Sapientiæ Solomonis
Chapter 5

Sapientiæ Solomonis

Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Sapientiæ Solomonis 5

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Tunc stabunt justi in magna constantia adversus eos qui se angustiaverunt, et qui abstulerunt labores eorum.
1Dan staat de rechtvaardige met groot vertrouwen Tegenover hen, die eens hem verdrukten, En verachtelijk neerzagen op zijn zwoegen.
2Videntes turbabuntur timore horribili, et mirabuntur in subitatione insperatæ salutis;
2Dezen zullen bij dat gezicht van grote vreze worden bevangen, Geheel ontsteld over dat onverwachte heil;
3dicentes intra se, pœnitentiam agentes, et præ angustia spiritus gementes: Hi sunt quos habuimus aliquando in derisum, et in similitudinem improperii.
3Ze zullen tegen elkander zeggen, met rouw in het hart, En in hun zielsangst zuchten:
4Nos insensati, vitam illorum æstimabamus insaniam, et finem illorum sine honore;
4Dit is nu de man, dien wij vroeger bespotten Als een toonbeeld van hoon, wij verdwaasden. Wij hebben zijn leven voor waanzin gehouden, En zijn einde voor eerloos;
5ecce quomodo computati sunt inter filios Dei, et inter sanctos sors illorum est.
5Hoe wordt hij nu onder de kinderen Gods geteld, En deelt hij het lot van de heiligen!
6Ergo erravimus a via veritatis, et justitiæ lumen non luxit nobis, et sol intelligentiæ non est ortus nobis.
6Wij dwaalden dus af van de weg der waarheid; Het licht van de deugd verlichtte ons niet, En de zon ging niet over ons op.
7Lassati sumus in via iniquitatis et perditionis, et ambulavimus vias difficiles: viam autem Domini ignoravimus.
7Wij tobden ons af op de wegen van zonde en verderf, Trokken ongebaande woestijnen door, Maar de weg des Heren kenden wij niet!
8Quid nobis profuit superbia? aut divitiarum jactantia quid contulit nobis?
8Wat baatte ons dan die overmoed; Wat hebben geld en grootdoen ons gebracht?
9Transierunt omnia illa tamquam umbra, et tamquam nuntius percurrens,
9Het ging alles voorbij als een schaduw, Voorbij als een loos gerucht;
10et tamquam navis quæ pertransit fluctuantem aquam, cujus cum præterierit non est vestigium invenire, neque semitam carinæ illius in fluctibus;
10Als een schip, dat de golvende wateren klieft, Zonder dat men een spoor van zijn doortocht kan vinden, Of een pad van zijn kiel in de baren.
11aut tamquam avis quæ transvolat in aëre, cujus nullum invenitur argumentum itineris, sed tantum sonitus alarum verberans levem ventum, et scindens per vim itineris aërem: commotis alis transvolavit, et post hoc nullum signum invenitur itineris illius;
11Of zoals men bij een vogel, die vliegt door de lucht, Geen enkel teken meer vindt van zijn weg: De ijle lucht wordt gezwiept door het slaan van zijn vleugels En gekliefd door de kracht van zijn vlucht; Met klapperende wieken trekt hij er door, Daarna wordt geen spoor van zijn tocht meer gevonden.
12aut tamquam sagitta emissa in locum destinatum, divisus aër continuo in se reclusus est, ut ignoretur transitus illius:
12Of zoals een pijl, naar het doel geschoten, De lucht doorklieft, die terstond zich weer sluit, Zodat men zijn baan niet kan zien:
13sic et nos nati continuo desivimus esse; et virtutis quidem nullum signum valuimus ostendere, in malignitate autem nostra consumpti sumus.
13Zó zijn wij geboren en ook weer gestorven, Zonder een spoor te kunnen tonen van deugd; Midden in onze boosheid overviel ons het einde.
14Talia dixerunt in inferno hi qui peccaverunt:
14Ja, de hoop van den zondaar is als kaf, meegesleurd door de wind, Als het lichte schuim, voortgedreven door de storm, Als rook, door een windvlaag verspreid; Ze vervliegt als de herinnering aan een gast van één dag.
15quoniam spes impii tamquam lanugo est quæ a vento tollitur, et tamquam spuma gracilis quæ a procella dispergitur, et tamquam fumus qui a vento diffusus est, et tamquam memoria hospitis unius diei prætereuntis.
15Maar de rechtvaardigen blijven eeuwig leven; Bij den Heer vinden zij hun loon, De Allerhoogste zorgt voor hen.
16Justi autem in perpetuum vivent, et apud Dominum est merces eorum, et cogitatio illorum apud Altissimum.
16Daarom zullen zij het rijk der glorie ontvangen, En een heerlijke kroon uit de hand van den Heer; Want Hij beschermt hen met zijn rechterhand, En beschut hen met zijn arm.
17Ideo accipient regnum decoris, et diadema speciei de manu Domini: quoniam dextera sua teget eos, et brachio sancto suo defendet illos.
17Hij neemt zijn ijverzucht als pantser, En bewapent de schepping om den vijand te straffen;
18Accipiet armaturam zelus illius, et armabit creaturam ad ultionem inimicorum.
18Als harnas gordt Hij zijn rechtvaardigheid aan, En zet zijn onfeilbaar oordeel op als helm;
19Induet pro thorace justitiam, et accipiet pro galea judicium certum;
19Hij neemt zijn onoverwinlijke heiligheid als schild,
20sumet scutum inexpugnabile æquitatem.
20Scherpt zijn strenge gramschap tot zwaard, En het heelal strijdt met Hem mee tegen de dwazen.
21Acuet autem duram iram in lanceam, et pugnabit cum illo orbis terrarum contra insensatos.
21De welgemikte pijlen van de bliksem schieten neer, Vliegen van de strakgespannen wolkenboog naar hun doel,
22Ibunt directe emissiones fulgurum, et tamquam a bene curvato arcu nubium exterminabuntur, et ad certum locum insilient.
22En grimmige hagelstenen worden uit de slinger geworpen; De wateren der zee storten zich kokend over hen uit, En de stromen bruisen onstuimig aan;
23Et a petrosa ira plenæ mittentur grandines; excandescet in illos aqua maris, et flumina concurrent duriter.
23De adem van den Almachtige steekt tegen hen op, En jaagt hen uiteen als een orkaan. Zo maakt boosheid de aarde tot een woestenij, En werpt ongerechtigheid de tronen van vorsten omver!
24Contra illos stabit spiritus virtutis, et tamquam turbo venti dividet illos; et ad eremum perducet omnem terram iniquitas illorum, et malignitas evertet sedes potentium.]
no verse 24 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.