Sabedoria 13
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Na verdade, todos os homens que não tinham percepção de Deus eram insensatos por natureza e não conseguiram, a partir das coisas boas que veem, conhecer aquele que existe. Não reconheceram o Artífice por meio de suas obras.
1Want grote dwazen zijn alle mensen, die God niet kennen: Die niet door de zichtbare goederen heen Hem vermogen te zien, Wel zijn werken aanschouwen, maar den Schepper niet vinden;
2Em vez disso, pensaram que o fogo, o vento, o ar veloz, as estrelas em movimento, a água impetuosa ou os luzeiros do céu fossem deuses que governam o mundo.
2Maar die het vuur of de wind of de vluchtige lucht, Of de kring van de sterren of het geweldige water, Of de luchters des hemels aanzien als goden, die de wereld besturen.
3Se foi por se encantarem com a beleza dessas coisas que as consideraram deuses, que reconheçam quanto o Senhor soberano delas é superior, pois o primeiro Autor da beleza as criou.
3Als zij door hun schoonheid bekoord, ze als god beschouwden, Hadden zij moeten begrijpen, dat hun Meester heerlijker is; Want de Maker van alle schoonheid heeft ze geschapen.
4E, se ficaram admirados com seu poder e sua força, compreendam, por meio delas, quanto mais poderoso é aquele que as formou.
4En als hun macht en werking ze in bewondering bracht, Hadden zij moeten inzien, dat hun Schepper veel machtiger is.
5Pois, pela grandeza e beleza das coisas criadas, pode-se perceber, por comparação, o seu Criador.
5Want uit de grootheid en schoonheid der schepselen Kent men door vergelijking den Schepper.
6Contudo, esses homens merecem apenas pequena censura, pois talvez se desviem enquanto procuram a Deus e desejam encontrá-lo.
6Toch zijn dezen nog minder te laken: Want zij dwalen wel, maar zoeken toch God en willen Hem vinden;
7Vivendo entre suas obras, investigam-nas diligentemente e se deixam convencer pelo que veem, porque as coisas contempladas são belas.
7Zij onderzoeken tenminste zijn werken en vorsen ze na, Maar worden misleid door de schijn van hun uiterlijke pracht.
8Mesmo assim, nem eles têm desculpa.
8Van de andere kant zijn ook zij niet geheel zonder schuld:
9Pois, se conseguiram conhecer tanto a ponto de poderem investigar o mundo, como não encontraram antes o Senhor soberano?
9Want als zij hun kennis zo ver konden brengen, Dat zij in staat waren, het heelal te doorvorsen, Waarom hebben zij dan niet veeleer den Heer van dat alles gevonden?
10Miseráveis, porém, são os que colocaram suas esperanças em coisas mortas e chamaram de deuses as obras das mãos humanas: ouro e prata trabalhados com habilidade, imagens de animais ou uma pedra inútil, obra de mão antiga.
10Maar werkelijk rampzalig zijn zij, die op doden vertrouwen, Doordat zij het werk van mensenhanden beschouwen als god: Goud en zilver, kunstproducten en dierenbeelden, Of waardeloze steen, oudtijds door mensenhanden bewerkt;
11Assim também um lenhador pode serrar uma árvore fácil de trabalhar, retirar habilmente toda a casca e, moldando-a com destreza, fazer um utensílio útil às necessidades da vida.
11Of een stevige boom, die een houtbewerker omzaagt, En geheel in het rond zorgvuldig van zijn schors ontdoet, Die hij keurig bewerkt en tot een meubel maakt, Dat het gemak des levens kan dienen.
12Com as sobras de seu trabalho, acende o fogo para preparar sua comida e come até se fartar.
12Wat er afvalt bij het werk, benut hij om zijn maal te bereiden, En zo zijn buik te vullen.
13Depois pega um pedaço descartado que não serve para nada, uma madeira torta e cheia de nós, e, no tempo ocioso, começa a esculpi-la com cuidado, dando-lhe forma com a habilidade de suas horas de folga. Molda-a à imagem de um homem
13Blijft er dan nog wat over, dat nergens voor dient, Een krom stuk hout, met knoesten doorgroeid, Dan gaat hij het bewerken voor tijdverdrijf, En geeft er handig een vorm aan voor zijn ontspanning: Hij geeft het de gedaante van een mens,
14ou a faz semelhante a algum animal desprezível, cobre-a com tinta vermelha, pinta-a de vermelho e cobre todas as suas manchas.
14Of de gestalte van een armzalig beest. Dan smeert hij er wat menie op, en kleurt het van buiten rood; En wat voor vlekken het heeft, ze worden met verf bedekt.
15Depois de preparar para ela um lugar digno, coloca-a numa parede e prende-a com ferro.
15Dan maakt hij er een passend voetstuk onder, En hangt het aan de wand met een spijker vast;
16Toma cuidado para que não caia, sabendo que ela não pode ajudar a si mesma, pois é apenas uma imagem e precisa de ajuda.
16Zo zorgt hij er voor, dat het niet kan vallen. Want hij weet wel, dat het zich niet zelf kan redden: Het is maar een beeld, dat hulp behoeft.
17Quando ora por seus bens, por seu casamento e por seus filhos, não se envergonha de falar com aquilo que não tem vida.
17Maar als hij voor zijn bezit, voor vrouw en kinderen wil bidden, Schaamt hij zich niet, tot het levenloze ding te gaan spreken: Om gezondheid bidt hij het zwakke,
18Pela saúde, invoca aquilo que é fraco. Pela vida, suplica ao que está morto. Por auxílio, pede ajuda ao que não tem experiência. Por uma boa viagem, pede a quem não consegue dar nem um passo.
18Om leven vraagt hij het dode; Om bijstand smeekt hij het machteloze, Om een voorspoedige reis, wat geen voet kan verzetten;
19E, para obter lucro nos negócios e sucesso no trabalho de suas mãos, pede habilidade àquilo cujas mãos são incapazes de fazer qualquer coisa.
19Voor winst en arbeid en succes bij het werk Vraagt hij kracht aan wat zijn eigen hand niet kan roeren.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.