ΣΟΦΙΑ 10
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΑΥΤΗ πρωτόπλαστον πατέρα κόσμου μόνον κτισθέντα διεφύλαξε καὶ ἐξείλατο αὐτὸν ἐκ παραπτώματος ἰδίου
1Zij heeft den eerstgeschapen vader der wereld Reeds bescherming verleend, toen hij nog alleen was. Ook uit zijn zondeval heeft zij hem gered,
2ἔδωκέ τε αὐτῷ ἰσχὺν κρατῆσαι ἁπάντων.
2En hem de kracht geschonken, om over alles te heersen.
3ἀποστάς δὲ ἀπ᾿ αὐτῆς ἄδικος ἐν ὀργῇ αὐτοῦ, ἀδελφοκτόνοις συναπώλετο θυμοῖς·
3Maar toen een ongerechte in zijn toorn van haar afviel, Kwam hij om door de woede, waarin hij zijn broeder doodde.
4δι᾿ ὃν κατακλυζομένην γῆν πάλιν διέσωσε σοφία, δι᾿ εὐτελοῦς ξύλου τὸν δίκαιον κυβερνήσασα.
4En toen om hem de vloed kwam over de aarde, Bracht de wijsheid weer redding, En loodste den rechtvaardige op nietig hout er doorheen.
5αὕτη καὶ ἐν ὁμονοίᾳ πονηρίας ἐθνῶν συγχυθέντων ἔγνω τὸν δίκαιον καὶ ἐτήρησεν αὐτὸν ἄμεμπτον Θεῷ καὶ ἐπὶ τέκνου σπλάγχνοις ἰσχυρὸν ἐφύλαξεν.
5Nadat de volken verspreid waren om de algemene boosheid, Vond zij den gerechte, bewaarde hem voor God zonder smet, En deed hem standvastig blijven, ondanks de liefde voor zijn kind.
6αὕτη δίκαιον ἐξαπολλυμένων ἀσεβῶν ἐρρύσατο φυγόντα πῦρ καταβάσιον Πενταπόλεως·
6Zij redde den rechtvaardige, bij de ondergang der zondaars, Toen hij het vuur ontvluchtte, dat op de vijf steden neerkwam.
7ἧς ἔτι μαρτύριον τῆς πονηρίας καπνιζομένη καθέστηκε χέρσος, καὶ ἀτελέσιν ὥραις καρποφοροῦντα φυτά, ἀπιστούσης ψυχῆς μνημεῖον ἑστηκυῖα στήλη ἁλός.
7Daar bevindt zich nog altijd als teken der boosheid Een altijd dampende woestenij, Met planten, die op verkeerde tijden vruchten dragen, En een hoge zoutzuil als herinnering aan een ongelovige vrouw.
8σοφίαν γὰρ παροδεύσαντες οὐ μόνον ἐβλάβησαν τοῦ μὴ γνῶναι τὰ καλά, ἀλλὰ καὶ τῆς ἀφροσύνης ἀπέλιπον τῷ βίῳ μνημόσυνον, ἵνα ἐν οἶς ἐσφάλησαν μηδὲ λαθεῖν δυνηθῶσι.
8Want zij, die de weg der wijsheid hadden verlaten, Verloren niet alleen de kennis van het goede, Maar lieten de wereld ook een herinnering na aan hun dwaasheid, Opdat niet verborgen zou blijven, wat zij hebben misdreven.
9σοφία δὲ τοὺς θεραπεύσαντας αὐτὴν ἐκ πόνων ἐρρύσατο.
9Maar wie de wijsheid dienden, heeft zij uit kwelling gered.
10αὕτη φυγάδα ὀργῆς ἀδελφοῦ δίκαιον ὡδήγησεν ἐν τρίβοις εὐθείαις· ἔδειξεν αὐτῷ βασιλείαν Θεοῦ καὶ ἔδωκεν αὐτῷ γνῶσιν ἁγίων· εὐπόρησεν αὐτὸν ἐν μόχθοις καί ἐπλήθυνε τοὺς πόνους αὐτοῦ·
10Toen de rechtvaardige vluchtte voor de toorn van zijn broeder, Heeft zij hem langs veilige wegen geleid; Zij heeft hem het rijk van God laten zien, En hem kennis van het heilige geschonken. Zij maakte hem rijk bij zijn moeitevol werk, En schonk hem overvloedige vrucht van zijn arbeid;
11ἐν πλεονεξίᾳ κατισχυόντων αὐτὸν παρέστη καὶ ἐπλούτισεν αὐτόν·
11Zij stond hem ter zijde tegen de hebzucht van zijn verdrukkers, Zij was het, die hem rijkdom schonk.
