Wisdom of Solomon 14

Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Again, another designing to sail, and beginning to make his voyage through the raging waves, calleth upon a piece of wood more frail than the wood that carrieth him.
1Weer een ander, die een zeereis begint, En de wilde golven gaat doorklieven, Roept een hout aan, dat veel brozer is Dan het vaartuig, dat hem draagt.
2For this the desire of gain devised, and the workman built it by his skill.
2Want hieraan werd door winzucht de nodige zorg besteed, En met vakkundig inzicht werd het gebouwd.
3But thy providence, O Father, governeth it: for thou hast made a way even in the sea, and a most sure path among the waves,
3En het is uw Voorzienigheid, o Vader, die het bestuurt; Want Gij baant ook op zee een weg, Een veilig pad te midden der golven.
4Shewing that thou art able to save out of all things, yea though a man went to sea without art.
4Gij toont daardoor, dat Gij in staat zijt, uit alles te redden, Zodat men ook zonder stuurmanskunst zee zou durven kiezen.
5But that the works of thy wisdom might not be idle: therefore men also trust their lives even to a little wood, and passing over the sea by ship are saved.
5Maar daar Gij de werken uwer wijsheid niet onbenut wilt laten, Vertrouwen de mensen hun leven toe aan een klein stuk hout, En varen op een scheepje behouden door de branding.
6And from the beginning also when the proud giants perished, the hope of the world fleeing to a vessel, which was governed by thy hand, left to the world seed of generation.
6Ook in de oude tijd, bij de ondergang der trotse reuzen, Ontkwam de hoop der wereld op een schip; En door uw hand bestuurd, bewaarde hij voor de wereld Het zaad voor een nageslacht.
7For blessed is the wood, by which justice cometh.
7Want gezegend is het hout, dat tot gerechtigheid dient.
8But the idol that is made by hands, is cursed, as well it, as he that made it: he because he made it; and it because being frail it is called a god.
8Maar vervloekt het beeld, door mensenhand gemaakt, tegelijk met zijn maker: Deze, omdat hij het heeft gemaakt; Het vergankelijk beeld, omdat het god wordt genoemd.
9But to God the wicked and his wickedness are hateful alike.
9Want de goddeloze is bij God gehaat met zijn goddeloos werk;
10For that which is made, together with him that made it, shall suffer torments.
10En het maaksel wordt gestraft tegelijk met hem, die het maakte.
11Therefore there shall be no respect had even to the idols of the Gentiles: because the creatures of God are turned to an abomination, and a temptation to the souls of men, and a snare to the feet of the unwise.
11Ja, ook over de beelden der heidenen komt het gericht, Omdat zij een gruwel werden onder de schepselen Gods, Een ergernis voor de zielen der mensen, En een valstrik voor de voeten der dwazen.
12For the beginning of fornication is the devising of idols: and the invention of them is the corruption of life.
12Want de gedachte aan beelden was het begin van de afval, Het uitvinden ervan werd het bederf des levens.
13For neither were they from the beginning, neither shall they be for ever.
13Ze bestonden niet van de aanvang af, En zullen niet eeuwig blijven;
14For by the vanity of men they came into the world: and therefore they shall be found to come shortly to an end.
14Want door de ijdele waan der mensen kwamen ze in de wereld, En daarom is hun een spoedig einde beschoren.
15For a father being afflicted with bitter grief, made to himself the image of his son who was quickly taken away: and him who then had died as a man, he began now to worship as a god, and appointed him rites and sacrifices among his servants.
15Een vader toch, verteerd door onverwachte smart, Maakte een beeld van zijn kind, te vroeg hem ontrukt; Die als mens was gestorven, vereerde hij nu als god, En stelde voor zijn ondergeschikten een plechtige eredienst in.
16Then in process of time, wicked custom prevailing, this error was kept as a law, and statues were worshipped by the commandment of tyrants.
