Wisdom of Solomon 17
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1For thy judgments, O Lord, are great, and thy words cannot be expressed: therefore undisciplined souls have erred.
1Ja, groot zijn uw gerichten, en niet te doorgronden; Daarom vervielen die kortzichtige mensen in dwaling.
2For while the wicked thought to be able to have dominion over the holy nation, they themselves being fettered with the bonds of darkness, and a long night, shut up in their houses, lay there exiled from the eternal providence.
2Want die goddelozen meenden, het heilige volk te verdrukken; Maar in duisternis gebonden, in lange nacht gekluisterd, Lagen ze onder eigen dak gevangen, Verstoken van de eeuwige Voorzienigheid.
3And while they thought to lie hid in their obscure sins, they were scattered under a dark veil of forgetfulness, being horribly afraid and troubled with exceeding great astonishment.
3Want terwijl ze zich verborgen waanden met hun heimelijke zonden. Onder een donkere sluier van vergetelheid, Werden ze uiteengejaagd en hevig beangstigd, Door allerlei schrikbeelden ontsteld;
4For neither did the den that held them, keep them from fear: for noises coming down troubled them, and sad visions appearing to them, affrighted them.
4De schuilhoek, die hen verborg, behoedde hen niet voor vrees, Maar angstige geluiden drongen van alle kant tot hen door, En sombere spoken doemden op met trieste gezichten.
5And no power of fire could give them light, neither could the bright flames of the stars enlighten that horrible night.
5Geen vuur had kracht genoeg, om licht te geven; Zelfs de sterren met haar helder geflikker Konden die sombere nacht niet verlichten.
6But there appeared to them a sudden fire, very dreadful: and being struck with the fear of that face, which was not seen, they thought the things which they saw to be worse:
6Slechts een vuur, dat van zelf ontstond, gaf hun af en toe licht; Dan schrokken zij op, maar als dat licht weer verdween, Leek hun, wat zij hadden gezien, nog erger.
7And the delusions of their magic art were put down, and their boasting of wisdom was reproachfully rebuked.
7Daar lagen nu de listen van hun toverkunst; Het pochen op hun kennis liep uit op schande.
8For they who promised to drive away fears and troubles from a sick soul, were sick themselves of a fear worthy to be laughed at.
8Want zij, die angst en vrees uit zieken beloofden te bannen, Waren nu zelf ziek van belachelijke angst.
9For though no terrible thing disturbed them: yet being scared with the passing by of beasts, and hissing of serpents, they died for fear: and denying that they saw the air, which could by no means be avoided.
9Want als er niets angstigs was, dat hen verschrikte, Dan werden ze opgejaagd door het kruipen van wormen Of het sissen van slangen, en stierven van angst, En durfden niet kijken naar de lucht, die men nergens ontloopt.
10For whereas wickedness is fearful, it beareth witness of its condemnation: for a troubled conscience always forecasteth grievous things.
10Want de boosheid toont zich laf en veroordeelt zichzelf; Altijd ducht ze gevaren, door het eigen geweten gekweld.
11For fear is nothing else but a yielding up of the succours from thought.
11Vrees toch is niets anders dan het prijsgeven Van de hulpmiddelen, die het overleg ons kan bieden.
12And while there is less expectation from within, the greater doth it count the ignorance of that cause which bringeth the torment.
12En al is soms inwendig de angst niet zo groot, Men voelt hem erger, als men de oorzaak der kwelling niet kent.
13But they that during that night, in which nothing could be done, and which came upon them from the lowest and deepest hell, slept the same sleep.
13Anderen weer, die in de werkelijk ondragelijke nacht, Welke uit de boezem van de ondragelijke hel was ontglipt, In hun gewone sluimer lagen gedompeld,
14Were sometimes molested with the fear of monsters, sometimes fainted away, their soul failing them: for a sudden and unlooked for fear was come upon them.
14Werden ofwel door wonderlijke beelden gepijnigd, Of door vertwijfeling verlamd, Of door een plotselinge en onverwachte angst overvallen.
15Moreover if any of them had fallen down, he was kept shut up in prison without irons.
15Zo zonk toen iedereen neer, waar hij was, Gevangen en opgesloten in een kerker zonder boeien.
16For if any one were a husbandman, or a shepherd, or a labourer in the field, and was suddenly overtaken, he endured a necessity from which he could not fly.
16Want of hij landman was of herder, Of werkman, zwoegend in de eenzaamheid: Onverhoeds werd hij door de onafwendbare ramp overvallen; Door dezelfde boeien van duisternis werden allen gekneveld.
17For they were all bound together with one chain of darkness. Whether it were a whistling wind, or the melodious voice of birds, among the spreading branches of trees, or a fall of water running down with violence,
17En was het nu het suizen van de wind, Of het zoet gekweel van vogels op lommerrijke takken, Of het bruisen van onstuimig stromend water, Of het donderend geraas van neervallende stenen,
18Or the mighty noise of stones tumbling down, or the running that could not be seen of beasts playing together, or the roaring voice of wild beasts, or a rebounding echo from the highest mountains: these things made them to swoon for fear.
18Of het onzichtbare lopen van huppelende dieren, Of het luid gehuil van brullende wilde beesten, Of een echo, die weerkaatste tegen de helling der bergen: Het sloeg ze lam van schrik.
19For the whole world was enlightened with a clear light, and none were hindered in their labours.
19Want terwijl heel de wereld straalde in helder licht, En ongestoord zich bezighield met allerlei werk,
20But over them only was spread a heavy night, an image of that darkness which was to come upon them. But they were to themselves more grievous than the darkness.
20Lag over hen alleen een donkere nacht gespreid: Een beeld der duisternis, die hen eens zal opnemen. Toch hadden ze meer last van zichzelf dan van de duisternis.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.