Sapientiæ Solomonis 4
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[O quam pulchra est casta generatio, cum claritate ! immortalis est enim memoria illius, quoniam et apud Deum nota est, et apud homines.
1Beter kinderloosheid, verbonden met deugd; Want deze blijft onsterfelijk in de herinnering, Daar zij geacht wordt door God en de mensen.
2Cum præsens est, imitantur illam, et desiderant eam cum se eduxerit; et in perpetuum coronata triumphat, incoinquinatorum certaminum præmium vincens.
2Zolang zij er is, volgt men haar na, En is zij heengegaan, men voelt het gemis; Voor eeuwig triomfeert zij, de lauwerkrans dragend, Omdat zij door smetteloos strijden de kamp heeft gewonnen.
3Multigena autem impiorum multitudo non erit utilis, et spuria vitulamina non dabunt radices altas, nec stabile firmamentum collocabunt.
3Maar het grote kindertal zal den zondaar niet baten: Door de onechte spruiten slaat het geen diepe wortels. En kan het geen vaste grondslag vinden.
4Etsi in ramis in tempore germinaverint, infirmiter posita, a vento commovebuntur, et a nimietate ventorum eradicabuntur.
4Al schiet het ook een tijdlang nieuwe loten, Het staat toch niet vast, en wordt geschud door de storm; En door de kracht van de winden wordt het ontworteld.
5Confringentur enim rami inconsummati; et fructus illorum inutiles et acerbi ad manducandum, et ad nihilum apti.
5Aan alle kanten worden zijn jonge loten gebroken, Hun vrucht is ongenietbaar, te wrang om te eten, En nergens voor te gebruiken.
6Ex iniquis enim somnis filii qui nascuntur, testes sunt nequitiæ adversus parentes in interrogatione sua.
6Ja, kinderen, uit zondige omgang geboren, Getuigen bij het oordeel tegen het misdrijf der ouders.
7Justus autem si morte præoccupatus fuerit, in refrigerio erit;
7Maar de vrome vindt rust, al sterft hij vroeg.
8senectus enim venerabilis est non diuturna, neque annorum numero computata: cani autem sunt sensus hominis,
8Want niet om lange levensduur is de ouderdom eervol, Niet naar het aantal der jaren wordt hij berekend;
9et ætas senectutis vita immaculata.
9Maar wijsheid is voor de mensen grijze haren, Een smetteloos leven hoge ouderdom.
10Placens Deo factus est dilectus, et vivens inter peccatores translatus est.
10Daar hij Gode welgevallig was, werd hij bemind, Daar hij tussen zondaars leefde, werd hij opgenomen:
11Raptus est, ne malitia mutaret intellectum ejus, aut ne fictio deciperet animam illius.
11Weggerukt, opdat het kwaad niet zijn geest zou bederven, Of bedrog niet zijn ziel zou verleiden.
12Fascinatio enim nugacitatis obscurat bona, et inconstantia concupiscentiæ transvertit sensum sine malitia.
12Want de betovering van het kwaad verduistert het goede, En de roes der lusten bederft de onschuldige geest.
13Consummatus in brevi, explevit tempora multa;
13Vroeg voleindigd, heeft hij vele jaren bereikt;
14placita enim erat Deo anima illius: propter hoc properavit educere illum de medio iniquitatum. Populi autem videntes, et non intelligentes, nec ponentes in præcordiis talia,
14Want zijn ziel was den Heer welgevallig, En daarom nam Hij hem ijlings weg uit het kwaad. Maar de mensen, die het zagen, verstonden het niet, En kwamen niet op de gedachte:
15quoniam gratia Dei et misericordia est in sanctos ejus, et respectus in electos illius.
15Dat over zijn geliefden genade en erbarming komen, En zegenrijke vergelding over zijn heiligen.
16Condemnat autem justus mortuus vivos impios, et juventus celerius consummata longam vitam injusti.
16Maar de vrome stelt zijn dood boven het leven der bozen, Zijn vroeg beëindigde jeugd boven de hoge ouderdom der zondaars.
17Videbunt enim finem sapientis, et non intelligent quid cogitaverit de illo Deus, et quare munierit illum Dominus.
17Want dezen zien wel het eind van den wijze, Maar begrijpen niet, wat de Heer met hem voor heeft, En waarom Hij hem in veiligheid bracht.
18Videbunt, et contemnent eum; illos autem Dominus irridebit.
18Ze zien het en geven hun verachting te kennen, Maar de Heer lacht ze uit.
19Et erunt post hæc decidentes sine honore, et in contumelia inter mortuos in perpetuum: quoniam disrumpet illos inflatos sine voce, et commovebit illos a fundamentis, et usque ad supremum desolabuntur, et erunt gementes, et memoria illorum peribit.
19Eens toch worden ze een eerloos lijk, Een spot onder de doden voor eeuwig; Want Hij slaat ze ter aarde neer in verstomming, En rukt ze van hun grondvesten los. Dan worden ze geheel weggevaagd; Ze zullen pijn moeten lijden, En hun gedachtenis zal vergaan.
20Venient in cogitatione peccatorum suorum timidi, et traducent illos ex adverso iniquitates ipsorum.]
20Bij de afrekening van hun zonden verschijnen ze met angst, En hun eigen misdaden treden als getuigen tegen hen op.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.