Sapientiæ Solomonis 9
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Deus patrum meorum, et Domine misericordiæ, qui fecisti omnia verbo tuo,
1God der vaderen, barmhartige Heer, Die door uw woord het heelal hebt geschapen,
2et sapientia tua constituisti hominem, ut dominaretur creaturæ quæ a te facta est,
2En door uw wijsheid den mens hebt gevormd, Opdat hij zou heersen over uw schepping,
3ut disponat orbem terrarum in æquitate et justitia, et in directione cordis judicium judicet:
3Heilig en rechtvaardig de wereld besturen, En rechtzinnig van hart zou regeren:
4da mihi sedium tuarum assistricem sapientiam, et noli me reprobare a pueris tuis:
4Verleen mij de wijsheid, die op uw troon is gezeten, En sluit mij niet buiten de kring uwer kinderen.
5quoniam servus tuus sum ego, et filius ancillæ tuæ; homo infirmus, et exigui temporis, et minor ad intellectum judicii et legum.
5Ik ben toch uw dienstknecht, de zoon van uw dienstmaagd, Een mens vol zwakheid en kortstondig van leven, Die weinig begrip heeft van recht en van wetten.
6Nam etsi quis erit consummatus inter filios hominum, si ab illo abfuerit sapientia tua, in nihilum computabitur.
6Ja, al is iemand ook de volmaaktste der mensen, Zonder uw wijsheid geldt hij voor niets;
7Tu elegisti me regem populo tuo, et judicem filiorum tuorum et filiarum:
7Toch hebt Gijzelf mij verkoren tot koning van uw volk, Tot vorst van uw zonen en dochters.
8et dixisti me ædificare templum in monte sancto tuo, et in civitate habitationis tuæ altare: similitudinem tabernaculi sancti tui quod præparasti ab initio.
8Gij liet mij een tempel bouwen op uw heilige berg, En een altaar in de stad, waar Gij woont, Als een beeld van de heilige tent, Die Gij van de aanvang af hebt bereid.
9Et tecum sapientia tua, quæ novit opera tua, quæ et affuit tunc cum orbem terrarum faceres, et sciebat quid esset placitum oculis tuis, et quid directum in præceptis tuis.
9Bij U toch is de wijsheid, die uw werken kent, Die tegenwoordig was, toen Gij de wereld schiept; Die weet, wat behaaglijk is in uw ogen En wat recht is naar uw geboden.
10Mitte illam de cælis sanctis tuis, et a sede magnitudinis tuæ, ut mecum sit et mecum laboret, ut sciam quid acceptum sit apud te:
10Zend haar neer uit de heilige hemel, En doe haar uitgaan van de troon uwer glorie, Opdat zij mij ter zijde sta bij mijn werken, En ik moge weten, wat U behaagt.
11scit enim illa omnia, et intelligit, et deducet me in operibus meis sobrie, et custodiet me in sua potentia.
11Zij toch weet alles en begrijpt alles; Zij zal mij beleidvol bij mijn daden besturen, En mij beschermen door haar glorie.
12Et erunt accepta opera mea, et disponam populum tuum juste, et ero dignus sedium patris mei.
12Dan zullen mijn werken welbehaaglijk zijn, Zal ik uw volk rechtvaardig besturen, En de troon van mijn vader waardig zijn.
13Quis enim hominum poterit scire consilium Dei? aut quis poterit cogitare quid velit Deus?
13Want wie van de mensen zou Gods wil kunnen kennen; Wie achterhalen, wat de Heer verlangt?
14Cogitationes enim mortalium timidæ, et incertæ providentiæ nostræ;
14De gedachten der stervelingen zijn immers weifelend, En onzeker onze berekeningen.
15corpus enim quod corrumpitur aggravat animam, et terrena inhabitatio deprimit sensum multa cogitantem.
15Want het sterfelijk lichaam is een last voor de ziel, De aardse tent belemmert de geest bij het denken;
16Et difficile æstimamus quæ in terra sunt, et quæ in prospectu sunt invenimus cum labore: quæ autem in cælis sunt, quis investigabit?
16Nauwelijks bevroeden wij de dingen der aarde, Zelfs wat voor de hand ligt, verstaan wij met moeite. Wie zal dan de dingen des hemels doorgronden,
17Sensum autem tuum, quis sciet, nisi tu dederis sapientiam, et miseris spiritum sanctum tuum de altissimis,
17Wie uw wil kunnen kennen, Als Gij geen wijsheid zoudt schenken, Niet van boven uw heilige geest zoudt zenden?
18et sic correctæ sint semitæ eorum qui sunt in terris, et quæ tibi placent didicerint homines?
18Zo alleen vinden de bewoners der aarde rechte paden, Leren de mensen wat U welgevallig is, En worden zij gered door de wijsheid.
19Nam per sapientiam sanati sunt quicumque placuerunt tibi, Domine, a principio.]
no verse 19 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.