ΣΟΦΙΑ 4
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΡΕΙΣΣΩΝ ἀτεκνία μετὰ ἀρετῆς· ἀθανασία γάρ ἐστιν ἐν μνήμῃ αὐτῆς, ὅτι καὶ παρὰ Θεῷ γινώσκεται καὶ παρὰ ἀνθρώποις·
1Beter kinderloosheid, verbonden met deugd; Want deze blijft onsterfelijk in de herinnering, Daar zij geacht wordt door God en de mensen.
2παροῦσάν τε μιμοῦνται αὐτὴν καὶ ποθοῦσιν ἀπελθοῦσαν· καὶ ἐν τῷ αἰῶνι στεφανηφοροῦσα πομπεύει τὸν τῶν ἀμιάντων ἄθλων ἀγῶνα νικήσασα.
2Zolang zij er is, volgt men haar na, En is zij heengegaan, men voelt het gemis; Voor eeuwig triomfeert zij, de lauwerkrans dragend, Omdat zij door smetteloos strijden de kamp heeft gewonnen.
3πολύγονον δὲ ἀσεβῶν πλῆθος οὐ χρησιμεύσει, καὶ ἐκ νόθων μοσχευμάτων οὐ δώσει ρίζαν εἰς βάθος, οὐδὲ ἀσφαλῆ βάσιν ἑδράσει·
3Maar het grote kindertal zal den zondaar niet baten: Door de onechte spruiten slaat het geen diepe wortels. En kan het geen vaste grondslag vinden.
4κἂν γὰρ ἐν κλάδοις πρὸς καιρὸν ἀναθάλῃ, ἐπισφαλῶς βεβηκότα ὑπὸ ἀνέμου σαλευθήσεται καὶ ὑπὸ βίας ἀνέμων ἐκριζωθήσεται.
4Al schiet het ook een tijdlang nieuwe loten, Het staat toch niet vast, en wordt geschud door de storm; En door de kracht van de winden wordt het ontworteld.
5περικλασθήσονται κλῶνες ἀτέλεστοι, καὶ ὁ καρπὸς αὐτῶν ἄχρηστος, ἄωρος εἰς βρῶσιν καὶ εἰς οὐθὲν ἐπιτήδειος·
5Aan alle kanten worden zijn jonge loten gebroken, Hun vrucht is ongenietbaar, te wrang om te eten, En nergens voor te gebruiken.
6ἐκ γὰρ ἀνόμων ὕπνων τέκνα γεννώμενα μάρτυρές εἰσι πονηρίας κατὰ γονέων ἐν ἐξετασμῷ αὐτῶν.
6Ja, kinderen, uit zondige omgang geboren, Getuigen bij het oordeel tegen het misdrijf der ouders.
7Δίκαιος δὲ ἐὰν φθάσῃ τελευτῆσαι, ἐν ἀναπαύσει ἔσται·
7Maar de vrome vindt rust, al sterft hij vroeg.
8γῆρας γὰρ τίμιον οὐ τὸ πολυχρόνιον οὐδὲ ἀριθμῷ ἐτῶν μεμέτρηται·
8Want niet om lange levensduur is de ouderdom eervol, Niet naar het aantal der jaren wordt hij berekend;
9πολιὰ δέ ἐστι φρόνησις ἀνθρώποις καὶ ἡλικία γήρως βίος ἀκηλίδωτος.
9Maar wijsheid is voor de mensen grijze haren, Een smetteloos leven hoge ouderdom.
10εὐάρεστος τῷ Θεῷ γενόμενος ἠγαπήθη καὶ ζῶν μεταξὺ ἁμαρτωλῶν μετετέθη·
10Daar hij Gode welgevallig was, werd hij bemind, Daar hij tussen zondaars leefde, werd hij opgenomen:
11ἡρπάγη, μὴ κακία ἀλλάξῃ σύνεσιν αὐτοῦ ἢ δόλος ἀπατήσῃ ψυχὴν αὐτοῦ·
11Weggerukt, opdat het kwaad niet zijn geest zou bederven, Of bedrog niet zijn ziel zou verleiden.
