Sapientiæ Solomonis
Chapter 14

Sapientiæ Solomonis

Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Sapientiæ Solomonis 14

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Iterum alius navigare cogitans, et per feros fluctus iter facere incipiens, ligno portante se, fragilius lignum invocat.
1Weer een ander, die een zeereis begint, En de wilde golven gaat doorklieven, Roept een hout aan, dat veel brozer is Dan het vaartuig, dat hem draagt.
2Illud enim cupiditas acquirendi excogitavit, et artifex sapientia fabricavit sua.
2Want hieraan werd door winzucht de nodige zorg besteed, En met vakkundig inzicht werd het gebouwd.
3Tua autem, Pater, providentia gubernat: quoniam dedisti et in mari viam, et inter fluctus semitam firmissimam,
3En het is uw Voorzienigheid, o Vader, die het bestuurt; Want Gij baant ook op zee een weg, Een veilig pad te midden der golven.
4ostendens quoniam potens es ex omnibus salvare, etiam si sine arte aliquis adeat mare.
4Gij toont daardoor, dat Gij in staat zijt, uit alles te redden, Zodat men ook zonder stuurmanskunst zee zou durven kiezen.
5Sed ut non essent vacua sapientiæ tuæ opera, propter hoc etiam et exiguo ligno credunt homines animas suas, et transeuntes mare per ratem liberati sunt.
5Maar daar Gij de werken uwer wijsheid niet onbenut wilt laten, Vertrouwen de mensen hun leven toe aan een klein stuk hout, En varen op een scheepje behouden door de branding.
6Sed et ab initio cum perirent superbi gigantes, spes orbis terrarum ad ratem confugiens, remisit sæculo semen nativitatis quæ manu tua erat gubernata.
6Ook in de oude tijd, bij de ondergang der trotse reuzen, Ontkwam de hoop der wereld op een schip; En door uw hand bestuurd, bewaarde hij voor de wereld Het zaad voor een nageslacht.
7Benedictum est enim lignum per quod fit justitia;
7Want gezegend is het hout, dat tot gerechtigheid dient.
8per manus autem quod fit idolum, maledictum est et ipsum, et qui fecit illud: quia ille quidem operatus est, illud autem cum esset fragile, deus cognominatus est.
8Maar vervloekt het beeld, door mensenhand gemaakt, tegelijk met zijn maker: Deze, omdat hij het heeft gemaakt; Het vergankelijk beeld, omdat het god wordt genoemd.
9Similiter autem odio sunt Deo impius et impietas ejus;
9Want de goddeloze is bij God gehaat met zijn goddeloos werk;
10etenim quod factum est, cum illo qui fecit tormenta patietur.
10En het maaksel wordt gestraft tegelijk met hem, die het maakte.
11Propter hoc et in idolis nationum non erit respectus, quoniam creaturæ Dei in odium factæ sunt, et in tentationem animabus hominum, et in muscipulam pedibus insipientium.
11Ja, ook over de beelden der heidenen komt het gericht, Omdat zij een gruwel werden onder de schepselen Gods, Een ergernis voor de zielen der mensen, En een valstrik voor de voeten der dwazen.
12Initium enim fornicationis est exquisitio idolorum, et adinventio illorum corruptio vitæ est:
12Want de gedachte aan beelden was het begin van de afval, Het uitvinden ervan werd het bederf des levens.
13neque enim erant ab initio, neque erunt in perpetuum.
13Ze bestonden niet van de aanvang af, En zullen niet eeuwig blijven;
14Supervacuitas enim hominum hæc advenit in orbem terrarum, et ideo brevis illorum finis est inventus.]
14Want door de ijdele waan der mensen kwamen ze in de wereld, En daarom is hun een spoedig einde beschoren.
15[Acerbo enim luctu dolens pater, cito sibi rapti filii fecit imaginem; et illum qui tunc quasi homo mortuus fuerat, nunc tamquam deum colere cœpit, et constituit inter servos suos sacra et sacrificia.
15Een vader toch, verteerd door onverwachte smart, Maakte een beeld van zijn kind, te vroeg hem ontrukt; Die als mens was gestorven, vereerde hij nu als god, En stelde voor zijn ondergeschikten een plechtige eredienst in.
16Deinde interveniente tempore, convalescente iniqua consuetudine, hic error tamquam lex custoditus est, et tyrannorum imperio colebantur figmenta.
16Toen die slechte gewoonte zich mettertijd had verbreid,
