ΣΟΦΙΑ
Chapter 12
Septuagint (Greek Old Te…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΤΟ γὰρ ἄφθαρτόν σου πνεῦμά ἐστιν ἐν πᾶσι.
1Want uw onsterfelijke geest is in alles,
2διὸ τοὺς παραπίπτοντας κατ᾿ ὀλίγον ἐλέγχεις καὶ ἐν οἷς ἁμαρτάνουσιν ὑπομιμνήσκων νουθετεῖς, ἵνα ἀπαλλαγέντες τῆς κακίας πιστεύσωσιν ἐπὶ σέ, Κύριε.
2En daarom straft Gij de zondaars slechts matig; Gij houdt hun door die waarschuwing hun misdaad voor ogen, Opdat zij de zonde verlaten en U trouw blijven, Heer.
3καὶ γὰρ τοὺς παλαιοὺς οἰκήτορας τῆς ἁγίας σου γῆς μισήσας
3Ook de vroegere bewoners van uw heilig land
4ἐπὶ τῷ ἔχθιστα πράσσειν ἔργα φαρμακειῶν καὶ τελετὰς ἀνοσίους
4Hebt Gij gehaat om hun schandelijk leven,
5τέκνων τε φονέας ἀνελεήμονας καὶ σπλαγχνοφάγων ἀνθρωπίνων σαρκῶν θοῖναν καὶ αἵματος, ἐκ μέσου μύστας θιάσου
5Om hun toverkunst en afschuwelijke gebruiken: Het meedogenloos moorden van kinderen, Het eten van ingewanden, en vlees en bloed van mensen. Daarom hebt Gij die ingewijden uit hun festijnen weggerukt,
6καὶ αὐθέντας γονεῖς ψυχῶν ἀβοηθήτων, ἐβουλήθης ἀπολέσαι διὰ χειρῶν πατέρων ἡμῶν,
6En de ouders, die eigenhandig hun arme kinderen doodden, Door de hand van onze vaderen willen verdelgen:
7ἵνα ἀξίαν ἀποικίαν δέξηται Θεοῦ παίδων ἡ παρὰ σοὶ πασῶν τιμιωτάτη γῆ.
7Opdat het land, dat door U het hoogst wordt geschat, Een waardige bevolking zou opnemen van kinderen Gods.
8ἀλλὰ καὶ τούτων ὡς ἀνθρώπων ἐφείσω ἀπέστειλάς τε προδρόμους τοῦ στρατοπέδου σου σφῆκας, ἵνα αὐτοὺς κατὰ βραχὺ ἐξολοθρεύσωσιν.
8Toch hebt Gij ook hen, als mensen, genadig behandeld, En als voorlopers van uw leger horzels gezonden, Om hen slechts langzaam uit te roeien;
9οὐκ ἀδυνατῶν ἐν παρατάξει ἀσεβεῖς δικαίοις ὑποχειρίους δοῦναι ἢ θηρίοις δεινοῖς ἢ λόγῳ ἀποτόμῳ ὑφ᾿ ἓν ἐκτρῖψαι,
9Al hadt Gij de zondaars in de krijg aan de gerechten kunnen overleveren, Of in eens verdelgen door grimmige dieren of een streng bevel.
10κρίνων δὲ κατὰ βραχὺ ἐδίδους τόπον μετανοίας, οὐκ ἀγνοῶν ὅτι πονηρὰ ἡ γένεσις αὐτῶν καὶ ἔμφυτος ἡ κακία αὐτῶν καὶ ὅτι οὐ μὴ ἀλλαγῇ ὁ λογισμὸς αὐτῶν εἰς τὸν αἰῶνα.