12διεφύλαξεν αὐτὸν ἀπὸ ἐχθρῶν, καὶ ἀπὸ ἐνεδρευόντων ἠσφαλίσατο καὶ ἀγῶνα ἰσχυρὸν ἐβράβευσεν αὐτῷ, ἵνα γνῷ, ὅτι παντὸς δυνατωτέρα ἐστὶν εὐσέβεια.
12Zij beschermde hem tegen zijn vijanden, En beschutte hem tegen zijn belagers; Bij een felle strijd schonk zij hem de overwinning, Opdat hij zou weten, dat vroomheid alles in kracht overtreft.
13αὕτη πραθέντα δίκαιον οὐκ ἐγκατέλιπεν, ἀλλὰ ἐξ ἁμαρτίας ἐρρύσατο αὐτόν·
13Zij liet den rechtvaardige, die verkocht was, niet in de steek, Maar bewaarde hem voor de zonde; Zij daalde met hem in de kerker af,
14συγκατέβη αὐτῷ εἰς λάκκον καὶ ἐν δεσμοῖς οὐκ ἀφῆκεν αὐτόν, ἕως ἤνεγκεν αὐτῷ σκῆπτρα βασιλείας καὶ ἐξουσίαν τυραννούντων αὐτοῦ· ψευδεῖς τε ἔδειξε τοὺς μωμησαμένους αὐτὸν καὶ ἔδωκεν αὐτῷ δόξαν αἰώνιον.
14En liet hem in zijn boeien niet alleen. Ja, zij verschafte hem een koningsschepter En macht over hen, die eerst hem verdrukten; Zij bewees, dat zijn aanklagers leugenaars waren, En verleende hem eeuwige roem.
15αὕτη λαὸν ὅσιον καὶ σπέρμα ἄμεμπτον ἐρρύσατο ἐξ ἔθνους θλιβόντων·
15Zij heeft een heilige natie, een geslacht zonder smet, Bevrijd van het volk der verdrukkers;
16εἰσῆλθεν εἰς ψυχὴν θεράποντος Κυρίου καὶ ἀντέστη βασιλεῦσι φοβεροῖς ἐν τέρασι καὶ σημείοις.
16Zij ging binnen in de ziel van den dienaar des Heren, En weerstond schrikwekkende vorsten met tekenen en wonderen.
17ἀπέδωκεν ὁσίοις μισθὸν κόπων αὐτῶν, ὡδήγησεν αὐτοὺς ἐν ὁδῷ θαυμαστῇ καὶ ἐγένετο αὐτοῖς εἰς σκέπην ἡμέρας καὶ εἰς φλόγα ἄστρων τὴν νύκτα.
17Zij verschafte de heiligen het loon voor hun zwoegen, En geleidde hen langs een wondere weg; Overdag werd zij voor hen een beschutting, En 's nachts als het licht van de sterren.
18διεβίβασεν αὐτοὺς θάλασσαν ἐρυθρὰν καὶ διήγαγεν αὐτοὺς δι᾿ ὕδατος πολλοῦ·
18Zij voerde hen door de Rode Zee En geleidde hen over het grote water;
19τοὺς δὲ ἐχθροὺς αὐτῶν κατέκλυσε καὶ ἐκ βάθους ἀβύσσου ἀνέβρασεν αὐτούς.
19Maar hun vijanden liet zij verdrinken, En spoelde uit de diepte der zee hen weer aan. Zo hebben de rechtvaardigen de zondaars geplunderd.
20διὰ τοῦτο δίκαιοι ἐσκύλευσαν ἀσεβεῖς καὶ ὕμνησαν, Κύριε, τὸ ὄνομα τὸ ἅγιόν σου, τήν τε ὑπέρμαχόν σου χεῖρα ᾔνεσαν ὁμοθυμαδόν·
20Zij bezongen, o Heer, uw heilige Naam, En prezen eenstemmig uw hand, die hier streed;
21ὅτι ἡ σοφία ἤνοιξε στόμα κωφῶν καὶ γλώσσας νηπίων ἔθηκε τρανάς.
21Want de wijsheid opende de mond van de stommen, En maakte de tong van de kleinen welsprekend.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.