16Toen die slechte gewoonte zich mettertijd had verbreid,
17And those whom men could not honour in presence, because they dwelt far off, they brought their resemblance from afar, and made an express image of the king whom they had a mind to honour: that by this their diligence, they might honour as present, him that was absent.
17Gold zij als wet, en vereerde men beelden op bevel der vorsten. Want als men om de verre afstand henzelf niet kon vereren, Maakte men zich uit de verte een voorstelling van hun gestalte. Men vervaardigde een prachtig beeld van den gevierden koning, Om met alle ijver den afwezige te vleien, als was hij er bij;
18And to worshipping of these, the singular diligence also of the artificer helped to set forward the ignorant.
18En de eerzucht van den kunstenaar bewoog zelfs wie den koning niet kenden. Om diens verering nog te vergroten.
19For he being willing to please him that employed him, laboured with all his art to make the resemblance in the best manner.
19Want om den vorst te behagen, gaf hij zich alle moeite, Om door zijn kunst het beeld zo schoon mogelijk te maken;
20And the multitude of men, carried away by the beauty of the work, took him now for a god that a little before was but honoured as a man.
20En het volk, misleid door de schoonheid van het werk, Aanbad, dien men te voren als mens eerde, voortaan als god.
21And this was the occasion of deceiving human life: for men serving either their affection, or their kings, gave the incommunicable name to stones and wood.
21En dit is voor de mensen een valstrik geworden: Dat zij door ongeluk gedreven of om vorsten te vleien, Aan hout of steen de Naam gaven, die slechts toekomt aan Eén.
22And it was not enough for them to err about the knowledge of God, but whereas they lived in a great war of ignorance, they call so many and so great evils peace.
22Maar, zij dwalen niet alleen in de kennis van God! Neen, terwijl zij door hun onkunde leven in grote strijd, Begroeten zij zulk een ellende nog als vrede.
23For either they sacrifice their own children, or use hidden sacrifices, or keep watches full of madness,
23Want zij offeren hun kinderen, vieren verborgen geheimen, Of dolle feestgelagen met vreemde gebruiken,
24So that now they neither keep life, nor marriage undefiled, but one killeth another through envy, or grieveth him by adultery:
24En verwaarlozen de reinheid van leven en huwelijk. De een vermoordt den ander of krenkt hem door echtbreuk;
25And all things are mingled together, blood, murder, theft and dissimulation, corruption and unfaithfulness, tumults and perjury, disquieting of the good,
25Overal heerst zonder onderscheid moord en doodslag, Diefstal, bedrog en verleiding, onbetrouwbaarheid, oproer en meineed;
26Forgetfulness of God, defiling of souls, changing of nature, disorder in marriage, and the irregularity of adultery and uncleanness.
26Vervolging der goeden, ondank voor weldaden, Verpesting der zielen, onkuisheid tegen de natuur, Verwording van het huwelijk, echtbreuk en ontucht.
27For the worship of abominable idols is the cause, and the beginning and end of all evil.
27Want de verering der verfoeilijke afgoden Is het begin, de oorzaak en het einde van alle kwaad.
28For either they are mad when they are merry: or they prophesy lies, or they live unjustly, or easily forswear themselves.
28Ja, zij vieren hun dolle feesten en profeteren leugens, Leven losbandig en doen valse eden zonder wroeging;
29For whilst they trust in idols, which are without life, though they swear amiss, they look not to be hurt.
29Want zij stellen hun vertrouwen op levenloze goden, En verwachten daarom geen straf voor hun meineed.
30But for two things they shall be justly punished, because they have thought not well of God, giving heed to idols, and have sworn unjustly, in guile despising justice.
30Maar een rechtvaardige straf treft hen voor dit dubbel vergrijp: Dat zij goden vereren, maar kwaad denken van God; En door meineed en bedrog de deugd vertreden.
31For it is not the power of them, by whom they swear, but the just vengeance of sinners always punisheth the transgression of the unjust.
31Ja, al bezitten zij, bij wie men zweert, ook geen macht, Toch volgt de straf der zonde steeds op het misdrijf der bozen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.