10Door niet in eens te straffen gaaft Gij hun tijd tot bekering, Ofschoon Gij wist, dat hun geslacht was bedorven, Dat de boosheid hun was aangeboren, En dat hun gezindheid in eeuwigheid niet zou veranderen,
11σπέρμα γὰρ ἦν κατηραμένον ἀπ᾿ ἀρχῆς, οὐδὲ εὐλαβούμενός τινα ἐφ᾿ οἷς ἡμάρτανον ἄδειαν ἐδίδους.
11Daar hun zaad was vervloekt van de aanvang af. Niet uit ontzag voor iemand gaaft Gij uitstel aan hun zondestraf;
12τίς γὰρ ἐρεῖ· τί ἐποίησας; ἢ τίς ἀντιστήσεται τῷ κρίματί σου; τίς δὲ ἐγκαλέσει σοι κατὰ ἐθνῶν ἀπολωλότων, ἃ σὺ ἐποίησας; ἢ τίς εἰς κατάστασίν σοι ἐλεύσεται ἔκδικος κατὰ ἀδίκων ἀνθρώπων;
12Want wie zal durven zeggen: “Wat doet Gij?” Of wie zal zich verzetten tegen uw oordeel? Wie klaagt U aan, als Gij volken verdelgt, die Gij zelf hebt geschapen; Of wie treedt er tegen U op als verdediger van zondige mensen?
13οὔτε γὰρ Θεός ἐστι πλὴν σοῦ, ᾧ μέλει περὶ πάντων, ἵνα δείξῃς ὅτι οὐκ ἀδίκως ἔκρινας,
13Er is geen God buiten U, die zorg draagt voor allen, En zo bewijst, dat Gij niet onrechtvaardig straft.
14οὔτε βασιλεὺς ἢ τύραννος ἀντοφθαλμῆσαι δυνήσεταί σοι περὶ ὧν ἐκόλασας.
14Geen koning of vorst kan U rekenschap vragen over wien Gij kastijdt;
15δίκαιος δὲ ὢν δικαίως τὰ πάντα διέπεις, αὐτὸν τὸν μὴ ὀφείλοντα κολασθῆναι καταδικάσαι ἀλλότριον ἡγούμενος τῆς σῆς δυνάμεως.
15Maar omdat Gij rechtvaardig zijt, ordent Gij alles rechtvaardig. Wie geen straf verdient, straffen, Acht Gij in strijd met uw macht.
16ἡ γὰρ ἰσχύς σου δικαιοσύνης ἀρχή, καὶ τὸ πάντων σε δεσπόζειν πάντων φείδεσθαι ποιεῖ.
16Want uw macht is de grond van uw rechtvaardigheid; En juist wijl Gij alles beheerst, wordt door U alles gespaard.
17ἰσχὺν γὰρ ἐνδείκνυσαι ἀπιστούμενος ἐπὶ δυνάμεως τελειότητι καὶ ἐν τοῖς εἰδόσι τὸ θράσος ἐξελέγχεις.
17Want Gij toont uw kracht slechts, als men uw almacht uitdaagt; Gij straft enkel wie ze kent, en toch overmoedig is.
18σὺ δὲ δεσπόζων ἰσχύος ἐν ἐπιεικείᾳ κρίνεις καὶ μετὰ πολλῆς φειδοῦς διοικεῖς ἡμᾶς· πάρεστι γάρ σοι, ὅταν θέλῃς, τὸ δύνασθαι.
18Maar hoe groot ook uw kracht is, Gij straft met zachtheid, En heerst over ons met grote toegevendheid; Want als Gij maar wilt, het kunnen ligt in uw macht.
19Ἐδίδαξας δέ σου τὸν λαὸν διά τῶν τοιούτων ἔργων, ὅτι δεῖ τὸν δίκαιον εἶναι φιλάνθρωπον· καὶ εὐέλπιδας ἐποίησας τοὺς υἱούς σου ὅτι δίδως ἐπὶ ἁμαρτήμασι μετάνοιαν.
