ΣΟΦΙΑ 18
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΤΟΙΣ δὲ ὁσίοις σου μέγιστον ἦν φῶς· ὧν φωνὴν μὲν ἀκούοντες, μορφὴν δὲ οὐχ ὁρῶντες, ὅτι μὲν οὐ κἀκεῖνοι ἐπεπόνθεισαν, ἐμακάριζον,
1Maar voor uw heiligen was het volop licht! En toen de anderen hun stem vernamen, zonder hen zelf te zien, Prezen ze hen gelukkig, ondanks hun lijden van vroeger;
2ὅτι δὲ οὐ βλάπτουσι προηδικημένοι, ηὐχαρίστουν καὶ τοῦ διενεχθῆναι χάριν ἐδέοντο.
2Ze waren verheugd, dat men het geleden onrecht niet wreekte, En vroegen vergiffenis voor hun vroegere vijandschap.
3ἀνθ᾿ ὧν πυριφλεγῆ στῦλον, ὁδηγὸν μὲν ἀγνώστου ὁδοιπορίας, ἥλιον δὲ ἀβλαβῆ φιλοτίμου ξενιτείας παρέσχες.
3Gij gaaft hùn daarentegen een vurige zuil, Als gids voor de onbekende tocht, En als een onschadelijke zon voor de roemvolle reis.
4ἄξιοι μὲν γὰρ ἐκεῖνοι στερηθῆναι φωτὸς καὶ φυλακισθῆναι ἐν σκότει, οἱ κατακλείστους φυλάξαντες τοὺς υἱούς σου, δι᾿ ὧν ἤμελλε τὸ ἄφθαρτον νόμου φῶς τῷ αἰῶνι δίδοσθαι.
4Want de anderen hadden verdiend, van het licht te worden beroofd, En in duisternis gevangen te blijven, Omdat ze uw kinderen in boeien hadden geklonken, Door wie het onvergankelijk licht van de Wet Aan de wereld moest worden geschonken.
5Βουλευσαμένους δ᾿ αὐτοὺς τὰ τῶν ὁσίων ἀποκτεῖναι νήπια καὶ ἑνὸς ἐκτεθέντος τέκνου καὶ σωθέντος, εἰς ἔλεγχον τὸ αὐτῶν ἀφείλω πλῆθος τέκνων καὶ ὁμοθυμαδὸν ἀπώλεσας ἐν ὕδατι σφοδρῷ.
5Ze hadden besloten, de kinderen der heiligen te doden; Maar één kind werd te vondeling gelegd en gered. Gij hebt hen, tot straf, van een menigte kinderen beroofd, En ze allen tezamen in het bruisende water verdelgd.
6ἐκείνη ἡ νὺξ προεγνώσθη πατράσιν ἡμῶν, ἵνα ἀσφαλῶς εἰδότες οἷς ἐπίστευσαν ὅρκοις ἐπευθυμήσωσι.
6Aan onze vaderen was die nacht tevoren aangekondigd, Opdat zij wel zouden weten, op welke eed zij hadden vertrouwd, En vol goede moed zouden zijn.
7προσεδέχθη δὲ ὑπὸ λαοῦ σου σωτηρία μὲν δικαίων, ἐχθρῶν δὲ ἀπώλεια·
7Zo werd de redding van de rechtvaardigen En de ondergang van den vijand door uw volk verwacht.
8ᾧ γὰρ ἐτιμωρήσω τοὺς ὑπεναντίους, τοῦτο ἡμᾶς προσκαλεσάμενος ἐδόξασας.
8Ja, door de straf, die Gij over uw tegenstanders deedt komen, Hebt Gij òns geroepen en verheerlijkt.
9κρυφῆ γὰρ ἐθυσίαζον ὅσιοι παῖδες ἀγαθῶν καὶ τὸν τῆς θειότητος νόμον ἐν ὁμονοίᾳ διέθεντο τῶν αὐτῶν ὁμοίως καὶ ἀγαθῶν καὶ κινδύνων μεταλήψεσθαι τοὺς ἁγίους, πατέρων ἤδη προαναμέλποντες αἴνους.
9Want terwijl de heilige kinderen der vromen heimelijk offerden, Stelden zij eensgezind vast als goddelijke wet, Dat de heiligen gelijkelijk geluk en gevaar zouden delen, En hieven zij reeds het loflied der vaderen aan.
10ἀντήχει δ᾿ ἀσύμφωνος ἐχθρῶν βοή, καὶ οἰκτρὰ διεφέρετο θρηνουμένων παίδων·
10Maar daar klonk als een wanklank het geklaag van den vijand, En weergalmde hun geschrei om het betreurde kind!
11ὁμοίᾳ δὲ δίκῃ δοῦλος ἅμα δεσπότῃ κολασθεὶς καὶ δημότης βασιλεῖ τὰ αὐτὰ πάσχων,
11Knecht en heer werden getroffen door dezelfde straf, Onderdaan en vorst droegen hetzelfde leed;
12ὁμοθυμαδὸν δὲ πάντες ἐν ἑνὶ ὀνόματι θανάτου νεκροὺς εἶχον ἀναριθμήτους· οὐδὲ γὰρ πρὸς τὸ θάψαι οἱ ζῶντες ἦσαν ἱκανοί, ἐπεὶ πρὸς μίαν ροπὴν ἡ ἐντιμοτέρα γένεσις αὐτῶν διέφθαρτο.
12Allen zonder onderscheid, en door een en dezelfde dood, Hadden lijken zonder tal. Ja, de levenden waren niet toereikend, om ze te begraven, Daar het edelste van hun kroost door één slag was verdelgd;
13πάντα γὰρ ἀπιστοῦντες διὰ τὰς φαρμακείας ἐπὶ τῷ τῶν πρωτοτόκων ὀλέθρῳ, ὡμολόγησαν Θεοῦ υἱὸν λαὸν εἶναι.