17Et hos quos in palam homines honorare non poterant propter hoc quod longe essent, e longinquo figura eorum allata, evidentem imaginem regis quem honorare volebant fecerunt, ut illum qui aberat, tamquam præsentem colerent sua sollicitudine.
17Gold zij als wet, en vereerde men beelden op bevel der vorsten. Want als men om de verre afstand henzelf niet kon vereren, Maakte men zich uit de verte een voorstelling van hun gestalte. Men vervaardigde een prachtig beeld van den gevierden koning, Om met alle ijver den afwezige te vleien, als was hij er bij;
18Provexit autem ad horum culturam et hos qui ignorabant artificis eximia diligentia.
18En de eerzucht van den kunstenaar bewoog zelfs wie den koning niet kenden. Om diens verering nog te vergroten.
19Ille enim, volens placere illi qui se assumpsit, elaboravit arte sua ut similitudinem in melius figuraret.
19Want om den vorst te behagen, gaf hij zich alle moeite, Om door zijn kunst het beeld zo schoon mogelijk te maken;
20Multitudo autem hominum, abducta per speciem operis, eum qui ante tempus tamquam homo honoratus fuerat, nunc deum æstimaverunt.
20En het volk, misleid door de schoonheid van het werk, Aanbad, dien men te voren als mens eerde, voortaan als god.
21Et hæc fuit vitæ humanæ deceptio, quoniam aut affectui aut regibus deservientes homines, incommunicabile nomen lapidibus et lignis imposuerunt.]
21En dit is voor de mensen een valstrik geworden: Dat zij door ongeluk gedreven of om vorsten te vleien, Aan hout of steen de Naam gaven, die slechts toekomt aan Eén.
22[Et non suffecerat errasse eos circa Dei scientiam, sed et in magno viventes inscientiæ bello, tot et tam magna mala pacem appellant.
22Maar, zij dwalen niet alleen in de kennis van God! Neen, terwijl zij door hun onkunde leven in grote strijd, Begroeten zij zulk een ellende nog als vrede.
23Aut enim filios suos sacrificantes, aut obscura sacrificia facientes, aut insaniæ plenas vigilias habentes,
23Want zij offeren hun kinderen, vieren verborgen geheimen, Of dolle feestgelagen met vreemde gebruiken,
24neque vitam, neque nuptias mundas jam custodiunt: sed alius alium per invidiam occidit, aut adulterans contristat,
24En verwaarlozen de reinheid van leven en huwelijk. De een vermoordt den ander of krenkt hem door echtbreuk;
25et omnia commista sunt: sanguis, homicidium, furtum et fictio, corruptio et infidelitas, turbatio et perjurium, tumultus bonorum,
25Overal heerst zonder onderscheid moord en doodslag, Diefstal, bedrog en verleiding, onbetrouwbaarheid, oproer en meineed;
26Dei immemoratio, animarum inquinatio, nativitatis immutatio, nuptiarum inconstantia, inordinatio mœchiæ et impudicitiæ.
26Vervolging der goeden, ondank voor weldaden, Verpesting der zielen, onkuisheid tegen de natuur, Verwording van het huwelijk, echtbreuk en ontucht.
27Infandorum enim idolorum cultura omnis mali causa est, et initium et finis.
27Want de verering der verfoeilijke afgoden Is het begin, de oorzaak en het einde van alle kwaad.
28Aut enim dum lætantur insaniunt, aut certe vaticinantur falsa, aut vivunt injuste, aut pejerant cito.
28Ja, zij vieren hun dolle feesten en profeteren leugens, Leven losbandig en doen valse eden zonder wroeging;
29Dum enim confidunt in idolis quæ sine anima sunt, male jurantes noceri se non sperant.
29Want zij stellen hun vertrouwen op levenloze goden, En verwachten daarom geen straf voor hun meineed.
30Utraque ergo illis evenient digne, quoniam male senserunt de Deo, attendentes idolis, et juraverunt injuste, in dolo contemnentes justitiam.
30Maar een rechtvaardige straf treft hen voor dit dubbel vergrijp: Dat zij goden vereren, maar kwaad denken van God; En door meineed en bedrog de deugd vertreden.
31Non enim juratorum virtus, sed peccantium pœna, perambulat semper injustorum prævaricationem.]
31Ja, al bezitten zij, bij wie men zweert, ook geen macht, Toch volgt de straf der zonde steeds op het misdrijf der bozen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.