Sapientiæ Solomonis 13
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Vani autem sunt omnes homines in quibus non subest scientia Dei; et de his quæ videntur bona, non potuerunt intelligere eum qui est, neque operibus attendentes agnoverunt quis esset artifex:
1Want grote dwazen zijn alle mensen, die God niet kennen: Die niet door de zichtbare goederen heen Hem vermogen te zien, Wel zijn werken aanschouwen, maar den Schepper niet vinden;
2sed aut ignem, aut spiritum, aut citatum aërem, aut gyrum stellarum, aut nimiam aquam, aut solem et lunam, rectores orbis terrarum deos putaverunt.
2Maar die het vuur of de wind of de vluchtige lucht, Of de kring van de sterren of het geweldige water, Of de luchters des hemels aanzien als goden, die de wereld besturen.
3Quorum si specie delectati, deos putaverunt, sciant quanto his dominator eorum speciosior est: speciei enim generator hæc omnia constituit.
3Als zij door hun schoonheid bekoord, ze als god beschouwden, Hadden zij moeten begrijpen, dat hun Meester heerlijker is; Want de Maker van alle schoonheid heeft ze geschapen.
4Aut si virtutem et opera eorum mirati sunt, intelligant ab illis quoniam qui hæc fecit fortior est illis:
4En als hun macht en werking ze in bewondering bracht, Hadden zij moeten inzien, dat hun Schepper veel machtiger is.
5a magnitudine enim speciei et creaturæ cognoscibiliter poterit creator horum videri.
5Want uit de grootheid en schoonheid der schepselen Kent men door vergelijking den Schepper.
6Sed tamen adhuc in his minor est querela; et hi enim fortasse errant, Deum quærentes, et volentes invenire.
6Toch zijn dezen nog minder te laken: Want zij dwalen wel, maar zoeken toch God en willen Hem vinden;
7Etenim cum in operibus illius conversentur inquirunt, et persuasum habent quoniam bona sunt quæ videntur.
7Zij onderzoeken tenminste zijn werken en vorsen ze na, Maar worden misleid door de schijn van hun uiterlijke pracht.
8Iterum autem nec his debet ignosci.
8Van de andere kant zijn ook zij niet geheel zonder schuld:
9Si enim tantum potuerunt scire ut possent æstimare sæculum, quomodo hujus Dominum non facilius invenerunt?]
9Want als zij hun kennis zo ver konden brengen, Dat zij in staat waren, het heelal te doorvorsen, Waarom hebben zij dan niet veeleer den Heer van dat alles gevonden?
10[Infelices autem sunt, et inter mortuos spes illorum est, qui appellaverunt deos opera manuum hominum: aurum et argentum, artis inventionem, et similitudines animalium, aut lapidem inutilem, opus manus antiquæ.
10Maar werkelijk rampzalig zijn zij, die op doden vertrouwen, Doordat zij het werk van mensenhanden beschouwen als god: Goud en zilver, kunstproducten en dierenbeelden, Of waardeloze steen, oudtijds door mensenhanden bewerkt;
11Aut si quis artifex faber de silva lignum rectum secuerit, et hujus docte eradat omnem corticem, et arte sua usus diligenter fabricet vas utile in conversationem vitæ;
11Of een stevige boom, die een houtbewerker omzaagt, En geheel in het rond zorgvuldig van zijn schors ontdoet, Die hij keurig bewerkt en tot een meubel maakt, Dat het gemak des levens kan dienen.
12reliquiis autem ejus operis ad præparationem escæ abutatur,
12Wat er afvalt bij het werk, benut hij om zijn maal te bereiden, En zo zijn buik te vullen.
13et reliquum horum quod ad nullos usus facit, lignum curvum et vorticibus plenum sculpat diligenter per vacuitatem suam, et per scientiam suæ artis figuret illud, et assimilet illud imagini hominis,
13Blijft er dan nog wat over, dat nergens voor dient, Een krom stuk hout, met knoesten doorgroeid, Dan gaat hij het bewerken voor tijdverdrijf, En geeft er handig een vorm aan voor zijn ontspanning: Hij geeft het de gedaante van een mens,
14aut alicui ex animalibus illud comparet: perliniens rubrica, et rubicundum faciens fuco colorem illius, et omnem maculam quæ in illo est perliniens;
14Of de gestalte van een armzalig beest. Dan smeert hij er wat menie op, en kleurt het van buiten rood; En wat voor vlekken het heeft, ze worden met verf bedekt.
15et faciat ei dignam habitationem, et in pariete ponens illud, et confirmans ferro
15Dan maakt hij er een passend voetstuk onder, En hangt het aan de wand met een spijker vast;
16ne forte cadat, prospiciens illi: sciens quoniam non potest adjuvare se: imago enim est, et opus est illi adjutorium.
16Zo zorgt hij er voor, dat het niet kan vallen. Want hij weet wel, dat het zich niet zelf kan redden: Het is maar een beeld, dat hulp behoeft.
17Et de substantia sua, et de filiis suis, et de nuptiis votum faciens inquirit: non erubescit loqui cum illo qui sine anima est.
17Maar als hij voor zijn bezit, voor vrouw en kinderen wil bidden, Schaamt hij zich niet, tot het levenloze ding te gaan spreken: Om gezondheid bidt hij het zwakke,
18Et pro sanitate quidem infirmum deprecatur, et pro vita rogat mortuum, et in adjutorium inutilem invocat.
18Om leven vraagt hij het dode; Om bijstand smeekt hij het machteloze, Om een voorspoedige reis, wat geen voet kan verzetten;
19Et pro itinere petit ab eo qui ambulare non potest; et de acquirendo, et de operando, et de omnium rerum eventu, petit ab eo qui in omnibus est inutilis.]
19Voor winst en arbeid en succes bij het werk Vraagt hij kracht aan wat zijn eigen hand niet kan roeren.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.