13En die om hun toverkunsten bij alles ongelovig waren gebleven, Moesten bij de dood der eerstgeborenen erkennen, Dat dit volk de zoon was van God!
14ἡσύχου γὰρ σιγῆς περιεχούσης τὰ πάντα καὶ νυκτὸς ἐν ἰδίῳ τάχει μεσαζούσης,
14Want terwijl een diepe stilte alles omgaf, En de nacht was voortgeijld tot de helft van zijn baan,
15ὁ παντοδύναμός σου λόγος ἀπ᾿ οὐρανῶν ἐκ θρόνων βασιλειῶν ἀπότομος πολεμιστὴς εἰς μέσον τῆς ὀλεθρίας ἥλατο γῆς,
15Sprong uw alvermogend woord van uw koningstroon in de hemel Als een grimmig krijgsman midden in het land van verderf,
16ξίφος ὀξὺ τὴν ἀνυπόκριτον ἐπιταγήν σου φέρων, καὶ στὰς ἐπλήρωσε τὰ πάντα θανάτου· καὶ οὐ- ρανοῦ μὲν ἥπτετο, βεβήκει δ᾿ ἐπὶ γῆς.
16En droeg als een scherpe degen uw onherroepelijk bevel. Daar stond het; overal verspreidde het de dood, En terwijl het over de aarde schreed, reikte het tot de hemel.
17τότε παραχρῆμα φαντασίαι μὲν ὀνείρων δεινῶς ἐξετάραξαν αὐτούς, φόβοι δὲ ἐπέστησαν ἀδόκητοι,
17Toen werden ze plotseling door vreselijke dromen verschrikt; Onverwachte angsten stortten zich over hen uit.
18καὶ ἄλλος ἀλλαχῇ ριφεὶς ἡμίθνητος δι᾿ ἣν ἔθνησκεν αἰτίαν ἐνεφάνιζεν·
18Hier viel de een half dood neer, daar de ander, En deed de oorzaak van zijn sterven nog kennen:
19οἱ γὰρ ὄνειροι θορυβήσαντες αὐτοὺς τοῦτο προεμήνυσαν, ἵνα μὴ ἀγνοοῦντες δι᾿ ὃ κακῶς πάσχουσιν ἀπόλωνται.
19Want de dromen, die hen verschrikten, Hadden het hun gemeld, Opdat ze de dood niet zouden vinden, Zonder te weten, waarom dat onheil hen trof.
20¨Ηψατο δὲ καὶ δικαίων πεῖρα θανάτου, καὶ θραῦσις ἐν ἐρήμῳ ἐγένετο πλήθους. ἀλλ᾿ οὐκ ἐπὶ πολὺ ἔμεινεν ἡ ὀργή·
20Zeker, ook over de gerechten kwam de beproeving des doods, Een slachting onder het volk in de woestijn; Maar toen duurde uw gramschap niet lang.
21σπεύσας γὰρ ἀνὴρ ἄμεμπτος προεμάχησε τὸ τῆς ἰδίας λειτουργίας ὅπλον, προσευχὴν καὶ θυμιάματος ἐξιλασμὸν κομίσας, ἀντέστη τῷ θυμῷ καὶ πέρας ἐπέθηκε τῇ συμφορᾷ, δεικνὺς ὅτι σός ἐστι θεράπων.
21Want snel sprong een onberispelijk man voor hen in de bres, Met het wapen, aan zijn ambt verbonden: Gebed en verzoenend wierookoffer. Hij weerstond de toorn, maakte een einde aan de plaag, En toonde, dat hij uw dienaar was.
22ἐνίκησε δὲ τὸν ὄχλον οὐκ ἰσχύϊ τοῦ σώματος, οὐχ ὅπλων ἐνεργείᾳ, ἀλλὰ λόγῳ τὸν κολάζοντα ὑπέταξεν, ὅρκους πατέρων καὶ διαθήκας ὑπομνήσας.
22Het was niet door lichaamskracht, dat hij de toorn bedwong, Noch door geweld van wapenen; Maar door zijn woord hield hij den bestraffer tegen, Door te herinneren aan de eed en het verbond met de vaderen.
23σωρηδὸν γὰρ ἤδη πεπτωκότων ἐπ᾿ ἀλλήλων νεκρῶν, μεταξὺ στάς, ἀνέκοψε τὴν ὀργὴν καὶ διέσχισε τὴν πρὸς τοὺς ζῶντας ὁδόν.
23Want toen de lijken reeds bij hopen op elkander lagen, Trad hij er tussen, weerde de gramschap af, En versperde haar de weg naar hen, die nog leefden;
24ἐπὶ γὰρ ποδήρους ἐνδύματος ἦν ὅλος ὁ κόσμος, καὶ πατέρων δόξαι ἐπὶ τετραστίχου λίθου γλυφῆς, καὶ μεγαλωσύνη σου ἐπὶ διαδήματος κεφαλῆς αὐτοῦ.
24Want hij droeg heel de wereld op zijn opperkleed; Op vier rijen stenen stond de roem der vaderen gegrift, En op de diadeem van zijn hoofd uw Majesteit
25τούτοις εἶξεν ὁ ὀλοθρεύων, ταῦτα δὲ ἐφοβήθησαν· ἦν γὰρ μόνη ἡ πεῖρα τῆς ὀργῆς ἱκανή.
25Hiervoor week de verdelger terug, hiervoor had hij ontzag; Want de proeve van uw gramschap was reeds genoeg.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.