in onze neus, Ons denken een vonk, ontslagen aan ons hart.
3qua extincta, cinis erit corpus nostrum, et spiritus diffundetur tamquam mollis aër; et transibit vita nostra tamquam vestigium nubis, et sicut nebula dissolvetur quæ fugata est a radiis solis, et a calore illius aggravata.
3Dooft ze uit, het lichaam vergaat tot stof, En de geest vervliegt als ijle lucht;
4Et nomen nostrum oblivionem accipiet per tempus, et nemo memoriam habebit operum nostrorum.
4Onze naam wordt spoedig vergeten, En niemand denkt er meer aan onze werken. Zo snelt ons leven voorbij als een drijvende wolk, En lost zich op als een nevel, Die door de stralen van de zon wordt verdreven, Tot neerslaan gebracht door haar gloed.
5Umbræ enim transitus est tempus nostrum, et non est reversio finis nostri: quoniam consignata est, et nemo revertitur.
5Ja, ons leven is een vluchtige schaduw, En ons einde kan niet worden herroepen; Want het wordt verzegeld, en niemand keert terug.
6Venite ergo, et fruamur bonis quæ sunt, et utamur creatura tamquam in juventute celeriter.
6Komt dan, laat ons profiteren van het goed, dat wij hebben, En flink van de wereld genieten, zolang wij nog jong zijn;
7Vino pretioso et unguentis nos impleamus, et non prætereat nos flos temporis.
7Verzadigen wij ons met kostbare wijn en met zalven, Geen lentebloesem mag ons ontgaan!
8Coronemus nos rosis antequam marcescant; nullum pratum sit quod non pertranseat luxuria nostra:
8Omkransen wij ons met rozenknoppen, eer ze verwelken,
9nemo nostrum exsors sit luxuriæ nostræ. Ubique relinquamus signa lætitiæ, quoniam hæc est pars nostra, et hæc est sors.
9Geen hof blijve verstoken van ons pleizier. Overal willen wij de sporen achterlaten van onze vreugd; Want dit is ons deel, en dit komt ons toe.
10Opprimamus pauperem justum, et non parcamus viduæ, nec veterani revereamur canos multi temporis:
10Wij willen den armen vrome verdrukken, geen weduwe sparen, Noch het witte haar van den hoogbejaarden grijsaard ontzien.
11sit autem fortitudo nostra lex justitiæ; quod enim infirmum est, inutile invenitur.
11Onze kracht zal de maatstaf zijn van wat recht is; Want het zwakke bewijst zijn eigen nutteloosheid.
12Circumveniamus ergo justum, quoniam inutilis est nobis, et contrarius est operibus nostris, et improperat nobis peccata legis, et diffamat in nos peccata disciplinæ nostræ.
12Wij willen den vrome belagen, want hij is ons tot last, En verzet zich tegen ons doen. Hij beschuldigt ons van wetsovertreding, En verwijt ons, dat wij misdoen tegen de tucht.
13Promittit se scientiam Dei habere, et filium Dei se nominat.
13Hij beroemt er zich op, kennis van God te bezitten, En noemt zichzelf een kind van den Heer.
14Factus est nobis in traductionem cogitationum nostrarum.
14Hij is ons een aanklacht van onze gezindheid, Reeds zijn aanblik strekt ons tot last;
15Gravis est nobis etiam ad videndum, quoniam dissimilis est aliis vita illius, et immutatæ sunt viæ ejus.
15Want zijn leven wijkt af van dat der anderen, Zijn wegen zijn geheel verschillend.
16Tamquam nugaces æstimati sumus ab illo, et abstinet se a viis nostris tamquam ab immunditiis, et præfert novissima justorum, et gloriatur patrem se habere Deum.
16Wij gelden voor hem als valse munt, Hij mijdt onze wegen als drek; Het einde der rechtvaardigen prijst hij gelukkig, En trots noemt hij God zijn vader.
17Videamus ergo si sermones illius veri sint, et tentemus quæ ventura sunt illi, et sciemus quæ erunt novissima illius.
17Wij willen eens zien, of zijn woorden waar zijn, En de proef nemen, hoe het wel met hem afloopt.
18Si enim est verus filius Dei, suscipiet illum, et liberabit eum de manibus contrariorum.
18Want is de rechtvaardige Gods zoon, dan zal Hij hem helpen, En uit de hand van zijn vijanden redden.
19Contumelia et tormento interrogemus eum, ut sciamus reverentiam ejus, et probemus patientiam illius.
19Met smaad en mishandeling zullen wij hem beproeven, Om zijn zachtmoedigheid te zien, zijn geduld te toetsen.
20Morte turpissima condemnemus eum; erit enim ei respectus ex sermonibus illius.
20Wij willen hem veroordelen tot een schandelijke dood; Want hij wordt toch gered, zo beweert hij.
21Hæc cogitaverunt, et erraverunt: excæcavit enim illos malitia eorum.
21Zo denken ze, maar ze dwalen; Want hun boosheid maakt hen blind;
22Et nescierunt sacramenta Dei: neque mercedem speraverunt justitiæ, nec judicaverunt honorem animarum sanctarum.
22Ze hebben geen begrip van Gods geheimen, Verwachten geen loon voor heiligheid, En geloven niet in een kroon voor vlekkeloze zielen.
23Quoniam Deus creavit hominem inexterminabilem, et ad imaginem similitudinis suæ fecit illum.
23Toch heeft God den mens geschapen voor onsterfelijkheid, En hem gemaakt als een beeld van zijn Wezen.
24Invidia autem diaboli mors introivit in orbem terrarum:
24Maar de afgunst van den duivel bracht de dood in de wereld;
25imitantur autem illum qui sunt ex parte illius.]
25Die hèm toebehoren, zullen hem smaken.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.