12βασκανία γὰρ φαυλότητος ἀμαυροῖ τὰ καλά, καὶ ρεμβασμὸς ἐπιθυμίας μεταλλεύει νοῦν ἄκακον.
12Want de betovering van het kwaad verduistert het goede, En de roes der lusten bederft de onschuldige geest.
13τελειωθεὶς ἐν ὀλίγῳ ἐπλήρωσε χρόνους μακρούς,
13Vroeg voleindigd, heeft hij vele jaren bereikt;
14ἀρεστὴ γὰρ ἦν Κυρίῳ ἡ ψυχὴ αὐτοῦ· διὰ τοῦτο ἔσπευσεν ἐκ μέσου πονηρίας. οἱ δὲ λαοὶ ἰδόντες καὶ μὴ νοήσαντες, μηδὲ θέντες ἐπὶ διανοίᾳ τὸ τοιοῦτον,
14Want zijn ziel was den Heer welgevallig, En daarom nam Hij hem ijlings weg uit het kwaad. Maar de mensen, die het zagen, verstonden het niet, En kwamen niet op de gedachte:
15ὅτι χάρις καὶ ἔλεος ἐν τοῖς ἐκλεκτοῖς αὐτοῦ καὶ ἐπισκοπὴ ἐν τοῖς ὁσίοις αὐτοῦ.
15Dat over zijn geliefden genade en erbarming komen, En zegenrijke vergelding over zijn heiligen.
16κατακρινεῖ δὲ δίκαιος καμὼν τοὺς ζῶντας ἀσεβεῖς καὶ νεότης τελεσθεῖσα ταχέως πολυετὲς γῆρας ἀδίκου·
16Maar de vrome stelt zijn dood boven het leven der bozen, Zijn vroeg beëindigde jeugd boven de hoge ouderdom der zondaars.
17ὄψονται γὰρ τελευτὴν σοφοῦ καὶ οὐ νοήσουσι τί ἐβουλεύσατο περὶ αὐτοῦ καὶ εἰς τί ἠσφαλίσατο αὐτὸν ὁ Κύριος.
17Want dezen zien wel het eind van den wijze, Maar begrijpen niet, wat de Heer met hem voor heeft, En waarom Hij hem in veiligheid bracht.
18ὄψονται καὶ ἐξουθενήσουσιν, αὐτοὺς δὲ ὁ Κύριος ἐκγελάσεται
18Ze zien het en geven hun verachting te kennen, Maar de Heer lacht ze uit.
19καὶ ἔσονται μετὰ τοῦτο εἰς πτῶμα ἄτιμον καὶ εἰς ὕβριν ἐν νεκροῖς δι᾿ αἰῶνος, ὅτι ρήξει αὐτοὺς ἀφώνους πρηνεῖς καὶ σαλεύσει αὐτοὺς ἐκ θεμελίων καὶ ἕως ἐσχάτου χερσωθήσονται καὶ ἔσονται ἐν ὀδύνῃ, καὶ ἡ μνήμη αὐτῶν ἀπολεῖται.
19Eens toch worden ze een eerloos lijk, Een spot onder de doden voor eeuwig; Want Hij slaat ze ter aarde neer in verstomming, En rukt ze van hun grondvesten los. Dan worden ze geheel weggevaagd; Ze zullen pijn moeten lijden, En hun gedachtenis zal vergaan.
20ἐλεύσονται ἐν συλλογισμῷ ἁμαρτημάτων αὐτῶν δειλοί, καὶ ἐλέγξει αὐτοὺς ἐξεναντίας τὰ ἀνομήματα αὐτῶν.
20Bij de afrekening van hun zonden verschijnen ze met angst, En hun eigen misdaden treden als getuigen tegen hen op.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.