19Maar Gij hebt door zo te handelen uw volk willen leren, Dat menslievendheid een plicht is voor den rechtvaardige; En Gij hebt aan uw zonen de blijde hoop gegeven, Dat Gij na de zonden bekering schenkt.
20εἰ γὰρ ἐχθροὺς παίδων σου καὶ ὀφειλομένους θανάτῳ μετὰ τοσαύτης ἐτιμώρησας προσοχῆς καὶ διέσεως, δοὺς χρόνους καὶ τόπον, δι᾿ ὧν ἀπαλλαγῶσι τῆς κακίας,
20Want als Gij de vijanden uwer kinderen, die de dood verdienden, Zo behoedzaam en omzichtig gestraft hebt, Tijd en gelegenheid gegeven, om zich van het kwaad te bekeren:
21μετὰ πόσης ἀκριβείας ἔκρινας τοὺς υἱούς σου, ὧν τοῖς πατράσιν ὅρκους καὶ συνθήκας ἔδωκας ἀγαθῶν ὑποσχέσεων;
21Met welk een omzichtigheid zult Gij dan uw kinderen richten, Wier vaderen Gij onder eed en verbond de heerlijkste beloften hebt gegeven!
22Ἡμᾶς οὖν παιδεύων τοὺς ἐχθροὺς ἡμῶν ἐν μυριότητι μαστιγοῖς, ἵνα σου τὴν ἀγαθότητα μεριμνῶμεν κρίνοντες, κρινόμενοι δὲ προσδοκῶμεν ἔλεος.
22Ons wijst Gij terecht, onze vijanden geselt Gij duizendmaal, Opdat wij, als wij straffen, aan uw goedheid zouden denken, En als wij gestraft worden, op barmhartigheid hopen.
23ὅθεν καὶ τοὺς ἐν ἀφροσύνῃ ζωῆς βιώσαντας ἀδίκους διὰ τῶν ἰδίων ἐβασάνισας βδελυγμάτων·
23Daarom ook hebt Gij de bozen, die in dwaasheid hun leven vergooiden, Door hun eigen gruwelen gefolterd.
24καὶ γὰρ τῶν πλάνης ὁδῶν μακρότερον ἐπλανήθησαν, θεοὺς ὑπολαμβάνοντες τὰ καὶ ἐν ζῴοις τῶν ἐχθρῶν ἄτιμα, νηπίων δίκην ἀφρόνων ψευσθέντες.
24Want ze waren op de ergste doolwegen afgedwaald, Door de meest verachte en afschuwelijke beesten als god te beschouwen, En zo zichzelf te misleiden als onnozele kinderen.
25διὰ τοῦτο ὡς παισὶν ἀλογίστοις τὴν κρίσιν εἰς ἐμπαιγμὸν ἔπεμψας.
25Daarom hebt Gij hun, als kinderen zonder verstand, Een straf gezonden, die hen bespottelijk maakte.
26οἱ δὲ παιγνίοις ἐπιτιμήσεως μὴ νουθετηθέντες ἀξίαν Θεοῦ κρίσιν πειράσουσιν.
26Maar wie na een kastijding met spot zich niet betert, Zal een straf ondergaan, die God waardig is.
27ἐφ᾿ οἷς γὰρ αὐτοὶ πάσχοντες ἠγανάκτουν, ἐπὶ τούτοις, οὓς ἐδόκουν θεούς, ἐν αὐτοῖς κολαζόμενοι, ἰδόντες ὃν πάλαι ἠρνοῦντο εἰδέναι Θεὸν ἐπέγνωσαν ἀληθῆ· διὸ καὶ τὸ τέρμα τῆς καταδίκης ἐπ᾿ αὐτοὺς ἐπῆλθεν.
27Want in hun lijden, toen ze zich enkel maar ergerden Over hun waangoden, waarmee ze werden gekweld, Hadden ze den waren God moeten vinden, dien ze vroeger miskenden: Daarom kwam de allerzwaarste straf over hen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.