Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1É melhor não ter filhos e possuir virtude, pois há imortalidade na memória da virtude, porque ela é reconhecida tanto diante de Deus como diante dos homens.
1Beter kinderloosheid, verbonden met deugd; Want deze blijft onsterfelijk in de herinnering, Daar zij geacht wordt door God en de mensen.
2Quando está presente, as pessoas a imitam. Quando se vai, sentem saudade dela. Por toda a eternidade, ela marcha coroada em triunfo, vitoriosa na competição por prêmios incorruptíveis.
2Zolang zij er is, volgt men haar na, En is zij heengegaan, men voelt het gemis; Voor eeuwig triomfeert zij, de lauwerkrans dragend, Omdat zij door smetteloos strijden de kamp heeft gewonnen.
3Mas a numerosa descendência dos ímpios não terá proveito, e seus rebentos ilegítimos não criarão raízes profundas nem estabelecerão fundamento seguro.
3Maar het grote kindertal zal den zondaar niet baten: Door de onechte spruiten slaat het geen diepe wortels. En kan het geen vaste grondslag vinden.
4Ainda que seus ramos cresçam e floresçam por algum tempo, por não estarem firmemente plantados, serão sacudidos pelo vento e arrancados pela violência dos vendavais.
4Al schiet het ook een tijdlang nieuwe loten, Het staat toch niet vast, en wordt geschud door de storm; En door de kracht van de winden wordt het ontworteld.
5Seus galhos serão quebrados antes de amadurecerem. Seu fruto será inútil, nunca amadurecerá para ser comido e não servirá para nada.
5Aan alle kanten worden zijn jonge loten gebroken, Hun vrucht is ongenietbaar, te wrang om te eten, En nergens voor te gebruiken.
6Pois os filhos concebidos em união ilícita são testemunhas da perversidade contra seus pais quando estes forem julgados.
6Ja, kinderen, uit zondige omgang geboren, Getuigen bij het oordeel tegen het misdrijf der ouders.
7Mas o justo, ainda que morra antes do tempo, encontrará descanso.
7Maar de vrome vindt rust, al sterft hij vroeg.
8Pois uma velhice honrosa não se mede pela duração da vida nem pelo número de anos;
8Want niet om lange levensduur is de ouderdom eervol, Niet naar het aantal der jaren wordt hij berekend;
9mas, para os homens, o entendimento equivale aos cabelos brancos, e uma vida sem mancha é uma velhice madura.
9Maar wijsheid is voor de mensen grijze haren, Een smetteloos leven hoge ouderdom.
10Alguém que agradou a Deus foi amado por ele. Enquanto vivia entre pecadores, foi levado para outro lugar.
10Daar hij Gode welgevallig was, werd hij bemind, Daar hij tussen zondaars leefde, werd hij opgenomen:
11Foi arrebatado para que o mal não mudasse seu entendimento nem o engano seduzisse sua alma.
11Weggerukt, opdat het kwaad niet zijn geest zou bederven, Of bedrog niet zijn ziel zou verleiden.
12Pois o fascínio da maldade obscurece o que é bom, e o turbilhão do desejo perverte uma mente inocente.
12Want de betovering van het kwaad verduistert het goede, En de roes der lusten bederft de onschuldige geest.
13Tendo sido aperfeiçoado em pouco tempo, completou uma longa vida,
13Vroeg voleindigd, heeft hij vele jaren bereikt;
14porque sua alma agradava ao Senhor. Por isso ele se apressou em tirá-lo do meio da maldade.
14Want zijn ziel was den Heer welgevallig, En daarom nam Hij hem ijlings weg uit het kwaad. Maar de mensen, die het zagen, verstonden het niet, En kwamen niet op de gedachte:
15Os povos viram isso, mas não compreenderam, nem levaram em consideração que graça e misericórdia estão com seus escolhidos e que ele visita seus santos;
15Dat over zijn geliefden genade en erbarming komen, En zegenrijke vergelding over zijn heiligen.
16mas o justo que morreu condenará os ímpios que continuam vivos, e o jovem que rapidamente alcançou a perfeição condenará os muitos anos da velhice do injusto.
16Maar de vrome stelt zijn dood boven het leven der bozen, Zijn vroeg beëindigde jeugd boven de hoge ouderdom der zondaars.
17Pois os ímpios verão o fim do sábio, mas não compreenderão o que o Senhor planejou para ele nem por que o guardou em segurança.
17Want dezen zien wel het eind van den wijze, Maar begrijpen niet, wat de Heer met hem voor heeft, En waarom Hij hem in veiligheid bracht.
18Eles verão e desprezarão, mas o Senhor zombará deles. Depois disso, tornar-se-ão cadáveres sem honra e motivo de desprezo entre os mortos para sempre;
18Ze zien het en geven hun verachting te kennen, Maar de Heer lacht ze uit.
19porque ele os lançará mudos ao chão e os abalará desde os fundamentos. Ficarão completamente devastados, sofrerão angústia, e sua memória desaparecerá.
19Eens toch worden ze een eerloos lijk, Een spot onder de doden voor eeuwig; Want Hij slaat ze ter aarde neer in verstomming, En rukt ze van hun grondvesten los. Dan worden ze geheel weggevaagd; Ze zullen pijn moeten lijden, En hun gedachtenis zal vergaan.
20Virão cheios de medo covarde quando seus pecados forem contados, e suas ações contrárias à lei os acusarão face a face.
20Bij de afrekening van hun zonden verschijnen ze met angst, En hun eigen misdaden treden als getuigen tegen hen op.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.